Bijdrage Ouwehand AO Handels­be­vor­dering


29 mei 2019

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Een wijs mens heeft een keer opgemerkt dat veel mensen de wereld wel willen veranderen en verbeteren, maar dat maar heel weinig mensen zichzelf willen veranderen. Dat is mooi, want dat legt wel de vinger op het gegeven dat iets wat je zelf doet, iets moois kan betekenen voor anderen, maar ook enorme schade kan toebrengen. Dat zien we helaas ironisch genoeg terug in de samenvoeging van de portefeuilles van Buitenlandse Handel en van Ontwikkelingssamenwerking. Het is ook niet voor niks dat het eerst Buitenlandse Handel is en daarna Ontwikkelingssamenwerking.

Dat symboliseert het beleid, dat nu al jaren aan de gang is, dat we eerst allerlei dingen doen die niet goed zijn voor de wereld en waar kwetsbare mensen harde klappen van moeten opvangen, en we er daarna achteraan gaan rennen met onze goede bedoelingen, zoals een Klimaatfonds en ontwikkelingssamenwerking. De Partij voor de Dieren is daar heel erg voor, maar constateert ook dat dat niet kan goedmaken wat we aan de voorkant kapotmaken. Ik vraag mensen weleens wat de grote zorgen van deze tijd zijn, en de problemen die we echt moeten oplossen. Ik heb nog nooit iemand gesproken die zei: nou, het allerbelangrijkste is dat er te weinig handel is; daar moeten jullie nou écht iets aan gaan doen in Den Haag. Nee, de uitdaging is de aarde leefbaar houden voor toekomstige generaties, voor mens en dier, en voor de mensen die nu al de klappen moeten opvangen van de klimaatverandering die zij niet zelf hebben veroorzaakt. Die is veroorzaakt door rijke landen als Nederland, die maar blijven handelen in producten waarvan ze weten dat ze ten koste gaan van het regenwoud en dat ze klimaatverandering veroorzaken, en die daarachteraan rennen met een soort halfhartig Klimaatfonds en klimaatbeleid. Ja, zo werkt het dus niet.

De heer Van Haga (VVD):

Ik vraag me af of u het rapport van de Copenhagen Consensus heeft gelezen. Daarin hebben een aantal knappe koppen bij elkaar gezeten en uitgerekend wat nou het beste is om te doen om ontwikkelingslanden te helpen. Daaruit komt met grote afstand handel naar voren — 1 dollar levert 2.000 dollar op — dus vrijhandelsverdragen, handelsbarrières slechten; eigenlijk een beetje het VVD-verhaal. En pas heel erg veel later komen uw voorstellen. Ik wil het u dus graag overhandigen, maar misschien heeft u het al gelezen. Als u het al gelezen heeft, kunt u er misschien op reflecteren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Nee, ik heb dat rapport niet gelezen. Wat ik wel gelezen heb, is de Monitor Brede Welvaart. Daaruit blijkt dat het Nederlandse economische systeem, het Nederlandse economische beleid, ten koste gaat van waarden die dit kabinet ook voorstaat. Dat lijkt me een dilemma; laat ik het voorzichtig zeggen. Dat lijkt me ingewikkeld voor een minister die ik wel degelijk vertrouw op haar enorme vuur en haar betrokkenheid bij mensenrechten, bij de positie van vrouwen en meisjes en bij het behoud van de natuurlijke rijkdommen. Die natuurlijke rijkdommen zijn voor kwetsbare mensen direct van levensbelang, en voor mensen op de hele wereld van groot belang om in de toekomst ook nog een beetje een leefbare aarde te hebben. Dat rapport heb ik dus heel goed gelezen. Ook is er een motie aangenomen waarin staat dat we die Monitor Brede Welvaart moeten betrekken bij het handelsbeleid. Ik zie daar nog niet zo heel veel uit voortkomen.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van de heer Van Haga.

De heer Van Haga (VVD):

Nou, niet zozeer een vraag. Ik begrijp deze reactie niet helemaal. Het is toch vrij duidelijk dat de beste manier om de hele wereld te helpen, is zorgen dat er overal een bloeiende economie is, waarin het natuurlijk volgens de regels gaat. Die heb je in heel veel landen nu niet. Ik heb dus nog niet echt een antwoord gehoord op mijn eerste vraag: bent u het met mij eens dat als we gewoon gezond gaan handelen met al die landen, op een verantwoorde manier, dat waarschijnlijk de beste manier is om zo snel mogelijk te bewerkstelligen dat iedereen het even goed krijgt als wij hier?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Maar bij "gezond en verantwoord" zijn we nog lang niet in de buurt. Ik denk dat het ook goed is om te wijzen op de rapporten van de mensenrechtenrapporteur van de Verenigde Naties, de rapporteur voor het recht op voedsel. Die wijst erop dat een regionale voedselvoorziening waarin vrouwen en meisjes een betere positie krijgen en een belangrijke rol spelen, juist in ontwikkelingslanden de eerste basis is voor het veiligstellen van de mensenrechten. Als je daarnaast met handel zo'n economie nog wat verder kan helpen, maar dan niet aan die kernwaarden inboet, dan is er natuurlijk geen probleem. Maar we zijn zo uit balans dat ik denk dat we het mensenrechtenperspectief voorop moeten stellen en daarna pas moeten denken: wat zou handel kunnen bijdragen en waar kan het inderdaad gezond en verantwoord? Nu is het: handel is de oplossing voor alles, en de problemen die dat veroorzaakt moeten we dan misschien proberen op te lossen of te verminderen. Maar we zien dat dat gewoon niet goed gaat. Zowel de mensenrechten als de leefbaarheid van de aarde komen ernstig in de knel.

De voorzitter:

Dank u wel. Gaat u verder met uw betoog. Nee, nog niet; de heer Amhaouch heeft ook nog een vraag.

De heer Amhaouch (CDA):

Een mooi betoog van mevrouw Ouwehand. Ze stelt dat ze nooit iemand tegenkomt die van handel het probleem maakt. Ze zegt: ik kom nooit iemand tegen die vindt dat wij problemen hebben met handel. Ik zou mevrouw Ouwehand willen vragen om de volgende keer dat ze die mensen weer tegenkomt, eens te vragen: "Vindt u uw pensioen belangrijk? Vindt u het belangrijk dat we 80 miljard per jaar investeren in de zorg? Vindt u het belangrijk dat uw kinderen in Nederland naar school kunnen voor 75 miljard per jaar?" Dat geld verdienen we juist door de inkomsten. Meer dan een derde komt al door de export. We maken zaken. Als u de volgende keer nou die vraag stelt, dan zou ik graag het antwoord willen weten. U maakt er een karikatuur van dat wij terughoudend zouden moeten zijn of niks zouden moeten doen op het gebied van handel, en alleen maar rekening zouden moeten houden met een aantal duurzaamheidszaken. Het klopt dat wij moeten investeren in duurzaamheid, maar dat kan een welvarend land als Nederland alleen maar doen als het ook geld verdient. Dan moet je dat ook in een juist perspectief plaatsen. Ik zou mevrouw Ouwehand willen zeggen: plaats Nederland nou eens ten opzichte van een aantal andere landen, als het gaat om de manier waarop zij met duurzaamheid en internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen omgaan en hun verantwoordelijkheid nemen. Mijn vraag aan mevrouw Ouwehand is dus of ze, de volgende keer dat ze die mensen tegenkomt, die vraag net iets anders wil stellen. Dan hebben we misschien een beter debat.

De voorzitter:

We gaan kijken of mevrouw Ouwehand dat gaat doen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Mensen die dit verhaal willen horen, zal ik doorverwijzen naar de heer Amhaouch. Het punt is dat het een kwestie van prioriteiten is. Handel zou op zichzelf best kunnen, maar handel boven alles heeft gezorgd voor een aarde die er niet heel erg florissant voor staat. De heer Amhaouch weet ook dat er in de coalitie nu toch behoorlijke spanningen zijn over de urgentie die gevoeld wordt ten aanzien van het oplossen van het klimaatprobleem. Dat klimaatprobleem is niet uit de lucht komen vallen; dat heeft ergens een oorzaak. Als ik met mensen spreek, zijn ze het dus meestal wel eens over de simpele constatering dat we één aarde hebben en dat we het daarmee moeten doen, en dat het, als onze economie de draagkracht van de aarde overschrijdt, verstandiger is om ons economische systeem aan te passen dan te denken dat we er wel een aarde bij kunnen bestellen als we deze kapot hebben gemaakt. De meeste mensen snappen wel dat dát niet gaat werken.

De voorzitter:

De heer Voordewind heeft nog een vraag.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik ga ook een heel eind mee met het betoog van mevrouw Ouwehand. Ik kan me niet helemaal vinden in de reactie van de collega van de VVD, die zegt: als we de markt nou maar z'n gang laten gaan, dan creëren we vanzelf wel die banen die daar zo hard nodig zijn. Als er iets duidelijk wordt uit al die onderzoeken, ook die van de Wereldbank, is het dat dat trickledowneffect helemaal naar beneden niet vanzelf gaat. Je hebt echt wel die ondersteuning van boven nodig.

Mijn vraag is: wat vindt mevrouw Ouwehand dan van het programma dat voor ons ligt? Er zit een annex bij van de 22 fondsen die nu lopen. Dat gaat van 3 miljoen tot 700 miljoen. Ik ben ze nog eens nagegaan, en het merendeel is grotendeels gericht op de SDG's, innovatie, de bestrijding van kinderarbeid, het Klimaatfonds, het bevorderen van jongerenwerkgelegenheid in landen waar migratie vandaan komt enzovoort. Er zijn een stuk of twaalf fondsen die er speciaal op gericht zijn om de meest kwetsbaren een duwtje in de rug te geven. Wat vindt mevrouw Ouwehand daar dan van?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Daar ben ik voor. Ik ben ook voor een verhoging van het budget voor ontwikkelingssamenwerking. Maar we zeggen erbij: het is altijd het meest pijnlijk wanneer je jezelf tot de orde moet roepen. Iets goeds doen is altijd makkelijker. €5 overmaken naar een milieuorganisatie is makkelijker dan je eigen auto laten staan. Ik vind dat Nederland — het kabinet is daarvoor verantwoordelijk — ook die keuze moet maken. We moeten ons eigen gedrag aanpassen, zodat we het mensen die het toch al moeilijk hebben, niet nóg moeilijker maken. Ik leg daar zo veel nadruk op, omdat het kennelijk heel moeilijk is om dat voor elkaar te krijgen. Naast ervoor zorgen dat we geen schade toebrengen, hebben we natuurlijk ook een morele plicht. Ik denk dat het gewoon goed is om als mens te helpen waar dat nodig is. Als we alleen maar stoppen met schade toebrengen, zijn er nog steeds mensen die het moeilijk hebben. Laten we ze helpen. Laten we dat alsjeblieft doen. Maar laten we ook stoppen met schade toebrengen. Dat is mijn pleidooi.

De voorzitter:

Een korte vervolgvraag van de heer Voordewind.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

We moeten natuurlijk altijd naar onszelf kijken. Hoe kunnen we het beter doen? Ik ben nu ook weer aan het kijken naar een plug-in elektrische auto, maar ze zijn nog vreselijk duur.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Neem de fiets!

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Het is een beetje ver fietsen vanuit Amsterdam. Ik doe het nu met de trein. We kunnen anderen helpen. Daar hebben misschien een beetje een discussie over in der Kamer, bijvoorbeeld als het gaat om de steenkool-, olie- en gassector. Daar vindt mevrouw Ouwehand de minister aan haar kant, want die zegt dat je juist niet moet investeren in de sector van de fossiele brandstoffen. Daar zou je juist niet deze faciliteiten moeten aanbieden. Kan mevrouw Ouwehand zich dan juist vinden in de agenda van de minister? Zij zegt namelijk dat we het goede voorbeeld moeten geven en de verkeerde sectoren niet moeten stimuleren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Prima. Daar ben ik helemaal voor. Ik zal mijn betoog voortzetten, want eigenlijk wilde ik het vooral hebben over het meest cruciale deel van de handelsagenda, namelijk Nederland als agrarisch exportland. Dat zou toch eigenlijk ter discussie moeten komen te staan als we de mensenrechten, de voedselverdeling en de duurzame wereld serieus nemen?

Voorzitter. Een partijgenoot van de minister, Winnie Sorgdrager, heeft onderzoek gedaan naar de fipronilcrisis. Het grappige is dat zij tot de verbazingwekkende conclusie kwam dat Nederland zo'n enorme agrarische export heeft. Zij zei: dat is wel een beetje gek als je ziet hoe klein ons land eigenlijk is. De simpele reflectie is: hoe kun je als land met zo weinig grond — Nederland is én klein én we wonen hier met veel mensen, dus er blijft weinig landbouwgrond over — de tweede agrarische exporteur van de wereld zijn? Dat is toch raar? Nou, dat komt, omdat we leunen op landbouwgebieden elders. De vraag is dus of het verstandig is om zo zwaar in te zetten op landbouwproducten als kern van het Nederlandse handelsbeleid. Landbouw zou uit de handelsbevordering en uit de handelsverdragen gehaald moeten worden. Want zelfs als het alleen maar om plantaardige producten gaat, is het nog steeds risicovol omdat je monoculturen stimuleert. Het zijn kwetsbare ketens: doe het niet!

Een ander groot onderdeel van de Nederlandse agrarische export zijn natuurlijk de dierlijke producten. Ik zit op dit moment tegelijkertijd in een debat over de vraag hoe het kan dat de melkveehouderij toch weer niet onder het fosfaatplafond blijft. Dat is zo, omdat Nederland zo nodig de melkboer en slager van Europa moet zijn. En dan is er ook nog het gesleep met levende dieren. De minister en de minister-president waren blij met de kalfsvleesdeal met China, maar ik zou hun graag even voor willen houden hoe Nederland eigenlijk aan kalfsvlees komt. Dat zijn én de kalfjes die geboren worden in de Nederlandse melkveehouderij en binnen een paar uur bij hun moeder weggehaald worden en afgevoerd naar de kalvermesterij, én pasgeboren kalfjes uit Ierland die op de vrachtwagen en de boot naar Europa worden gezet. We hebben twee weken geleden gezien dat ze dan in Frankrijk op een verzamelplaats in elkaar worden geslagen. Dan gaan ze nog een keer de vrachtwagen in om in Nederland te worden vetgemest en vervolgens te worden geslacht. En dat zetten we dan op het vliegtuig naar China!

Iedereen met een beetje hart en een beetje gevoel zal zeggen: misschien moeten we ophouden met dat gesol met kwetsbare dieren. We moeten ophouden met het bevorderen van dit soort handel. Mijn pleidooi is: ik ga deels mee in de handelsbevordering. Want misschien kan dat geen kwaad als het duurzaam en verantwoord kan. Maar we moeten ophouden met de handel in landbouw, met de handel in dierlijke producten en zeker met de handel in levende dieren. Is de minister bereid om zich te verdiepen in de morele problemen die er op dat vlak liggen? Dat is mijn vraag.

De voorzitter:

Dank u wel. Dat leidt dan weer tot een vraag van de heer Bouali.

De heer Bouali (D66):

Alleen een hele korte verduidelijkende vraag. U onderschrijft de handelsagenda als die duurzaam is. Dan maakt u een stapje naar landbouw en dan trekt u hem meteen door. Dan gaat u naar het negatieve en zegt u: geen landbouw et cetera. Maar wilt u ook geen duurzame landbouw? Is dat niet iets wat u wilt bepleiten? Landbouw is internationaal een belangrijke factor voor heel veel landen. Dat heeft te maken met voedselzekerheid en voedselveiligheid. Maar als die dan duurzaam is, zoals u in het eerste deel van uw betoog positief neerzet, is dat dan wel iets wat we mee kunnen nemen?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Je moet in elk geval ophouden met handelsbevordering in de landbouw. Handelsdeals met landbouwproducten lijken mij dus niet goed. De allereerste zet zou moeten zijn dat je zorgt voor zo regionaal mogelijk geproduceerd voedsel waarbij de mensenrechten zijn gerespecteerd en mensen een normale boterham kunnen verdienen. Als er dan nog ruimte is voor verantwoorde handel in landbouwproducten, prima. Maar op dit moment zie je dat het gaat om massaproductie. Neem alleen al palmolie. Dat is een enorme monocultuur geworden in Indonesië, nog even los van alle andere nadelen. We hebben hetzelfde gezien in de Nederlandse tuinbouw. Je kan wel zeggen dat je dé expert wordt in de export van paprika's naar Rusland, maar als Rusland zegt daar even geen zin meer in te hebben, dan ben je superkwetsbaar. Dus er zitten fundamentele nadelen in het specialiseren in landbouwproducten voor de handel. Dus zorg nou dat je voedselsysteem zo regionaal en zo divers mogelijk is. Als er daarnaast nog iets te handelen valt, prima. Maar volgens mij hebben wij geen bevordering nodig van een handel die we eerst nog regionaler en duurzamer moeten krijgen.

De heer Van Haga (VVD):

Het is goed om te horen dat u in ieder geval gedeeltelijk met de handelsagenda meegaat als dat duurzaam en verantwoord kan gebeuren. Volgens mij is dat een basisvoorwaarde. Maar denkt u ook niet dat wij juist invloed kunnen uitoefenen op andere landen in die zin dat wij die landen kunnen bewegen naar onze hoge landbouw- en veeteeltstandaarden?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Laat ik even mijn pleidooi nuanceren. Ik laat mijn bezwaren tegen de rest van de handelsagenda even voor wat ze zijn. Dat betekent nog niet dat ik ervan overtuigd ben dat de rest van de handel inderdaad duurzaam en verantwoord is, maar ik sluit niet uit dat dat kan; laat ik het zo zeggen. Het grote bezwaar zit hem in de handel in landbouwproducten. We moeten constateren dat de redenering van de heer Amhaouch zojuist een gevalletje wensdenken is geweest, namelijk: je moet eerst geld verdienen en dan kun je pas wat voor het milieu of andere goede dingen doen. Dat geldt ook voor wat de heer Van Haga nu zegt, namelijk: als wij handelen, dan kunnen wij anderen stimuleren om onze normen na te leven. We hebben vanavond een debat over de import van vervuild vlees uit Brazilië. Dat heeft dus niet gewerkt. De vraag is welke resultaten wij hebben gezien in die zin dat de duurzaamheidsstandaarden in andere landen door het handelen daadwerkelijk dusdanig zijn opgeschroefd dat we nu van de klimaatproblemen of van de biodiversiteitscrisis af zijn. Volgens mij werkt het zo niet en heeft u geen bewijzen dat het daadwerkelijk de duurzaamheid dichterbij brengt, die we echt nodig hebben.

De voorzitter:

Korte vervolgvraag. De heer Van Haga.

De heer Van Haga (VVD):

Je kunt toch in een handelsverdrag afspreken wat je standaarden zijn en dat die over en weer moeten worden gerespecteerd? Als iemand zich daar niet aan houdt, zoals met dat vervuilde vlees uit Brazilië, dan is dat een fout. Dat is evident. Dat vinden wij allemaal, maar je kunt afspraken maken. Dat kan beter zijn dan het gemiddelde van die twee landen tot op dat moment.

De voorzitter:

Korte beantwoording. Mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Maar het is én marginaal en het is niet te controleren. Kijk eens naar het totale effect van de import van vlees uit Brazilië. Dat moet hier ook nog heen. Het is sowieso al dierlijk. Dat is slecht voor het klimaat. Dan moet het helemaal naar Nederland worden verscheept, alsof we hier te weinig vlees hebben. Dat is niet aan de hand. Waarom zou je dat doen? Wat is per saldo de duurzaamheidswinst van het over de hele wereld slepen van dierlijke producten? Daar moet je dan toch nog al die CO2-uitstoot van het vervoer bij optellen? Dan houd je uiteindelijk toch niks over?

De heer Amhaouch (CDA):

De Partij voor de Dieren maakt weer een beetje karikaturen van een sector waarmee wij het verschil kunnen maken in de wereld als het gaat om het voeden. Ik heb het net gehad over Afrika in 2050. Daar krijg je een verdubbeling van het aantal mensen naar 2,5 miljard. In Azië zie je dat ook. Overal waar Nederland komt, zijn die landen en die mensen enthousiast over wat wij inbrengen, of het nou producten zijn of kennis is over het voeden van de mensen in de wereld. Mevrouw Ouwehand maakt er een karikatuur van, net of sector, de kalverveehouderij, als hobby zou hebben het in elkaar slaan van kalveren; alsof dat dé sector vertegenwoordigt. Wat heeft mevrouw Ouwehand erop tegen als twee landen in wederkerigheid zeggen: wij brengen de uien naar Senegal en wij halen de mango's uit Colombia, waar handel op en neer gaat in producten die wij hier wel of niet kunnen maken? Waar zit uw principiële probleem als het vanuit wederkerigheid gaat, de landen ermee instemmen en de mensen ermee instemmen? U vroeg: hoe kan Nederland dat doen? Nederland is gewoon een heel productief land als je ziet wat wij omzetten per hectare. Ik weet ook wel dat wij niet heel Afrika gaan voeden door alles in Nederland te maken, en dat wij de zaden, de machines of kennis gaan brengen. Maar waar zit uw fundamentele probleem om zover te gaan dat u de bijl zet in de beste sector die wij hebben, en dat u zegt: het agrofood moet uit de handelsakkoorden of uit het handelsbeleid?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Het fundamentele probleem is dat er veel te grote schade wordt toegebracht aan de aarde, de biodiversiteit, het klimaat, maar ook aan de mensenrechten. Ook zit het een regionale voedselproductie in de weg waarbij mensen een eigen bestaan kunnen opbouwen, waarbij de positie van vrouwen en meisjes wordt versterkt en waarbij er niet zo veel kwetsbaarheid zit in de voedselketens. Als Senegal afhankelijk wordt van de uien in Nederland en er een probleem ontstaat, dan hebben die mensen toch een enorm voedseltekort? Help mensen hun eigen voedselproductie op te bouwen. Laten we ze vooral helpen met de kennis die we hebben. Dan sturen wij het Louis Bolk Instituut en niet Wageningen, dat mensen wijsmaakt dat landbouwgif gebruiken dé manier is om voedsel te verbouwen. Daarnaast zou je het kunnen aanvullen met handel, maar nu is het andersom. Dus mijn pleidooi is: stop met de bevordering van handel in landbouwproducten. Laten we eerst een pas op de plaats doen en ervoor zorgen dat de voedselvoorziening in de wereld op orde komt.

De voorzitter:

Helder. Korte vervolgvraag. De heer Amhaouch.

De heer Amhaouch (CDA):

De vraag is of het een probleem is om afhankelijk te zijn. Laat Senegal de uien importeren. Laten wij andere zaken importeren. Juist handel brengt de mensen dichter bij elkaar. Dat moeten wij toch stimuleren? Als ik de lijn van mevrouw Ouwehand zou doortrekken, dan zouden wij ons achter de dijken moeten verschuilen. Ik begrijp niet dat u dat zo blindelings zegt. U zou ook kunnen zeggen dat er verbetering moet optreden in de sector of dat wij daartoe plannen maken. De minister van Landbouw is bezig met een circulaire landbouweconomie. Dat zou u toch moeten ondersteunen in plaats van volkeren uit elkaar te drijven en geen handel met elkaar te drijven?

De voorzitter:

Mevrouw Ouwehand, korte reactie.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Nou, nou, nou! Je pleit voor regionalisering van de voedselproductie en ineens ben je iemand die volkeren uit elkaar drijft. Ik dacht het even niet. Ik dacht het even niet! Het CDA staat altijd vooraan om er schande van te spreken dat er goedkoop vlees uit andere landen in Nederland wordt verkocht, maar dan moet je daar ook consequenties aan verbinden. Wij hebben vanavond een debat over de import van vervuild vlees uit Brazilië. Op de rol staat een handelsdeal met Mercosur. Ik heb in de agrarische pers gelezen dat de minister zegt "laten we daar vooral mee opschieten", terwijl iedereen al boos is over de import van goedkoop kippenvlees uit Oekraïne. Dat is klein bier vergeleken bij de Mercosur-deal. Dus wat gaat het CDA zeggen tegen al die boeren die er straks last van hebben als goedkoop kippenvlees en goedkoop rundvlees uit de Mercosur-landen gewoon in de Nederlandse supermarkten mogen worden verkocht? Als je daar schande van spreekt, dan moet je ook erkennen dat dit soort handelsbevordering gewoon niet bijdraagt aan de doelen die wij hier hebben: een goede boterham voor de Nederlandse boeren en geen verwoesting van klimaat en biodiversiteit. Want daar komt het toch op neer.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik denk dat de heer Amhaouch daar misschien in zijn tweede termijn nog op gaat reageren, maar voor nu laten wij het hier even bij. Hiermee beëindigen wij de eerste termijn van de Kamer. De minister heeft tien minuten nodig om zich voor te bereiden.