Bijdrage Arissen AO Natuur


8 maart 2018

Mevrouw Arissen (PvdD):

Dank u wel, voorzitter. Er wordt ongelofelijk gesold met dieren in de natuur. Jaarlijks worden zo’n 2 miljoen weerloze dieren naar de eeuwige jachtvelden geschoten. En nog eens zoveel dieren worden aangeschoten, ver uit het zicht van de bezorgde dierenliefhebber. Het gebeurt zelden op klaarlichte dag. Ze worden vanaf grote afstand beschoten. Slechts een op de vier dieren wordt bij het eerste schot gedood. De dieren creperen minuten, uren, dagen, soms zelfs weken- of maandenlang voordat zij een ellendige, pijnlijke dood sterven. Er zijn ook dieren die verder leven met uitvalsverschijnselen of kreupelheid of die rondvliegen met verdwaalde kogels in hun lijf. Dat gebeurt zonder nut of noodzaak, want de natuur is heel goed in staat om zichzelf te beheren, als we haar maar met rust laten, in balans laten komen en de natuurlijke vijanden laten leven. Jagers houden door de jacht hun eigen speeltje in stand, want het natuurlijke populatie-evenwicht wordt ook aan gort geschoten. Dieren krijgen meer jongen, en dat betekent dat er meer dieren zijn om op te jagen. Zo worden op de Veluwe enorme aantallen dieren afgeschoten: jaarlijks rond de 70% van de edelherten en 80% tot 90% van de zwijnen. Vandaag staat er toevallig een stuk in Trouw over de jacht op de Veluwe. Van de 6.000 zwijnen die op dit moment in het gebied leven, worden er ongeveer 5.000 afgeknald. Nogmaals, dat gebeurt ver buiten het zicht van de mensen. Inmiddels gebeurt het ook buiten het zicht van de rijks-overheid, want de verantwoordelijkheid voor het natuurbeheer ligt nu bij provincies. Voor de volstrekt zonder nut of noodzaak volledig vrij bejaagbare diersoorten zijn er nog steeds geen afschotcijfers vanuit de jagers tot ons gekomen, ook al was dat wel de afspraak. Die afspraak was minimaal, want het betreft slechts een controle achteraf. Jagers mogen namelijk zelf bepalen hoeveel zij mogen schieten. De afspraak was ook dat dierenbeschermers zitting zouden nemen in de faunabeheereenheden voor een tegengeluid, mensen die tegenwicht kunnen bieden aan een schietverslaafde jagersclub, maar nu wordt van hen geëist dat zij akkoord gaan met «duurzaam beheer van dierenpopulaties». Dat is een prachtige term voor ordinaire jacht. Dat gaat zo niet. Tot zover de transparantie van de jacht en het toezicht op de jacht, die de nieuwe Wet natuurbe-scherming zou bieden. Voorzitter. We moeten ophouden met het sollen met dieren in de natuur. De Partij voor de Dieren is tegen het uitzetten van dieren. Wij zeggen: eerst de natuur verbinden; dan komen de dieren vanzelf, inclusief natuurlijke vijanden. Daarom zouden wij nooit voorstander zijn geweest van de Oostvaardersplassen. Maar de dieren staan er nu en wij consta-teren dat het overheidsbeleid voor herten, heckrunderen en konikpaarden faalt. Het natuurgebied is een speelbal geworden van kortetermijnbe-langen van mensen, waarbij de belangen en het welzijn van de dieren totaal ondergeschikt gemaakt worden aan mensenwensen. Het is een gotspe, echt een gotspe. De adviezen van internationale dierenwelzijnsex-perts werden door de partijen van tafel geveegd die nu het hardst bij de hekken, die zij overigens zelf gesloten houden, staan te roepen dat er bijgevoerd moet worden, terwijl zij weten dat bijvoeren een zeer dieron-vriendelijke schijnoplossing is, die de dieren niet op korte termijn en zeker niet op lange termijn zal helpen. De jagerspartijen, die met het bijvoeren straks een explosief groeiende populatie grote grazers zullen afschieten, misbruiken de zeer terechte zorgen van mensen over het dierenwelzijn in de Oostvaardersplassen voor hun eigen agenda. Oud-CDA-staatssecretaris Henk Bleker – ik zeg het toch, voorzitter...

De voorzitter: Ik moet dan herhalen dat het niet netjes is om namen te noemen van mensen die zich hier niet kunnen verweren. Dat is gewoon een verzoek. Uiteraard kan ik het niet tegenhouden, maar ik heb het wel gezegd als voorzitter.

Mevrouw Arissen (PvdD): Het gaat om een oud-bewindspersoon die ik graag bij de naam wil noemen, voorzitter. Hij zei deze week nog in een praatprogramma: de sterrenrestaurants staan al te popelen voor de aanvoer van Oostvaarders-heckrund en -hert. Het bijvoeren van de dieren lijkt sympathiek, maar het is in wezen heel dieronvriendelijk. Het is een schijnoplossing. Dat wil ik graag uitleggen. Net als de Dierenbescherming en de Faunabescherming stelt de Partij voor de Dieren dat bijvoeren de dieren niet helpt, want tijdens de winter hebben de dieren in de natuur te maken met voedselschaarste en is hun vetreserve belangrijk om de winter door te komen. De stofwisseling van de dieren staat in deze periode op de zuinige stand. Wordt er plotseling voedsel aangeboden, dan komen de dieren uit hun zogenoemde winterspaarstand. Rangordegevechten en onrust in de kudde zorgen voor de wrange situatie dat juist de zwakste dieren slechter af zijn. Zij gaan wel meer vet verbranden, maar komen niet bij het voedsel dat door de sterkste dieren zal worden gekaapt. Die sterke dieren, die het voer dus niet eens nodig hebben, gaan zich als gevolg van het extra voer sneller voortplanten. Door extra groei en ontregeling van de populatie zijn er volgend jaar meer dieren en zal de concurrentie om het beschikbare voedsel alleen maar groter worden. Het was van meet af aan de bedoeling van de ontwerpers van de Oostvaardersplassen dat de overheid zou zorgen voor natuurlijke beschutting en vergroting van het gebied door een corridor naar de Veluwe, het Rivierengebied en het Duitse achterland.

De voorzitter: U heeft nog één minuut.

Mevrouw Arissen (PvdD): Voorzitter, dank u wel. Dit is een belangrijke voorwaarde voor goed dierenwelzijn. Het zou een probleemloos functionerende natuur, zonder jacht, zonder bijvoeren, zonder onnatuurlijke beperkingen voor de dieren hebben betekend. Alle stukken grond om dat mogelijk te maken waren aangekocht of gereserveerd. Er was overeenstemming onder weten-schappers en natuurbeheerders. Kortom, er was geen vuiltje aan de lucht. Het advies van internationale dierenwelzijnsexperts, die lovend waren over het experiment, was om het gebied na lang dralen van de politiek eindelijk te vergroten en om meer beschutting te bieden voor de dieren, onder meer door openstelling van de aanpalende bossen. Maar – daarmee, sluit ik ook af, voorzitter – een meerderheid van deze Kamer, onder aanvoering van CDA, VVD en PVV, wilde deze adviezen niet opvolgen. Daarom staan die hekken er nu. Daarom hebben de dieren te weinig beschutting. Daarom kunnen de dieren niet migreren en staan ze op die ene kale vlakte. Nu willen de jagerspartijen de jacht openen en schreeuwen zij moord en brand, terwijl zij zelf het probleem hebben gecreëerd. In het belang van het dierenwelzijn, is er geen tijd meer te verliezen. De hekken moeten weg. Dank u wel.

De voorzitter: De heer De Groot van D66 heeft nog een... O nee, het woord is aan de heer Geurts. Sorry, meneer De Groot.

De heer Geurts (CDA): Het is wel mijn week. De heer Ziengs werd door de voorzitter in de plenaire zaal al de heer Geurts genoemd. En nu word ik de heer De Groot genoemd.

De voorzitter: Dat scheelt wel een paar kilo!

De heer Geurts (CDA): Ik bedoel maar! Dit grapje is al zo oud. Ik zat in de plenaire zaal naast de heer Graus, dus ach... We hebben nog wel goed contact. De vraag aan mevrouw Arissen is de volgende. Ik beluisterde van de week een uitzending van Dit is de Dag, waar uw collega, de heer Koffeman, van de Eerste Kamer aanwezig was. Ik weet niet of hij daar als Eerste Kamerlid van de Partij voor de Dieren sprak of vanuit zijn betrokkenheid bij de faunabescherming, maar hij zei zoiets als: de grutto moet maar uitsterven als zijn voortbestaan samenhangt met het bejagen van de vos. Zou mevrouw Arissen eens kunnen reflecteren op deze uitspraak? Deelt zij die mening?

Mevrouw Arissen (PvdD): Natuurlijk gaat de heer Koffeman, die uiteraard sprak als senator, als lid van de Eerste Kamer, over zijn eigen uitspraken. Ik kan mij niet anders voorstellen dan dat ik daar volledig achter kan staan. Het gaat slecht met de weidevogels. De heer Geurts weet ook dat dat te wijten is aan de intensieve veehouderij, waardoor er een monocultuur ontstaat – ik herhaal het nog maar een keertje – van Engels raaigras, waar niets bloeit of groeit, waar geen insecten meer leven. Een grootschalig Duits onderzoek heeft uitgewezen dat 65% tot 75% van de insecten er ook in Nederland niet meer zijn vanwege de intensieve veehouderij en de manier waarop wij het landschap hebben ingericht, waardoor de weidevogel zijn langste tijd gehad heeft. Nu de vos gaan bejagen lijkt mij een zeer slecht plan. Je komt van de regen in de drup. De vos heeft er niets mee te maken, maar de landbouw heeft er alles mee te maken.

De heer Geurts (CDA): Ik krijg nu een heel lang antwoord, maar goed, ik heb het daar blijkbaar mee te doen. De cijfers kloppen niet, maar dat hebben we in een interruptiedebatje ook al met elkaar gewisseld. Ik ga dat niet herhalen. In een interruptie hintte mevrouw Arissen namens de Partij voor de Dieren ook op allerlei rapporten. Is zij bereid om die linkjes even naar mij toe te sturen? Wij zijn druk aan het zoeken om bewijs te vinden voor de bewering die mevrouw Arissen deed. Ik kan dat nog niet vinden in die korte tijd. Misschien kunt u ons daarbij helpen, mevrouw Arissen.

Mevrouw Arissen (PvdD): Met alle liefde! Dat is prima.

Wij staan voor:

Interessant voor jou

Bijdrage Wassenberg in debat over de verkoop van aandelen Eneco

Lees verder

Bijdrage Wassenberg debat Nationale Energieverkenning

Lees verder

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer