Bijdrage Femke Merel van Kooten AO Water


20 juni 2019

Voorzitter, dank u wel. De brief van de minister van 4 april begon met: "De zomer van 2018 was uitzonderlijk droog: het ging om een neerslagtekort zoals dat maar eens per 30 jaar voorkomt." Ik zal mijn bijdrage beginnen met hoe die brief had behoren te klinken: "De zomer van 2018 was uitzonderlijk droog. Door het decennialang uitblijven van een klimaatbeleid zitten we nu met een klimaat dat structureel heftiger extremen zal kennen dan we gewend waren. Het neerslagtekort van het afgelopen jaar zal dus helaas regelmatig voorkomen." De afgelopen vijf jaar waren wereldwijd de vijf warmste jaren in de meetbare geschiedenis. Welke aanleiding heeft de minister om te veronderstellen dat dit een droogte was die slechts eens per 30 jaar gaat voorkomen? Is zij ook bereid om de schade die ontstaan is -- mogelijk 2 miljard, zoals zij vermeldt -- apart in een begroting te vermelden als het resultaat van het uitblijven van daadwerkelijk klimaatbeleid?

Dat de impact van de klimaatverandering op onze waterhuishouding groot zal zijn is inmiddels duidelijk. Het is goed dat de minister naar aanleiding van onze aangenomen motie gaat onderzoeken welke zeespiegelstijging we precies kunnen verwachten, maar de motie spreekt nadrukkelijk het verzoek uit om in beeld te brengen wat de effecten voor de brede welvaart zijn van een zeespiegelstijging van 1,8 meter. En dat zien we niet terug in de opzet. Kan de minister aangeven waarom zij alleen handelingsperspectieven gaat onderzoeken voor na het jaar 2100 -- 2100! -- terwijl zij meldt dat de effecten van de zeespiegelstijging al veel eerder merkbaar worden? Waarom onderzoeken we geen handelsperspectieven vanaf 2050 of nog eerder?

Dan de Kaderrichtlijn Water. In een artikel in The Guardian van 15 mei 2019 lazen we dat Nederland behoort tot de landen die, samen met de industriƫle lobby, deze richtlijn willen afzwakken. Als je dan de brief over de kabinetsinzet leest, valt op hoe expliciet de minister stelt dat ze in 2027 -- dan zouden de doelen behaald moeten zijn -- de opgave aangepakt wil hebben. Mijn vraag aan de minister is of dat komt doordat de richtlijn een mogelijkheid openhoudt voor het niet behalen van de doelen, als je de opgave maar hebt aangepakt. Sorteert de minister hiermee acht jaar lang voor de deadline al voor op het niet behalen van de doelen? Kan zij bevestigen dat die doelen in Europa gewoon als harde doelen geformuleerd zijn en dat ze dus wil afzien van enige uitweg? Kan de minister verder toezeggen dat zij ook niet voornemens is enige afzwakking van de richtlijn te steunen?

Dan de legionellabesmetting. Er zijn al wat vragen over gesteld. We hebben gezien wat voor levensgevaarlijke situaties er kunnen ontstaan in de omgeving van afvalwaterzuiveringen, bijvoorbeeld bij slachthuizen. De minister geeft aan dat er voor de bestaande zorgplicht voldoende regelgeving is. Wat geeft haar de zekerheid dat dit soort situaties zich in het vervolg niet meer voordoen? Hoe gaat de minister om met de aanbeveling die voortkomt uit het RIVM-onderzoek, namelijk dat er voor de toezichthouders en de GGD altijd een actueel overzicht moet zijn van afvalwaterzuiveringen inclusief een risico-inschatting?

Dan over naar de ballonnen. Vandaag staat een brief op de agenda over de grote sterfte onder zeevogels door ballonnen. Sinds wij vorig jaar een motie indienden die opriep tot een verbod op het oplaten van ballonnen, is maar liefst in tientallen gemeenten een verbod ingesteld of een ontmoedigingsbeleid gevoerd. Maar de minister is het toch met ons eens dat dit eigenlijk geen gemeentelijk beleid is? Als iets gemeentegrensoverstijgend is, dan zijn het wel gasgevulde ballonnen. Is de minister het met ons eens dat het, gelet op de bescherming van het maritieme milieu en het zeeleven, tijd is om niet te wachten totdat werkelijk alle gemeenten hieraan toe zijn gekomen, maar simpelweg nu een landelijk verbod af te kondigen op het oplaten van ballonnen?

Tot slot, voorzitter. De minister is het waarschijnlijk wel gewend van mij: ik sluit mijn bijdrage aan het overleg over water altijd af met aandacht voor de muskusrat. Dat doe ik zeker nu het nieuwe beleid is vastgesteld. Vanuit het oogpunt van dierenwelzijn -- let op! -- gaan de waterschappen de muskusrat uitroeien. En dat is diervriendelijk, volgens hen. De Partij voor de Dieren hamert er al jaren op dat de schade veroorzaakt door muskusratten schromelijk overschat wordt en dat een eventuele schade veel beter structureel kan worden voorkomen door een aanpassing van de dijken en de leefgebieden dan door tot in het buitenland toe te jagen op het waterkonijn. Het is eigenlijk een bever met een imagoprobleem.

Voorzitter. De Dierenbescherming heeft in samenwerking met een aantal andere dierenorganisaties begin dit jaar een brief aan de waterschappen gestuurd. Daarin zijn een paar kanttekeningen gemaakt bij het onderzoek: de proefduur is te kort, er is helemaal geen rekening gehouden met de preventieve maatregelen die zouden kunnen worden genomen en gaas en steen zouden wel kunnen helpen om de dijken te beschermen. Maar daar is helemaal geen aandacht aan besteed. Kan de minister toezeggen dat zij de aanbeveling van de Dierenbescherming overneemt en de waterschappen daarover informeert?

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer