Bijdrage Arissen debat over de proble­matiek rond de zorg aan suïcidale tieners  


29 juni 2017


Voorzitter. Zeker twintig kinderen met ernstige problemen moeten zo lang wachten op een behandeling dat er acuut gevaar is, zo blijkt vandaag uit een inventarisatie. Het werkelijke aantal ligt waarschijnlijk veel hoger, meldt de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie. De ouders van Emma plaatsten een noodkreet op Facebook. Die werd opgepikt door RTL Late Night. Opeens nam de staatssecretaris de signalen, zoals hij zegt, "zeer serieus". Met druk vanuit het ministerie lijkt hij nu een mogelijk passende behandelplek voor Emma gevonden te hebben. Kan de staatssecretaris toelichten of er nu wel of niet passende zorg voor Emma gevonden is?

Als die werkelijk gevonden is, juicht de Partij voor de Dieren dat van harte toe. Maar welke capriolen moeten andere ouders van suïcidale tieners uithalen? De ouders van die 20 dus, of van 47 kinderen of van 100, want niemand weet hoeveel het er echt zijn. Hoe hard moet er geschreeuwd worden om hulp voor hun kinderen voordat de staatssecretaris weer als een deus ex machina een plek vindt? Want het kan dus immers kennelijk wél. Hoe wil de staatssecretaris een structurele oplossing vinden voor de veel te lange wachtlijst voor jeugd met zware psychische problemen? Hoe wil hij de financiële tekorten in de jeugdzorg oplossen en ervoor zorgen dat kinderen en tieners die acute zorg nodig hebben niet in de ene gemeente beter af zijn dan in de andere?

De staatssecretaris gaat zorgaanbieders en gemeenten aanspreken op hun verantwoordelijkheid. Wat houdt dat precies in? Ziet de staatssecretaris ook zijn eigen verantwoordelijkheid, namelijk om ervoor te zorgen dat de gedecentraliseerde jeugdzorg, die door die decentralisatie klap op klap heeft gekregen, optimaal kan functioneren zodat alle mensen in Nederland, inclusief suïcidale tieners, de zorg krijgen die zij nodig hebben en wel nú? Zo ja, kan de staatssecretaris dan uitleggen hoe het mogelijk is dat deze situatie met financiële tekorten, wachtlijsten en misstanden heeft kunnen ontstaan? Had hij een oproep op Facebook nodig om te erkennen dat het jeugdzorgbeleid, de decentralisatie en de 15% bezuinigingen op het budget van de jeugdzorg, afbraakbeleid is?

De staatssecretaris zegt zich verantwoordelijk te voelen voor de randvoorwaarden en deze bij te stellen indien nodig. Waarom heeft de staatssecretaris zijn randvoorwaarden niet veel eerder bijgesteld? Immers, kinderpsychiaters zagen het verval van de jeugdzorg al van verre aankomen en wilden al langer af van het juk van de gemeenten. Zij stelden dat hun professie in de kern is geraakt. Nu de commotie sussen met incidentenpolitiek, terwijl het gaat over de levens van kinderen, is een beetje too little, too late.

Eerst is de verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg vanuit de provincie over de schutting van de gemeenten gegooid. Nu wil de staatssecretaris opeens de samenwerking tussen gemeenten wettelijk verankeren. Hoe komt het dat de staatssecretaris nu pas die ambitie heeft als demissionair staatssecretaris, terwijl de mogelijkheid om hiervoor wettelijke regels te stellen per 1 januari 2018 vervalt?

Op Prinsjesdag komt er weer een jubelverhaal over de sterkste economische groei in jaren. Maar groei ten koste van wie? Ten koste van wie is er bezuinigd? Onder andere ten koste van onze jeugd en de zorg die deze nodig heeft. De enige markt in de zorg is de belangenmarkt: verzekeraars tegenover aanbieders. In dit geval blijkt de gemeente niet in staat om optimaal te sturen in een passend aanbod voor kinderen die hulp nodig hebben.

De staatssecretaris zegt dat gemeenten voldoende en passende jeugdhulp dienen in te kopen. Eind vorig jaar zei een advocaat aanbestedingsrecht in ZEMBLA dat de marktwerking in de jeugdzorg niet werkt. Er is eigenlijk geen markt. Door aan te besteden kun je wel doen alsof er een markt is, maar eigenlijk laat het proces zien dat die er juist niet is, maar dat je een bezuiniging door de strot van de maatschappij aan het duwen bent. Is de staatssecretaris met de Partij voor de Dieren van mening dat de marktwerking in de jeugdzorg en in de zorg in het algemeen afgeschaft moet worden?

Tot slot. De Partij voor de Dieren vindt dat de rijksoverheid iedereen in Nederland passende zorg moet bieden. Laat ouders en hun kinderen niet langer aan hun lot over!

Interrupties bij andere partijen

De heer El Yassini (VVD):
Gemeentes kunnen op bovenregionaal niveau met elkaar overleggen om te bekijken waar een kind geplaatst kan worden. Maar linksom of rechtsom: het kind heeft hulp nodig. De desbetreffende gemeente moet dan dus aan de bak. Een voorbeeld is de gemeente Utrecht, die met een website hiervoor bezig is. Of neem Groningen, dat het 3D-model heeft aangepakt om ervoor te zorgen dat kinderen echt de hulp krijgen die ze nodig hebben. Dat vinden wij heel belangrijk. Er zijn dus echt gemeentes die het oppakken en aan de slag gaan.

Mevrouw Arissen (PvdD):
Ik hoor de heer El Yassini zeggen: dan moeten gemeenten het maar regelen, dan moet het maar goed ingekocht worden. Maar, en dat zegt ook de advocaat aanbestedingsrecht, er is juist geen markt. Je creëert dus een soort fictieve markt met dat inkopen en inbesteden. Het is volgens de Partij voor de Dieren bizar dat je eerst de jeugdzorg van de provincie over de schutting van de gemeenten gooit — ik kan u vertellen dat ze bij de gemeente Utrecht ook met de handen in het haar zaten toen dat gebeurde — en vervolgens zegt: gemeenten, los het maar op. Ziet de VVD hierin dan geen enkele verantwoordelijkheid voor de rijksoverheid?

De heer El Yassini (VVD):
Volgens mij gaat het niet om het systeem, maar om het kind. Het belangrijkst is dat de gemeente aan de bak gaat op het moment dat het kind echt problemen heeft. Mevrouw Arissen noemde de gemeente Utrecht als voorbeeld. Die gemeente heeft inderdaad alles goed opgepakt en gezorgd voor een specifiek e-mailadres waar professionals achter zitten. Als ouders daar vastlopen, worden ze daadwerkelijk vanuit de gemeente geholpen. Dat staat voor ons voorop. Gemeentes moeten echt aan de slag en aan de bak. We zien heel veel voorbeelden in het land waarbij dat wel goed gaat.

Mevrouw Arissen (PvdD):
Maar de Partij voor de Dieren ziet ook heel veel gemeenten waarin het niet goed gaat. Inderdaad, het kind is hier de dupe van. Het is voor het kind blijkbaar van belang in welke gemeente het woont. Het is blijkbaar beter om in de gemeente Utrecht te wonen dan in een andere gemeente, bijvoorbeeld de gemeente Den Haag. Je kunt het niet bij de gemeente over de schutting gooien en zeggen dat de gemeente die zorgplicht en die verantwoordelijkheid moet oppakken als je jarenlang de zorg hebt afgebroken door de marktwerking en vervolgens 15% hebt bezuinigd op de jeugdzorg. Dan kun je niet zeggen: gemeente, bekijk het maar.

De heer El Yassini (VVD):
Ik hoorde geen vraag. Dat was een goed statement van mevrouw Arissen, maar ik ga door.

De voorzitter:
Volgens mij was de vraag wat u daarvan vindt.

De heer El Yassini (VVD):
Dat heb ik al in mijn eerste antwoord aan mevrouw Arissen verteld. Het gaat om het kind. Dat betekent dus ook dat gemeentes aan de bak moeten, omdat ze juist een integrale oplossing kunnen bieden. Dat kunnen gemeentes niet alleen vanuit de jeugdhulp en de jeugdzorg, maar ook vanuit de integraliteit, omdat ze het dichtst bij het kind staan. Dat is voor ons belangrijk. De ouders en de kinderen hebben de zorg nodig en de gemeente kan die het best uitvoeren.

Beantwoording bewindspersoon

Staatssecretaris Van Rijn:
De Kindertelefoon was een landelijke voorziening, die vervolgens werd ingekocht door de VNG. Dat kan nu niet meer. Daarvan is gezegd: je kunt het wel over alle gemeenten regelen, maar is het niet handiger om het landelijk te houden? Dit is een regeling van de gemeenten en van de regio's, die met elkaar zouden kunnen afspreken om nog meer te bundelen of om de randvoorwaarden voor de contracten gezamenlijk af te spreken. Dat is dus echt wel wezenlijk. Ik wil echt dat dit bij de gemeenten blijft, met de erkenning en de vraag die u stelt of je misschien niet naar landelijke voorwaarden en landelijke contractvoorwaarden moet kijken. Ik ben bereid om dat te doen.

Mevrouw Arissen (PvdD):
Ik hoor de staatssecretaris zeggen: wij wachten op het onderzoek, waarvan de resultaten eind dit jaar beschikbaar komen. Maar wat gaat de staatssecretaris doen voor die twintig of meer kinderen die op dit moment niet de zorg krijgen die zij nodig hebben? Ik hoor de staatssecretaris zeggen: bij een acute hulpvraag wordt de zorg gegeven, of dat zou moeten. Hij gaat nu de gemeenten vragen of hij mag kijken hoe het bij hen gaat. Maar de kinderpsychiaters luiden al anderhalf jaar lang de noodklok omdat er dingen verkeerd gaan, omdat de zorg die gegeven zou moeten worden, niet gegeven wordt, en omdat de zorg uitgekleed wordt. Wat gaat de staatssecretaris daar nu, op dit moment aan doen, in plaats van wachten op het onderzoek eind dit jaar?

Staatssecretaris Van Rijn:
Ik heb niet gezegd dat ik wacht op het onderzoek. Ik heb gezegd: daar waar acute zorg nodig is die niet kan wachten — daar heb ik geen oordeel over; dat moeten de professionals met elkaar vaststellen — dient die zorg ook gegeven te worden. Als er dus casussen zijn, en ik heb van mevrouw Kooiman signalen gekregen dat die er zijn, moeten die opgelost worden op de plek die daarvoor ingericht is, namelijk de gemeente die inkoopt en de zorgaanbieder die die zorg moet leveren. Ik ga bij die gemeenten na wat zij ervan weten en wat er dan is geregeld? Maar daarachter zit de vraag of de randvoorwaarden kloppen. Vandaar dat ik het belangrijk vind dat we op regionaal en bovenregionaal niveau afspraken maken, daar waar ze nodig zijn. Ik spreek aanbieders aan om transparant te maken hoe het met hun zorgverlening zit, of er wachtlijsten zijn en om te zorgen dat de gemeenten daarvan weten. Ik heb de VNG gevraagd om dat bij alle regio's te inventariseren, zodat wij met z'n allen kunnen kijken of daar nog wat van komt.

Mevrouw Arissen (PvdD):
Dit is het zoveelste signaal, zeggen de kinderpsychiaters. Die zagen het verval van de jeugdzorg al van verre aankomen. U zegt dat u de randvoorwaarden belangrijk vindt en dat u zich daarvoor verantwoordelijk voelt. Waarom hebt u de randvoorwaarden dan niet eerder bijgesteld? Waarom hebt u niet eerder de gemeenten gevraagd hoe het gaat? Waarom hebt u die kinderen die nu geen zorg krijgen, niet eerder gesignaleerd?

Staatssecretaris Van Rijn:
Eén: Wij hebben afspraken gemaakt met de gemeenten om te zorgen dat overal regionale afspraken komen, inclusief de afspraken met de aanbieders om elkaar goed te informeren over wachttijden en wachtlijsten, als die er zijn. Dat is een afspraak waarvan we dus nu gaan kijken: komt er nog wat van? Twee: De wetswijziging is in aantocht om ervoor te zorgen dat we met elkaar regels kunnen stellen als die regionale samenwerking onvoldoende tot stand komt. Drie: Ik ben met gemeenten in gesprek over hun signaal dat sommige gemeenten tekorten verwachten en andere niet. Betekent dat dat je naar de modellen moet kijken of naar andere regels moet kijken om de randvoorwaarden te veranderen? Vier: Ik heb er ook bij gezegd: zullen wij ook gewoon eens even de realisatiecijfers afwachten? Sommige gemeenten komen misschien tekort en andere hebben misschien wat over. Sommige gemeenten komen misschien tekort op de jeugdzorg maar houden weer over op andere delen. Wij zullen met elkaar toch moeten vaststellen hoe het zit met de ontwikkeling van de financiën, maar dat zullen wij ook doen. Dat zijn allemaal afspraken die wij al met elkaar gemaakt hebben en waar ik er nu dus een aantal aan toevoeg.

(…)

Staatssecretaris Van Rijn:
Mijn bijdrage zal nog maar heel kort zijn. Er zijn nog een paar specifieke vragen die nog niet aangeraakt zijn.

