Bijdrage Ouwehand AONatura 2000


20 mei 2010

De heer Van der Vlies (SGP): Voorzitter. Enkelen van mijn collega’s wezen er al op: het is mogelijk dat dit de laatste keer is dat we in deze commissiesamenstelling een algemeen overleg met de minister hebben.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Bij de laatste gelegenheid om met de heer Van der Vlies over natuurbescherming te debatteren, wil ik de kans niet laten lopen om hem de volgende vraag te stellen. Ik heb hem leren kennen als een zeer grondig, kundig en onderlegd Kamerlid. Het argument dat er zonder draagvlak geen sprake van goede natuurbescherming kan zijn, is, voor zover mij bekend, niet onderbouwd. Heeft de heer Van der Vlies hier wel een onderbouwing van? Wil hij die dan met ons delen?

De heer Van der Vlies (SGP): Ik heb geen dikke studienota’s of dikke rapporten, maar mijn waarneming en ervaring leren me dat je sneller een doel bereikt als er wel draagvlak voor is dan als dat er niet is. Wanneer is dat er niet? Als mensen niet weten waar zij aan toe zijn onder de schaduwwerking, om het zo maar te noemen, van de implementatie van bepaalde beleidsvoornemens. Dat is een algemeen bestuurlijk punt, dus ik heb daar geen wetenschappelijk bewijs voor nodig. Dit is gewoon mijn bestuurlijke ervaring.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik wil het hier toch even over hebben. Ik begrijp dat draagvlak prettig is, maar hoeveel mensen stonden er nu te juichen toen het belastingstelsel werd ingevoerd? Toch hebben we de doelen gehaald. Ik vind de bewering dus nogal steil dat de natuur zonder draagvlak slechter af is. Ik denk dat daarvoor geen enkel bewijs is. We mogen hopen op draagvlak, maar zeggen dat we zonder draagvlak de natuur niet kunnen beschermen, gaat mij te ver.

De voorzitter: Ik geef het woord aan mevrouw Ouwehand. Misschien komen er nog meer cadeautjes vandaag.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Van mijn kant? Met een knipoog, zegt de heer Van der Vlies gelukkig al. Voorzitter. Het beste cadeautje dat de Partij voor de Dieren voor de wereld heeft, is dat zij knokt voor de natuur. Daarvan wordt uiteindelijk iedereen beter. Ik zeg dus vast tegen iedereen die mijn partij hiervoor dankbaar is zeggen: graag gedaan. In eerdere debatten over Natura 2000 heb ik al gezegd dat ik het alleen maar erger zie worden. Ik doel dan op de polarisatie en op het feit dat mensen zich eronder uit proberen te wurmen door op zoek te gaan naar de kleine komma’s en punten zodat toch maar wordt besloten om de natuur niet te hoeven beschermen. Ik vond en vind dat we na onze handtekening onder de richtlijnen te hebben gezet, veel eerder hadden moeten kijken naar wat de natuur nodig heeft en naar wat die daar al dan niet aan menselijke activiteit bij kan hebben. Er had een plan moeten liggen en Nederland had voorbereid moeten worden. We hadden de verduurzaming, die zo hard nodig is, eerder moeten starten. Dat is niet gebeurd door toedoen van de regeringspartijen die al die jaren op het pluche hebben gezeten. Nu we tegen de deadlines aan zitten, gaan we natuurlijk niet de natuurdoelen schrappen of de natuurbescherming onderuithalen, erger dan we al die tijd al hebben gedaan. Ik wil op deze laatste dag dat we in een algemeen overleg zitten als afscheidsbriefje aan de minister zelf of als overgangsbriefje voor haar opvolger – ik verwacht iemand met een groener hart op het ministerie – vragen om zijn of haar best te doen voor Natura 2000 omdat het anders niet goed komt. Het wordt alleen maar erger. Ik heb een aantal punten. Ook heb ik vragen over de briefwisseling tussen de SGP-fractie en de minister en over de reactie van INCAconsult.

Ik begin echter met het onderwerp draagvlak. Ik zie dat de minister schrijft: «Ik heb enkele voorwaarden gesteld voor het nogmaals heroverwegen van de wijzigingsvoorstellen die eerder niet waren overgenomen, te weten: een goede aanvullende ecologische onderbouwing en een positief gevolg voor zowel de natuur als het draagvlak». Het probleem blijft dat je alleen op basis van ecologische gronden wijzigingen mag aanbrengen. Draagvlak is in dit verband dus irrelevant, vooral gezien het dynamische karakter van dit begrip. Hier kan de minister, mocht zij dit willen, gericht op sturen, zodat draagvlak in de meeste gevallen geen issue meer hoeft te zijn. Ik hecht eraan, te benadrukken dat ook rechtsgeleerden het dynamische karakter van draagvlak onderstrepen en de kansen die dat zou moeten bieden. Ik citeer een stukje van mr. Ninaber: «Draagvlak is iets wat zelden voorafgaand aan of snel na invoering van wet- en regelgeving optimaal is. Draagvlak heeft tijd en gewenning nodig om te groeien en is aan verandering onderhevig». Anders gezegd: houding volgt gedrag. De geschiedenis van de natuurbeschermingswetgeving illustreert dit ook. De heer Talma van de Anti-Revolutionaire Partij, ooit minister van Landbouw, Nijverheid en Handel had heel wat te stellen met de lobby tegen de Vogelwet van 1912, die in beginsel alle in het wild levende vogels beschermde. Grootschalige vogelvangst en -handel zijn pas na en door invoering van de wet maatschappelijk onacceptabel geworden. Als dat geen opsteker is! Die minister had het ook moeilijk, maar je ziet: als je je rug rechthoudt, komt het draagvlak vanzelf. Is dat geen betere koers? Ik geef dit vandaag nog even mee als suggestie.

Mij is in de discussie over INCAconsult opgevallen dat een aantal punten de hoofdrol spelen, in elk geval voor mijn fractie. Het zal de minister niet verbazen dat zij met andere ogen kijkt dan de SGP-fractie, die de Kamervragen heeft gesteld. In de wet staat inderdaad geen verplichting tot monitoren, maar mijn fractie ziet gevaren als de monitoring ontbreekt. In het kader van het verslechteringsverbod is die namelijk cruciaal. Zonder monitoring weet je niet of verslechtering optreedt en dus ook niet wanneer je passende maatregelen moet nemen of activiteiten moet verbieden. Hoe wordt op dit moment ondanks onvoldoende monitoring toch in het verslechteringsverbod voorzien? Ik krijg hierop graag een reactie van de minister.

Een andere discussie ging over de landelijke doelen. Daarover staat inderdaad niets in de richtlijn, maar in de aanwijzingsformulieren moeten lidstaten wel het totaaloppervlak of een aantal noemen met het oog op het verslechteringsverbod. Ook bestaat de doelstelling om alles in een gunstige staat van instandhouding te krijgen. Gelet daarop is het enigszins logisch dat de minister het steeds heeft over een gunstige instandhouding voor landelijke doelen. Een focus op een gunstige staat van instandhouding in plaats van op een gunstige staat op gebiedsniveau is volgens de richtlijn natuurlijk niet toegestaan, want die zou ertoe kunnen leiden dat de slechte kwaliteit in gebied A en de superkwaliteit in gebied B op landelijk niveau met elkaar verevend kunnen worden. Dat kan niet gezien het verslechteringsverbod, dat ook voor dat gebied A geldt. Wil de minister bevestigen dat haar focus op de landelijke staat van instandhouding op geen enkele manier afbreuk doet aan de gebiedsdoelen? Ook is er een discussie gevoerd over de verplichting tot het leveren van informatie. Dat lijkt mij stug, want alleen ecologische standpunten doen ertoe bij het aanmelden van de gebieden. Daarover heeft het Hof ook uitspraken gedaan. Wil de minister bevestigen dat sociaaleconomische informatie geen rol speelt bij het aanmelden van gebieden en dat ook niet zal doen? Ik sluit af met de opmerking dat ik hoop dat we van Natura 2000 uiteindelijk wel een succes kunnen maken. Ik wijs erop dat we de biodiversiteitsdoelen niet hebben gehaald en dit jaar niet gaan halen. Het wordt echt tijd dat we ons neerleggen bij de harde grenzen die we hebben aangegeven en gaan zoeken naar oplossingen voor de sociaaleconomische kwesties die daaruit voortkomen. Dit had allang moeten gebeuren, maar het is nog niet te laat. Als we op deze weg door blijven gaan, wordt het alleen maar dramatischer. De polarisatie zal echt niet ophouden en we hebben ons te houden aan de verplichtingen ten aanzien van de natuur, niet omdat dat in regeltjes is vastgelegd, maar omdat we anders allemaal met lege handen staan. Ik zou zo graag in dit laatste overleg van de minister meer warme belangstelling voor de natuur willen horen, niet alleen in woorden. Ik hoop dat zij met de vuist op tafel slaat.

De heer Jager (CDA): Mevrouw Ouwehand heeft het over de polarisatie, maar er is toch sprake van polarisatie binnen de organisaties die zich bezighouden met de bescherming van de natuur? Vrij onlangs hadden wij nog een bespreking met Deense collega’s van wie de meest diervriende-lijke partij, om het zo maar te zeggen, zeer voor de intensieve veehouderij zei te zijn en voor het onmiddellijk staken van de extensieve veehouderij. Die was in haar ogen slecht voor de natuur, terwijl de intensieve goed was voor de natuur. Hoe ziet mevrouw Ouwehand die oplossing? Hoe beëindigen we de polarisatie? Als je kijkt naar de benadering in andere landen, zie je dat we hier allebei een beetje gelijk hebben.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Nee hoor. Ik denk dat wij in een duurzame en beschaafde samenleving op zijn minst de volgende randvoorwaarden moeten stellen: dat we de natuur niet vertrappen, het milieu niet vervuilen en geen dieren in hokken stoppen omdat zij daar niet thuishoren. Als je naar die randvoorwaarden kijkt, is een overstap van de extensieve veehouderij die nog steeds niet tegemoetkomt aan dierenwelzijn, op de intensieve veehouderij, waarin je met luchtwassers de natuurschade kunt beperken, geen oplossing. Een echte oplossing schuilt in een krimp van de veestapel en een flinke ook.

De heer Jager (CDA): Maar hoe kom je er dan uit als een en ander binnen één Europa zo verschillend wordt benaderd?

De voorzitter: We hebben het volgens mij over Natura 2000.

De heer Jager (CDA): Nou ja, dit heeft te maken met de vraag hoe je met de natuur omgaat en welke maatregelen je neemt om de natuur te beschermen. Hoe krijgen we nu de zaak op één lijn? Op deze manier blijven we binnen dat ene Europa polariseren. Die polarisatie wordt mede veroorzaakt door andere organisaties dan die pleiten voor een betere en meer economische benadering.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Nee. We moeten af van het denken in pleisters. Als je het hebt over natuurbeleid, heeft het geen zin om na te gaan welke activiteiten ergens zijn, welke schade die de natuur berok-
kenen en hoe die schade enigszins kan worden opgelost. Nee, je moet eerst nagaan wat de natuur nodig heeft en daarna welke activiteiten daaromheen kunnen bestaan. Daarbij vindt mijn fractie dat je de vrijheid moet hebben én nemen om aanvullende randvoorwaarden te stellen. Een eerlijk perspectief voor de boer is er zo een, net zoals de wereldvoedselsi-tuatie. Daarmee kun je de samenleving duurzaam doch opnieuw inrichten. Vasthouden aan wat je hebt, de bestaande praktijken koste wat het kost willen handhaven en hooguit met een paar lapmiddeltjes de natuur beschermen; die tijd hebben we echt gehad. Daar gaan we de wereldpro-blemen niet mee oplossen, dus we moeten buiten de box denken. Dan komt het allemaal goed.

Minister Verburg: Mijn inzet was dat we gingen zoeken naar een balans tussen ecologie en economie. Ik dacht namelijk: waar we een herstelopgave hebben, moeten we die herstelopgave ook plegen vanwege het belang van de balans tussen biodiversiteit en economische ontwikkeling, maar de ecologie en de economie moeten wel aan elkaar worden gekoppeld. Met het oog daarop heb ik maatregelen genomen. Daar hebben we de afgelopen jaren meerdere malen over gesproken, over rek en ruimte, participatie van de organisaties die de mensen in en rondom het gebied vertegenwoordigen, de Crisis- en herstelwet, haalbaar en betaalbaar, maatwerk in de regio en op dringend verzoek van de Kamer ook de keuze om eerst de beheer-plannen te ontwikkelen alvorens iets anders te doen. Voorts hebben wij aan de voorzitter van de Europese Commissie om uitleg gevraagd over de toepassing van de richtlijnen. Daaruit is de Barrosobrief voortgekomen. Daarin stond dat het ging om «ja, mits», dus dat ontwikkelingen kunnen, mits er rekening wordt gehouden met. Twee weken geleden is dit nadrukkelijk besproken met commissaris Potocˇnik. Hij was enthousiast over waar we mee bezig zijn. We zijn in een heel moeilijk gebied geweest: De Peel. Daar hebben we met ondernemers gesproken. Zij zeiden: we weten hier nu waar we aan toe zijn en we zien er de voordelen van in, al is het niet allemaal even gemakkelijk. Zij zeiden: een varkenshouder hier heeft zijn bedrijf van binnen naar buiten het gebied verplaatst gezien en daardoor is de ammoniakuitstoot hier afgenomen van 1200 naar 29. Dat zijn geweldige stappen, dat is win-win-win. Daarbij zeg ik dat als het in De Peel kan, het ook in andere gebieden kan. Ik herhaal alleen dat het van mensen afhangt en dat het van de inzet afhangt

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik zal het kort houden. Wanneer krijgen we de ecologische onderbouwing van het ammoniakplan dat nu in De Peel voorligt? Wanneer gaan we het daarover hebben? Wanneer gaan we het over de financiering van de in het ammoniakplan voorgestelde constructies hebben?

Minister Verburg: Mevrouw Snijder weet dat wij daar verschrikkelijk hard aan werken, juist om voor eind 2010 alle gebieden definitief aan te kunnen wijzen, juist om de PAS mee te kunnen nemen, om de wateropgave mee te kunnen nemen en om de sociaaleconomische paragraaf mee te laten wegen. We hebben er dus allemaal belang bij, ook om te voorkomen dat we nog veel van dit soort telefoontjes krijgen of noodkreten horen, dat wij doorgaan en resultaten boeken en dat wij stappen zetten richting de balans waarvan we straks – ik weet niet hoeveel jaar het gaat duren, zeg ik in antwoord op de vraag van mevrouw Ouwehand – kunnen zeggen: wat was het een ingewikkeld, complex proces, maar wat is het belangrijk dat we het met elkaar hebben doorlopen en wat hebben we er een win-win-winsituatie aan overgehouden! Mevrouw Ouwehand zat nog in over mijn groene hart. Ik moet haar zeggen dat ik nog niet zo lang geleden ben toegetreden tot het Twittersgilde.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dat heb ik gezien. Ik heb ook meteen teruggetwitterd!

Minister Verburg: Toen kwam van iemand de vraag: is dit de echte Gerda Verburg? Toen heb ik teruggetwitterd: echter kan niet. Als mevrouw Ouwehand twijfelt aan mijn groene hart, zou ik willen zeggen: groener kan niet. Alleen als we het groene hart zo mooi weten te houden als het nu is, wil ik daarmee wel de concurrentie aangaan.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Wat een uitdaging.

Mevrouw Ouwehand heeft gezegd dat draagvlak niet relevant is. Ik denk dat draagvlak wel cruciaal is. Het kan niet worden afgedwongen. Mensen zullen moeten worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid. In de koppelingsafspraken heb ik natuurlijk gekeken naar de onderbouwing. De onderbouwing van een en ander moet in orde zijn. Tegelijkertijd is draagvlak van groot belang. We kunnen daar echter niet eeuwig op wachten. Daarom werken we met termijnen en is de eindtermijn van 2010 zo belangrijk. We moeten de druk erop houden om bij iedereen tussen de oren te krijgen dat het ervan moet komen en dat het verstandig is om de afspraken te maken die nodig zijn om perspectief te bieden, zowel voor de ecologie als voor economische en andere activiteiten.

Minister Verburg: Jazeker. Dat is namelijk de Flora- en faunawet. Mevrouw Ouwehand heeft gevraagd hoe met onvoldoende draagvlak wordt voorzien in het verslechteringsverbod.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Het gaat om onvoldoende monitoring.

Minister Verburg: De monitoring is onderdeel van het beheerplan en zal moeten worden nageleefd. Verslechtering is niet toegestaan – de Habitatrichtlijn is daar buitengewoon helder over – en zal deel uitmaken van het hele beheerplantraject en -proces.

De heer Polderman (SP): Ik ben blij dat er een ruimtelijkeordeningsregime is in dit land. Ik zou daar veel meer gebruik van willen maken als het gaat om de ecologische hoofdstructuur. De minister zegt dat we het daarover eens zijn, omdat het goed is om doelen te realiseren zonder aankoop, maar dat vind ik enigszins zwak. Het gaat er niet om dat het goed is als het zonder aankoop gerealiseerd kan worden. Het is juist andersom. Je moet gewoon zeggen: de doelen moeten worden gerealiseerd en als dat zonder aankoop kan, is het goed. Als je de zaak omdraait en zegt: misschien moeten we niet aankopen en afwachten of de doelen worden gerealiseerd, dan is mij dat te zwak. Misschien moeten we dat scherper krijgen en kijken of we het daar inderdaad over eens zijn. Ik hoop van wel. Ik vind het belangrijk om daar nog even bij stil te staan.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): In eerste termijn kwam dit al even voorbij. Ik dacht toen: ik heb het vast niet goed gehoord. Toen ik de minister hoorde antwoorden, dacht ik: volgens mij stapt de SP hiermee op glad ijs. Ik hoop niet dat dit gebeurd is. Overstappen op het argument dat het prima is als we niet hoeven aan te kopen, waarna we het lekker anders doen, is natuurlijk gevaarlijk in deze context en met deze minister. Zo wordt er immers al gekeken. De heer Polderman is toch voor vasthouden aan die doelen? Zeker voor robuuste verbindingszones moeten we verwerven, omdat het bij het agrarische en het particuliere natuurbeheer om kortlopende contracten gaat. Niet alle doelen kunnen worden gehaald. De heer Polderman blijft toch wel bij die houding?

De heer Polderman (SP): Het is goed dat mevrouw Ouwehand deze vraag stelt. Als we de doelen vaststellen, dan zijn die gewoon het uitgangspunt. Als de doelen zonder aankoop gerealiseerd kunnen worden, ben ik daar alleen maar een enorm voorstander van. Maar dat eerste staat voorop. Daarom is mijn punt dat we eerst de ecologische doelen moeten vastleggen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik had eigenlijk enigszins gehoopt dat de heer Van der Vlies in zijn laatste algemeen overleg – ik wil er toch maar even bij stilstaan als laatste spreker in dit rijtje – zou zeggen: ik heb u al die tijd voor het lapje gehouden; ik ben toch wel erg voor de natuur. Maar helaas, dat zat er niet in. Verder had ik nog een klein beetje hoop op iets anders na al deze debatten over de natuur. De heer Van der Vlies zei terecht dat het steeds ingewikkelder wordt en dat we steeds dichter met onze neus op de daadwerkelijke consequenties komen te staan. Hij kent mijn betoog dat we dat allemaal veel eerder hadden moeten voorzien en dat we andere acties hadden moeten ondernemen. Het inzicht dat het niet mogelijk is om de kool en de geit te sparen en dat er keuzes moeten worden gemaakt omdat we anders onze doelstellingen niet kunnen halen, zou door moeten dringen. Die keuzes kunnen even pijnlijk zijn, maar op de lange termijn kunnen die wel een gezond perspectief bieden aan de boeren die overblijven. Het is jammer dat dit niet gebeurd is. Ik zou het mooi gevonden hebben als dat vandaag doorgedrongen was, en niet alleen bij de heer Van der Vlies. Ik hoop ook van harte dat dit gebeurt bij de minister, bij de VVD et cetera. Ik wilde hier toch even bij stilstaan.

De voorzitter: Goed. Er komt nog een VAO en de dag is nog niet voorbij.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De dag is inderdaad nog niet voorbij. Ik zie ook dat de heer Van der Vlies wil reageren. Dat snap ik.

De heer Van der Vlies (SGP): Inderdaad. Ik word persoonlijk aange-sproken op mijn liefde voor de natuur. Nou, die is onverdacht. Daar moet je ook in investeren. Daar zijn koopkrachtige eurootjes en gezonde bedrijven voor nodig. Ik heb dat vaker gezegd. Het is mijn oprechte overtuiging dat je de dienstbaarheid aan de natuur kunt vergeten als de bedrijven in een neerwaartse spiraal terechtkomen. Dat is bij veel bedrijven helaas het geval, zo luidt mijn stelling. Wat mevrouw Ouwehand in mijn redenering mist, mis ik in haar redenering. Daar gaat mijn vraag ook over. Mag ik de Partij voor de Dieren nu eens één keertje een compliment horen maken aan al die agrarische ondernemers die juist op deze punten gigantisch hun nek hebben uitgestoken en die gigantisch hebben geïnvesteerd waarna zij elke keer te horen kregen dat het net niet genoeg was? Dat heeft mij al die tijd gehinderd. Dat zou ik nu weleens door mevrouw Ouwehand erkend willen zien.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dat is een mooie vraag.

De heer Van der Vlies (SGP): Het antwoord is ja of nee. Dat is heel simpel.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Nee, er is geen ja of nee. Wij vallen de sector niet aan. Wij zeggen heel duidelijk: de overheid had vooruit moeten zien en moeten voorkomen dat we iedere keer weer op het randje van de natuur- en milieudoelen zitten. Je weet dan dat het nooit genoeg is. Je had eerder moeten kijken naar de randvoorwaarden en naar wat de natuur in ons land kan hebben. Is er bijvoorbeeld ruimte voor – ik noem een willekeurig getal – 50 boeren in plaats van 100? Je moet dat eerlijk zeggen en niet tegen 100 boeren zeggen: je kunt wel door en we moeten allemaal maar een beetje gaan schaven. Juist dat beleid – de heer Van der Vlies weet dat we pas 3,5 jaar in de Kamer zitten, dus wij hebben daar niet onze handtekening onder gezet – zorgt ervoor dat steeds meer boeren moeten stoppen en dat steeds meer boeren te horen krijgen: het is niet genoeg; er moet toch nog wat bij. Dat zou allemaal niet gebeurd zijn als er eerder en scherper gehandeld was. Helaas worden we het daarover niet eens. Het is jammer dat dit niet meer lukt als twee kleine partijen, maar wat niet is, kan nog komen. De minister heeft gezegd dat de monitoring in het beheerplan wordt opgenomen. Ik heb heel specifiek gevraagd naar het verslechterings-
verbod. Daarover bestaan uitspraken van het Europese Hof. We hebben in 1998 al een voorlopige lijst van gebieden aangemeld. Vanaf dat moment, zo blijkt ook uit jurisprudentie, hadden we ons aan het voorzorgsbeginsel moeten houden. Beheerplannen zijn instrumenten die je al dan niet kunt inzetten: je mag het doen, maar het hoeft niet. Nederland doet dat. De beheerplannen hoeven pas over drie jaar klaar te zijn, maar het verslech-teringsverbod geldt nu al. Als er niet gemonitord wordt – de minister verwijst daarbij naar de beheerplannen – maak ik mij grote zorgen. Ik wil graag op dat punt nog de geruststelling van de minister hebben dat het wel goed komt, want hier heb ik geen vertrouwen in.

Minister Verburg: Mevrouw Ouwehand heeft gezegd dat er veel is gebeurd en heeft tevens gevraagd naar de monitoring van de verslechtering. Op dit moment wordt al gemonitord door beheerders, ook los van Natura 2000. We voeren straks in het beheerplan gestructureerd een nationale monitoring uit. Waar mevrouw Ouwehand naar heeft gevraagd, gebeurt dus al. Naar aanleiding van de laatste gedachtewisseling over dit onderwerp tussen de heer Van der Vlies en mevrouw Ouwehand zeg ik nog eens dat het zonder boeren niet gaat en zonder biodiversiteit niet bestaat. Het is goed om ons dat in de oren te knopen. Ik kijk terug op drieënhalf jaar debat met de Kamer over dit belangrijke onderwerp. Ik zeg haar daarvoor dank. Ondanks het feit dat er soms veel emotie in zat, wat overigens zeer begrijpelijk is, hebben we wezenlijke stappen vooruit gezet. We zijn er helaas nog niet. Het is dit kabinet en deze Kamer niet gegund om de periode van vier jaar vol te maken. Wat zou het mooi geweest zijn als we volgend jaar wel hadden kunnen meemaken dat in veel gebieden de beheerplannen werken en dat alle betrokkenen er al een beetje gelukkig van worden en de natuur er al beter van zou zijn geworden. Dat is nu nog niet het geval. In die zin is er nog een weg te gaan. Ik dank de Kamer voor de wijze waarop wij daarover met elkaar van gedachten hebben gewisseld. Steeds is de sfeer goed gebleven, ook in de persoonlijke verhoudingen, terwijl het in het debat vaak wel hoog opliep, wat begrijpelijk is, omdat het om ingrijpende en belangrijke zaken gaat.