Bijdrage Ouwehand AO Mili­euraad


14 maart 2013

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik moet om 14.00 uur in de plenaire zaal zijn voor de regeling van werkzaamheden en zal de vergadering tussendoor dus eventjes verlaten. Het kabinet onderschrijft de noodzaak die de Commissie ziet om de praktijkproblemen met de m.e.r.-richtlijn op te lossen. Onderschrijft de minister dat de uitvoering van de m.e.r. vaak niet goed gebeurt en dat het zelfs voor ambtenaren niet altijd duidelijk is of er een m.e.r. moet worden uitgevoerd? Uit het jaarverslag van de Commissie voor de m.e.r. blijkt dan ook altijd dat er veel fouten worden gemaakt bij de m.e.r., vaak met betrekking tot de intensieve veehouderij. Als de goed opgeleide milieuambtenaren, die Nederland echt wel heeft, de m.e.r. al lastige materie vinden, dan is het toch prima als er juist meer gedetailleerde normen worden opgenomen in die richtlijn? Vanwaar het verzet daartegen? Kan de minister garanderen dat de normen waarin is vastgelegd wanneer een m.e.r. dient te worden uitgevoerd, in elk geval niet verlaagd zullen worden in de richtlijn en dat dit ook niet de inzet van Nederland kan zijn? Dat kan namelijk nadelige gevolgen hebben voor het milieu.
Wellicht kan de minster schriftelijk aangeven hoe het staat met de schattingen van het aantal proefdieren dat zal worden opgeofferd voor de REACH-testen en hoe het staat met de implementatie van alternatieven. De schattingen van het aantal dieren dat daardoor zal worden ingezet voor testen, variëren nogal. Ik ben benieuwd of het kabinet een stand van zaken kan geven over de inzet op dit moment en over de perspectieven die er zijn om die stoffen zonder gebruik van proefdieren te kunnen testen.
De discussie over biobrandstoffen blijft heel prangend. Ik heb met de staatssecretaris eerder al van gedachten gewisseld over de analyses van de speciale VN-rapporteur over het recht op voedsel, Olivier de Schutter, met betrekking tot de verdringing van de toegankelijkheid van voedsel als gevolg van biobrandstoffen. De staatssecretaris hoeft toen gezegd dat zij met hem wilde afspreken, samen met de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Ik ben benieuwd of die afspraak inmiddels is geweest of voor binnenkort gepland staat. Ik krijg graag een update.
Dan kom ik bij het ETS. Vorige week stond in Trouw een interessant artikel van Vlaamse wetenschappers, die heel treffend hebben geanalyseerd hoe de markt het klimaat niet gaat redden en dat publieke instituties hun verantwoordelijkheid moeten nemen. De analyse is echter nog erger. De markt gaat het klimaat niet alleen niet redden: door juist alles aan de markt over te laten lijkt het wel alsof we een soort van koolstofkolonialisme aan het opbouwen zijn. Het systeem van emissierechten is er dus zo'n voorbeeld van hoe de kapitalistische economie de vergroening omarmt en er goede sier mee maakt, terwijl men eigenlijk bezig is zichzelf te redden. Dit pleidooi heb ik in de Kamer al eerder gehouden, ook in lijn met opmerkingen van Robert Reich, oud-minister onder Clinton: kapitalisme is niet erg, bedrijven zijn niet goed of slecht, maar de verantwoordelijkheid om te waken over het publieke belang ligt hier, bij ons. Ik hoor heel graag of de minister in kan gaan op deze analyse.

De heer Remco Dijkstra (VVD): Er stond nog iets in die recensie van dat boek; ik geloof dat die in de NRC stond. De lezers worden gewaarschuwd voor dat boek; dat maakt het natuurlijk heel interessant. Iedereen die een beetje serieus of ambitieus met milieubeleid bezig is, zal enorm schrikken van het fanatisme en extremisme in dat boek. Hoe ziet mevrouw Ouwehand dat?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Daar ben ik helemaal niet verbaasd over. Dit past helemaal in het patroon van het blijvend negeren van de urgentie om een radicale hervorming in te zetten en onze verantwoordelijkheid te nemen. Ik houd vast aan de analyse -- ik zie namelijk helemaal geen bewijzen van het tegendeel -- dat er stappen worden gezet in de richting van "minder slecht" terwijl we "echt duurzaam" nodig hebben. Het afschuiven van die rol op de markt vind ik een heel verkeerde zaak. In alle eerlijkheid kun je dat ook niet vragen van de markt, omdat daar andere belangen spelen. Ik zie dat de woordvoerder van het CDA dit debatje herkent, want in de plenaire zaal hebben we dat al eerder gevoerd.

De heer Remco Dijkstra (VVD): De VVD staat positief in het leven. Extremisten zul je altijd hebben en mensen die doorslaan ook, maar al die goede initiatieven die momenteel worden ontplooid om het milieu via duurzaamheid, het ETS et cetera te versterken, moet je niet in de kiem smoren door een heel radicaal standpunt in te nemen. Mainstream gaat het steeds beter in Nederland en Europa op milieu- en klimaatgebied. Als je extremisten de kans geeft, dan krijg je dit soort boeken. Het is interessant om te lezen, om vervolgens je eigen oordeel te kunnen vellen.

De voorzitter: Ik hoor geen vraag, maar mevrouw Ouwehand heeft er vast een reactie op.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Het is leuk geprobeerd van de VVD om alle pogingen om te wijzen op de noodzaak tot echte verandering teneinde de aarde ook voor toekomstige generaties leefbaar te houden en rekeningen niet door te schuiven, weg te zetten als extremisme. Ik stel daartegenover dat je het naïeve geloof van de VVD en in het algemeen het fundamentalistische geloof in oneindige groei op een planeet die niet mee gaat groeien, bovenaan de lijst met extremistische gedachten zou kunnen zetten. Ik denk echter dat we daar vandaag niet uit gaan komen. Ik ben benieuwd naar de reactie van de minister op deze analyse. Daarmee ben ik ook aan het eind gekomen van mijn betoog.

Beantwoording door de minister van Infrastructuur & Milieu:

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Voorzitter. Voor de leden van de commissie die nog niet aanwezig waren bij de start: ik vervang vandaag mevrouw Mansveld. Ik zal proberen de vragen zo gedetailleerd mogelijk te beantwoorden, maar vergeef mij als ik af en toe nieuw ben op een terrein. Dat speelt niet voor het eerste onderwerp, de m.e.r., want dat valt ook onder mij. Door een aantal leden is gevraagd naar de herziening van de Richtlijn Milieueffectrapportage. (...)

Net als de commissie vinden wij dat die richtlijn moet worden aangepast om praktijkproblemen op te lossen bij de toepassing van de m.e.r.-richtlijn -- mevrouw Ouwehand wees er al op dat zaken in de praktijk nog weleens niet goed gaan -- om hem te moderniseren en om hem in overeenstemming te brengen met slimme regelgeving, smart regulation. (...) Mevrouw Ouwehand stelde dat de rapportage af en toe niet goed wordt uitgevoerd omdat de Commissie voor de m.e.r. fouten constateert. Deze commissie controleert inderdaad altijd de kwaliteit van de rapporten. Dat is zeer nuttig, want dat zorgt uiteindelijk ook voor de goede informatie voor het bevoegd gezag. Inderdaad is het soms een complexe materie voor de mensen. Afhankelijk van de hoeveelheid deskundigheid die je in huis hebt, is het gemakkelijker of moeilijker. De tekortkomingen worden naar aanleiding daarvan weer weggenomen. De m.e.r. wordt iedere keer beter en beter uitgevoerd. Mevrouw Ouwehand legde in dat verband vervolgens een link door te pleiten voor een gedetailleerde invulling van de m.e.r. Wij ondersteunen de doelen van de Europese Commissie om het eenduidiger te maken, maar kiezen niet altijd voor de precieze invulling die de Europese Commissie heeft gekozen met betrekking tot meer verplichtingen en meer details. Ik denk dat je dat alleen moet doen als het ook een toegevoegde waarde voor alle partijen heeft. Mevrouw Ouwehand vroeg ook of Nederland in de discussie ervoor gaat zorgen dat de normen op milieugebied niet worden verlaagd. De m.e.r. gaat in principe niet over milieunormen, want die worden in andere richtlijnen geregeld. Deze richtlijn zal in ieder geval niet leiden tot het verlagen van de normen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Inderdaad, die normen liggen in andere richtlijnen vast. Ik vroeg de minister om ervoor te zorgen dat bij de herziening niet de normen met betrekking tot het moment waarop een m.e.r. nodig is, worden verlaagd.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Voor zover ik heb begrepen, wordt het "moment waarop" niet gewijzigd. Het gaat vooral om de eenduidigheid in internationaal verband, zodat wij niet allemaal op verschillende manieren toetsen en op verschillende manieren waarde hechten aan het milieu.

