Bijdrage Ouwehand aan SO over hitte­stress


20 juni 2019

Hittestress

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben met veel belangstelling het rapport gelezen dat de Dierenbescherming en Eyes on Animals aan de minister en de Tweede Kamer hebben gestuurd over hittestress bij dieren. Erg fijn als maatschappelijke organisaties misstanden met dieren signaleren, onder de aandacht brengen en oproepen tot actie wanneer de overheid dit laat liggen. De Dierenbescherming en Eyes on Animals presenteren in dit rapport een aantal zeer concrete maatregelen en onderbouwen duidelijk waarom deze noodzakelijk zijn, zoals het verlagen van de maximumtemperaturen en het verbeteren van de handhaving.

De Partij voor de Dieren vindt het dan ook onbestaanbaar dat de minister in haar reactie op dit rapport deze aanbevelingen aan de kant schuift en de twee organisaties slechts uitnodigt voor een gesprek met haar ambtenaren. Zeker aangezien zij stelt dat dierenwelzijn tijdens transport een speerpunt is van dit kabinet.

Het is een groot drama, elk jaar weer. Vrachtwagens propvol met dieren die in de brandende hitte op transport gaan naar het slachthuis. Buiten is het bijna 35 graden, in de vrachtwagen minstens 40. Dieren raken gestresst omdat zij hun hitte niet kwijt kunnen, hebben te weinig ruimte om voldoende te bewegen of te liggen, drogen uit en een flink aantal dieren sterft van ellende.

Het is nu drie jaar geleden dat het kabinet, in plaats van wettelijke maatregelen te nemen die dieren hier effectief tegen zouden kunnen beschermen, op de proppen kwam met het zoveelste vrijblijvende, niet bindende sectorplan: het Nationaal plan voor veetransport bij extreme temperaturen. Niet afdwingbaar, omdat de afspraken niet wettelijk zijn vastgelegd. Onvoldoende, omdat ook wanneer de afspraken worden nagekomen, de dieren alsnog ernstig te lijden hebben onder hittestress doordat de afgesproken maximumtemperaturen bij transport veel te hoog liggen.

Maar zelfs daar willen nog niet alle sectoren binnen de veehouderij aan meewerken. De pluimveesector weigert nu al drie jaar om de afspraken over te nemen. De reden? Belangenbehartiger Nepluvi wil dat kippen ook boven een temperatuur van 35 graden Celsius gewoon op transport kunnen worden gezet, de temperatuur die door alle betrokkenen bij het nationaal plan is benoemd als te extreem om op ‘diervriendelijke’ manier transport te kunnen realiseren. Dit terwijl vleeskuikens door hun extreme gewicht waarop ze zijn doorgefokt hun warmte niet goed kwijt kunnen en door hun snelle stofwisseling zelf meer warmte produceren en al bij 25 graden last kunnen hebben van hittestress. Wanneer zij met vele soortgenoten in kratten worden gepropt, loopt de temperatuur in een krat in een vrachtwagen op tot 5 tot 10 graden hoger dan de buitentemperatuur, vermeldt het voorliggende rapport. Er zou voor deze dieren dus een maximumtemperatuur moeten gelden van 20 graden in plaats van de 35 graden waar de sector zich niet eens aan wil verbinden.

Schandalig, vinden de leden. Een sector waarin honderden miljoenen dieren per jaar worden gefokt, gebruikt, gedood of geëxporteerd, weigert pertinent haar handtekening te zetten onder afspraken die voor minimale verbetering zouden zorgen, en komt daar nog altijd mee weg.

Staatssecretaris Van Dam riep de pluimveesector in 2017 op om mee te werken. “Indien sectoren niet bereid zijn stappen te nemen zal ik regelgeving uitwerken”, voegde hij hier aan toe [1]. De NVWA was wel met Nepluvi in gesprek om afspraken te maken over ruimere slachttijden, zodat ook in koelere uren kippen zouden kunnen worden geslacht.

Zijn opvolger, minister Kamp, zei nog geen 3 maanden later [2] dat hij het “spijtig” vond dat de pluimveesector nog altijd weigerde de grens van 35 graden over te nemen als maximum temperatuur waarbij dieren mogen worden vervoerd. Hij zou de sector opnieuw aansporen om zich aan te sluiten bij het nationaal plan. “Het al dan niet met de NVWA komen tot een vergelijk over mogelijk verruimde werktijden zou daarbij geen voorwaarde moeten zijn”, schreef hij.

Nog weer een jaar later lijkt hier nog geen enkele beweging in te zitten. Minister Schouten schrijft dat er een “verschil van opvatting is over het transport van dieren bij een temperatuur boven de 35 graden Celsius” en dat de NVWA met Nepluvi in gesprek is. (Antwoorden feitelijke vragen LNV begroting 2019)

Erkent de minister dat het vervoeren van kippen bij een temperatuur van 35 graden kan betekenen dat de temperatuur in de kratten in het midden van de wagen nog 5 tot 10 graden hoger kan zijn?

Erkent de minister dat vleeskippen door hun stofwisseling en hun gewicht meer warmte produceren en hun warmte niet kwijt kunnen?

Erkent de minister dat (vlees) kippen al bij een buitentemperatuur van 25 graden last kunnen krijgen van hittestress?

Erkent de minister dat het vervoeren van kippen bij een buitentemperatuur van 35 graden om voorgaande redenen dierenmishandeling is?

In het Nationaal plan staat: “Indien bij een temperatuur van 35 graden Celsius of hoger toch transport van dieren plaatsvindt, treedt de NVWA hiertegen op.”

Hoe wordt er op dit moment door de NVWA opgetreden wanneer er een transport met kippen plaatsvindt bij een buitentemperatuur boven de 35 graden?

De Partij voor de Dieren roept de minister op te komen met de regelgeving die door haar voorganger is aangekondigd.

Ook bij overige diersoorten is de maximale temperatuur waarbij zij mogen worden vervoerd volgens de afspraken met de sectoren die wel deelnemen aan het Nationaal plan, onverantwoord hoog.

Het rapport ‘Op de bres tegen hittestress’ komt op basis van onderzoeken en adviezen van dierenartsen en de EFSA met de conclusie dat de meeste diersoorten het al te warm krijgen bij temperaturen rond de 24 graden. Ernstige hittestress krijgen dieren al tussen de 26 en 29 graden.

Kan de minister toelichten waarom zij deze grenzen niet over neemt, maar vast blijft houden aan de grenzen die in overleg met de vee- en vleessector zijn vastgesteld? Op basis waarvan denkt zij dat vertegenwoordigers van de vee- en vleessector meer kennis hebben van dierenwelzijn en diergezondheid dan de bronnen die de Dierenbescherming en Eyes on Animals hebben geraadpleegd?

De Partij voor de Dieren wijst de minister graag op de aangenomen motie Ouwehand/Graus (Kamerstuk 34 725 XIII, nr. 13) die de regering opriep om het hitteprotocol verder aan te scherpen, onder andere omdat de afspraken over temperatuur voor verschillende diergroepen onvoldoende waren om het risico op hittestress daadwerkelijk te verkleinen en om de pluimveesector ondanks eerdere toezeggingen niet meedoet. De Kamer riep de regering dus op om aan de slag te gaan met het verlagen van de temperaturen voor diertransporten.

Erkent de minister dat dit niet of op zijn minst onvoldoende is gebeurd?

NVWA controles

Ook over de controles hebben de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren enkele vragen.

Vast staat dat bij diertransporten veel dieren met maar heel weinig ruimte per dier op elkaar gepakt staan. Kippen worden in kratten opgestapeld in de wagens.

Welk percentage van het totale aantal diertransporten wordt gecontroleerd?

Welk percentage van de vervoerde dieren wordt er per transport geïnspecteerd?

Worden bij een NVWA inspectie bij hoge temperaturen alle individuele dieren (kippen en andere diersoorten) gecontroleerd, ook in het midden van de vrachtwagen of in de buurt van de motor waar het het warmst is?

Hoe verloopt de inspectie van dieren (kippen en andere diersoorten), bij hoge temperaturen wanneer zij in gesloten vrachtwagens worden vervoerd?

Wordt de temperatuur op verschillende plekken in de wagens ook daadwerkelijk gemeten tijdens een inspectie? Op welke wijze wordt dit gemeten en hoe wordt dit geregistreerd?

In reactie op het voorliggende rapport schrijft de minister dat er wordt gewerkt aan het opstellen van handvatten voor de beoordeling van hittestress bij dieren. Kan de minister toelichten hoe er dan tot nu toe is gecontroleerd?

De minister antwoordt op schriftelijke vragen (Aanhangsel van de Handelingen, vergaderjaar 2018-2019, nr. 9) dat dit gebeurt aan de hand van wetenschappelijke inzichten en feitelijke waarnemingen. Tot welke criteria heeft dat geleid? Kan de minister de checklists toesturen die bij de inspecties worden gebruikt? Kan de minister toelichten hoe deze wetenschappelijke inzichten zich verhouden tot de afspraken in het Nationaal plan? Kan zij verklaren waarom de aanbevelingen in het voorliggende rapport, eveneens gebaseerd op wetenschappelijke inzichten, zo anders zijn dan de afspraken in het Nationaal plan?

Kan de minister een overzicht geven van de dieren die in de afgelopen vijf jaar zijn gestorven tijdens transport, uitgesplitst per diersoort?

Hoeveel van deze dieren zijn gestorven door hitte(stress)?

Wat zijn de normen die de NVWA hanteert voor de sterfte tijdens transport, per diersoort? Bij welke sterfte worden opgetreden?

Wat vindt de minister een acceptabel aantal dieren dat sterft tijdens transport? En tijdens transport op warme dagen?

Maatregelen slachthuis

Niet alleen tijdens het transport krijgen de dieren te maken met hitte. Ook bij aankomst bij het slachthuis moeten zij vaak lang wachten, eerst in de vrachtwagen waar de temperatuur door stil te staan nog veel verder oploopt, en daarna in de wachtruimte of wachtstal van het slachthuis.

Erkent de minister dat de bizarre snelheid van de slachtlijn er voor zorgt dat dieren in zulke grote aantallen moeten worden aangeleverd dat dit snel zorgt voor oponthoud en langere wachttijden? Erkent de minister dat dit tevens als gevolg heeft dat wanneer er een storing of een andere vorm van oponthoud is tijdens het slachtproces, het aantal dieren in de wachtstal en buiten zeer snel oploopt? Kan de minister zich voorstellen dat dit zorgt voor druk om het slachtproces maar zo snel mogelijk te hervatten, ook als dit eigenlijk niet wenselijk is?

Het voorliggende rapport vermeldt dat uit onderzoek in Vlaanderen bleek dat varkens na het lossen gemiddeld 3,5 uur moeten wachten en vleeskuikens gemiddeld ruim 4,5 uur, oplopend tot meer dan 9 uur. Hier komt de tijd voor het lossen nog bij. Bizar dat dieren tot wel meer dan 9 uur moeten wachten, gestresst en oververhit. De Partij voor de Dieren vindt dat er geen wachttijd zou moeten zijn tot het lossen en dat de wachttijd in de wachtstal zou moeten worden beperkt tot het minimale dat voor het dier wenselijk is.

Voor vleeskuikens komt hier nog eens bij dat zij in deze wachttijd niet eens water krijgen. Hoewel Europese regelgeving voorschrijft dat dieren mogen drinken in de wachtstal, mag hier voor dieren in kratten een uitzondering worden gemaakt.

Erkent de minister dat dit in strijd is met de zorgplicht voor dieren? Vindt de minister dat het verstrekken van water, en al helemaal bij warme temperaturen, niet alleen voor de veehouder verplicht zou moeten zijn, maar ook voor slachthuizen? Hoe gaat de minister dit verplicht stellen?

Hoe lang is de gemiddelde wachttijd voor dieren bij slachthuizen in Nederland, waar mogelijk uitgesplitst per diersoort en naar de wachttijd voor en na het lossen?

In hoeverre zijn slachthuizen sinds de ontwikkeling van het Nationaal plan en het protocol voor de slachthuizen efficiënter gaan plannen om wachttijden te voorkomen? Hoe wordt dit gemonitord en wat zijn hiervan de concrete resultaten?

De Partij voor de Dieren vindt het stuitend dat in plaats van in te zetten op de beperking van het aantal dieren dat wordt geslacht, nu is ingezet op het verruimen van de tijden om te mogen slachten. Onder het mom van een dierenwelzijnsmaatregel (slachten bij koelere temperaturen), wordt hiermee slachthuizen de mogelijkheid gegeven om meer dieren te slachten.

Is de minister bereid de snelheid van de slachtlijn te verlagen, zodat er minder dieren hoeven te worden aangevoerd en er minder fouten worden gemaakt die leiden tot vertraging in het slachtproces?

Is de minister bereid om een maximum te stellen aan de tijd die dieren moeten wachten bij en in het slachthuis?

De Partij voor de Dieren roept de minister op om per direct de volgende maatregelen in te voeren:

Niet meer rijden boven temperaturen waarvan vaststaat dat de dieren een groot risico lopen op hittestress.

Zorgen voor een lagere bezetting in de stallen bij veebedrijven, jaarrond. Immers, het verlagen van de bezetting is een maatregel om hittestress te voorkomen. De dieren hebben dan meer ruimte. Dit wordt op dit moment bereikt door dieren vroegtijdig af te voeren naar de slacht. Door de bezetting jaarrond te verlagen is dat niet nodig. Bovendien is er op die manier ruimte om dieren langer te kunnen aanhouden als zij door extreme temperaturen onvoorzien niet naar een slachthuis kunnen worden vervoerd.

Zorgen voor een verlaging van de snelheid van de slachtlijn in slachthuizen.

De wachttijd voor het slachthuis tot het moment dat de dieren naar de stal worden gebracht, moet terug naar nul.

De wachttijd in de wachtstal moet terug naar maximaal een uur.

Alle dieren op veebedrijven moeten naar buiten kunnen en daar de ruimte en mogelijkheden hebben om af te koelen op een manier die past bij hun natuurlijke behoeften. Varkens moeten kunnen rollen in de modder, kippen moeten kunnen stofbaden.

Dieren in de wei moeten voldoende beschutting hebben: meer bomen in de wei en ruimte voor schuilstallen. De Partij voor de Dieren vindt het absurd dat gemeenten geen vergunning geven voor beschutting in de vorm van schuilstallen. Kan de minister, die eindverantwoordelijk is voor dierenwelzijn, er boven op blijven zitten om er op toe te zien dat hier verandering in komt?

[1] Kamerstuk 28286, nr. 922

[2] Kamerstuk 28286, nr. 937

[3] Aanhangsel van de handelingen, vergaderjaar 2018-2019, nummer 9