Mevrouw Arissen had het over de marktwerking bij het aanbesteden. Ik heb niet zo veel met de term "marktwerking", zeker niet in dit type zorg. Wij hebben in het debat over de Jeugdwet over de aanbestedingen gesproken en over wat wij aan het onderzoeken zijn. A: hoe kunnen we die aanbestedingsprocedures vereenvoudigen? B: zijn ze ten principale nodig of niet? Daar kom ik conform de afspraken bij de Kamer op terug.

(…)

Mevrouw Arissen (PvdD):
Ik heb nog een laatste vraag aan de staatssecretaris. Het is mij nog steeds niet helemaal duidelijk geworden of er nu daadwerkelijk een passende plek voor Emma is gevonden. Zo ja, kan de staatssecretaris nader uitleggen hoe hij die plek heeft gevonden? En gaat hij voor de twintig of meer kinderen die op dit moment acute zorg nodig hebben, ook een plek zoeken? Houdt hij de Kamer op de hoogte van de vorderingen? Ze hebben nu, acuut, hulp nodig. Gaat de minister dat doen?

Staatssecretaris Van Rijn:
Ik ben niet degene die zorg kan regelen en inkopen. Aan de hand van deze casus heb ik wel gebeld met de vraag of er niet ergens anders een plekje te vinden is. Dat bleek, overigens vrij snel, wel het geval te zijn. Dat zou een teken kunnen zijn dat de informatievoorziening over en weer — wie bel je als er een probleem is, weet de wethouder dat, zijn er soms andere aanbieders die iets kunnen? — nog wel verbeterd kan worden; zei hij eufemistisch. Ik heb ook andere signalen gekregen, en die zal ik met de betreffende gemeente bespreken. Dáár moet het worden opgelost. Tegelijkertijd hebben we hier gediscussieerd over een aantal randvoorwaarden. Ik zal de wethouder van de gemeente waar dit speelt, aanspreken en vragen: is het zo dat er in jouw gemeente casussen zijn die eigenlijk in overleg met de zorgaanbieders moeten worden opgelost? Dan zal ik de gemeente en zo nodig ook de aanbieders daarop aanspreken.

En wat betreft die plek, waarover de concrete vraag ging: er is een plaatsingsmogelijkheid, maar het antwoord op de vraag of die passend is, is uiteraard aan de ouders. De gesprekken daarover vinden nu plaats.

De voorzitter:
Mevrouw Arissen, een korte vervolgvraag.

Mevrouw Arissen (PvdD):
Ja, voorzitter, tot slot. Het is mij toch nog niet helemaal duidelijk hoe het kan dat ouders de noodklok luiden voor een kind dat echt acuut zorg nodig heeft en dat u één rondje belt en er dan toch nog een plek beschikbaar is. Hoe is het mogelijk dat kinderen weken- of maandenlang op een wachtlijst staan, dat u dan belt en dat het dan blijkbaar toch kan? En gaat u dat dan toch ook doen voor die andere kinderen, die in diezelfde situatie zitten?

Staatssecretaris Van Rijn:
Ik zal ook bij de andere gevallen ervoor zorgen dat degenen die het moeten oplossen, namelijk de gemeenten en de betreffende zorgaanbieders, dat ook gaan doen. Ik zal hen daar ook op aanspreken. Het feit dat het in dit geval gelukt is, heeft misschien te maken met wat ik net in het debat gezegd heb: is er wel voldoende contact tussen de betreffende zorgaanbieders en de gemeente als er een probleem is en weten ze het van elkaar, zodat ze ook kunnen acteren? We hebben gebeld en hebben gevraagd: weet je het en zijn er nog andere mogelijkheden? Daardoor is gebleken dat er een plek is. Ik denk dat dit in nog veel meer gevallen zo zou kunnen zijn. Stel elkaar op de hoogte en wees transparant over de wachtlijsten. Is er sprake van acute zorg? Kunnen we daar een oplossing voor bieden? Is de gemeente bereid te betalen? Ja? Dan zijn dat soort zaken ook oplosbaar. En voor zover ze niet oplosbaar zouden zijn, is er discussie nodig over de vraag of er meer zorg moet worden ingekocht, of op andere manieren afspraken moeten worden gemaakt dan wel of de regioafspraken beter moeten. Dat zijn de randvoorwaarden waarmee ik, zoals ik heb gezegd, met de gemeenten en de branche aan de slag ga.