(...) Mevrouw Ouwehand vroeg of de verantwoordelijkheid voor het klimaat bij de overheid ligt in plaats van bij de markt. Dit hangt ervan af. Bij duurzaamheid is het bedrijfsleven, de markt, vaak veel verder dan de overheid. Hier in dit specifieke geval stelt de overheid een emissiereductiedoel. Het ETS levert 21% van de emissiereductie. Daarnaast moeten de bedrijven het een en ander doen. Een marktinstrument kan dus ook goed gebruikt worden om de klimaatdoelen te bereiken. Volgens mij moet het dus gewoon en-en zijn.

(...) Ik kom nu op REACH. (...) Ik heb nog geen antwoorden op de vragen over de dierproeven.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik kan mij dat voorstellen. Ik had in mijn bijdrage gezegd dat het eventueel ook schriftelijk mag. De Kamer houdt op 10 april een overleg over dierproeven. Als wij voor die tijd een brief ontvangen van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu en van de minister van VWS met antwoorden op deze vragen, is dat ook prima. Dan kunnen wij die brief bij dat debat betrekken.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik krijg inderdaad een procedureel antwoord aangereikt, namelijk dat de informatie ligt bij het agentschap dat de REACHverordening uitvoert. Wij zullen de Kamer hierover per brief informeren. Ik kan niet inschatten of het past binnen die periode, maar laten wij ernaar streven om het zo te doen. Mocht dat onmogelijk zijn, zullen wij de Kamer daar onmiddellijk van op de hoogte stellen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik dank de minister voor de manier waarop zij de staatssecretaris heeft vervangen. Ik dank haar ook voor de antwoorden. Ik heb nog een puntje over Nagoya. De SP had daar vragen over gesteld. Ik kwam daar in mijn bijdrage niet aan toe. Wat wordt nu precies de positie van Nederland in dezen? Kunnen wij erop rekenen dat Nederland zich ervoor zal inzetten dat de Europese implementatie van de Nagoya-afspraken ook betekent dat wij het patenteren van planteigenschappen van leven niet moeten willen? Wordt dat de inzet om de toegang tot genetisch materiaal met het oog op voedselzekerheid en al de belangen die daarbij een rol spelen, goed te kunnen borgen? Verder dank ik de minister voor de toezegging dat er een brief komt over hoe het staat met REACH en dierproeven. Als het niet lukt om die brief voor het algemeen overleg van 10 april te sturen, zullen wij daarvan op de hoogte worden gehouden, zodat wij nog eventueel anders kunnen procederen.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Voorzitter. Mevrouw Ouwehand van de Partij voor de Dieren en de heer Van Gerven van de SP wilden weten wat ons standpunt ten opzichte van Nagoya is. De genetische bronnen zijn heel belangrijk voor ons dagelijkse leven. Wij doen onderzoek naar genetische bronnen. Wij benutten ze voor het ontwikkelen van producten voor farmacie, cosmetica, landbouw en voor wereldwijde voedselvoorziening. Eigenlijk staan in de protocol de rechten en plichten omschreven voor het duurzaam gebruik van deze bronnen. Het is dus een belangrijk element om wildgroei en misbruik te voorkomen. Nederland is positief-kritisch over het voorstel. Goede afspraken zijn voor ons van belang. Nederland is de tweede exporteur wereldwijd van uitgangsmaterialen, zoals stekken en zaden. Die export draagt veel bij aan onze economie. Wij vinden het van belang dat internationale uitwisseling van genetische bronnen kan blijven plaatsvinden en dat verstoringen daarin mede door het gebrek aan juridische zekerheid en transparantie zo veel mogelijk worden weggenomen. Vanuit die insteek en met als uitgangspunt het benutten van legaal verkregen materiaal, kan het voorstel van de Commissie een goede invulling geven aan de belangen van zowel de gebruikers als de aanbieders van genetische bronnen. Er is ook aandacht nodig voor een aantal specifieke dingen. Wij vinden dat de verordening zich moet blijven richten op de implementatie van de internationale afspraken. Een aantal ondersteunende maatregelen hoeft niet per se in de EU-verordening te worden opgenomen. Verder moet de beperking van lasten voor overheid en bedrijfsleven ook bij deze nieuwe regelgeving worden meegenomen. Bovendien is er aandacht nodig voor specifieke overwegingen, zoals de wijze waarop wij moeten omgaan met wetenschappelijk onderzoek en met genetische bronnen voor voedsel en landbouw. Wij hebben ook nog technische vragen over de inhoud van het voorstel. Wij denken dat de dialoog tussen het bedrijfsleven en de wetenschap beter belegd moet worden. Dit is een aantal van de punten die wij zullen inbrengen. Die zijn ook opgenomen in de inbreng die wij aan de Kamer gestuurd hebben.