Bijdrage Ouwehand over de Beeguidance


6 mei 2019

Ingebracht in het Schriftelijk Overleg Landbouw- en Visserijraad

De Partij voor de Dieren-fractie maakt zich grote zorgen over de schadelijke effecten van door de EU toegelaten bestrijdingsmiddelen op het ecosysteem, met bijen en hommels als specifiek punt van grote zorg. De Partij voor de Dieren waarschuwt al sinds jaar en dag dat de testmethoden op basis waarvan de Europese voedsel- en warenautoriteit EFSA pesticiden beoordeelt achterlopen bij de wetenschappelijke inzichten. Daar komt bij dat de studies op basis waarvan de EFSA een stof beoordeelt worden aangeleverd door de gifproducenten zelf – bedrijven als Bayer-Monsanto en Syngenta. De beoordelingen kunnen tot overmaat van ramp tot nu toe niet onderworpen worden aan openbare peer-reviews (de standaard wetenschappelijke werkwijze die wat de Partij voor de Dieren betreft óók de norm zou moeten zijn als het gaat om het toelaten van pesticiden in Nederland en de EU), omdat de (door de industrie aangeleverde) studies waarop EFSA zich baseert bij de beoordeling van pesticiden tot nu toe nog altijd niet openbaar worden gemaakt.

Het voorgeschreven gebruik van de omstreden Klimisch ranking dwingt EFSA ten onrechte om bij haar risicobeoordeling meer gewicht te geven aan (geheime) industrie studies (met GLP certificaten en volgens de OECD richtlijnen uitgevoerd) dan aan collegiaal getoetste studies gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften. De Partij voor de Dieren vindt dat Nederland zich met hoge prioriteit moet inzetten voor het zo snel mogelijk afschaffen van de Klimisch ranking in alle EFSA richtsnoeren, om in plaats daarvan echte wetenschappelijke kwaliteitscriteria te gebruiken (zoals statistisch onderscheidend vermogen) bij het toekennen van gewicht aan studies, of deze nou van de industrie of van academische wetenschappers afkomstig zijn.

Hoewel de risicobeoordelingen door EFSA slechts input zouden moeten vormen voor het politieke besluitvormingsproces (EFSA is verantwoordelijk voor de het risk assesment, de politiek is verantwoordelijk voor het risk management en moet een bredere afweging maken over de vraag of het verantwoord is om bepaalde pesticiden toe te laten op de hele Europese markt), worden ze door de Europese Commissie en lidstaten zoals Nederland als voldongen feiten gepresenteerd. Daarbij gaan ze zowel voorbij aan de (voornoemde) mankementen in de verouderde beoordelingssystematiek als aan hun eigen verantwoordelijkheid om een politiek besluit te nemen, waarbij niet alleen de EFSA-beoordeling, maar bijvoorbeeld ook het voorzorgbeginsel en de positie van biologische boeren een rol spelen in de afweging. Verordening 1107/2009 stelt immers in art.1.4 dat: "De bepalingen van deze verordening stoelen op het voorzorgsbeginsel teneinde te garanderen dat werkzame stoffen of middelen die op de markt worden gebracht niet schadelijk zijn voor de gezondheid van mensen en dieren of voor het milieu. In het bijzonder worden de lidstaten er niet van weerhouden het voorzorgsbeginsel toe te passen wanneer er wetenschappelijk gezien onzekerheid bestaat over de risico’s voor de gezondheid van mensen en dieren of voor het milieu van de op hun grondgebied toe te laten gewasbeschermingsmiddelen."

Onder de genoemde gemankeerde systematiek van risicobeoordelingen zijn begin jaren 90 systemische insecticiden toegelaten in de hele Europese Unie. Neonicotinoïden (zoals imidacloprid) en fipronil. Wetenschappers die waarschuwden dat EFSA ten onrechte –want op basis van een achterhaald model - had geconcludeerd dat deze systemische insecticiden veilig waren, werden lange tijd genegeerd en weggehoond, tot de gevolgen tóch zichtbaar werden in het ecosysteem. EFSA kwam uiteindelijk zelf tot de conclusie dat de risico’s voor bijen onvoldoende in kaart waren gebracht. De beoordeling van acute toxiciteit voor honingbijen gaf, zo constateerde EFSA in een analyse in 2012, onvoldoende inzicht in andere effecten die wel degelijk optreden bij het gebruik van (systemische) pesticiden, zoals de chronische toxiciteit, de indirecte gevolgen en de effecten van blootstelling van larven van wilde, solitaire bijen en hommels. In het tot dan toe gehanteerde model werd niet gekeken naar het feit dat bijen binnen een paar weken alsnog kunnen sterven wanneer zij herhaaldelijk worden blootgesteld aan pesticiden, of dat pesticiden het navigatievermogen van bijen kan aantasten waardoor zij sterven door honger of kou. Hiervoor, zo luidde nu óók de conclusie van EFSA zelf, zijn aanvullende testen nodig. Precies waar onafhankelijk wetenschappers en toxicologen al langer op wezen.

Nu de conclusie onontkoombaar was, ontwikkelde EFSA een concept voor een nieuw richtsnoer, de BeeGuidance , dat wél deze risico’s voor hommels en bijen in kaart brengt, onder andere door de invoering van uitgebreidere (semi)veldstudies. Dit concept is gebruikt om opnieuw te kijken naar de risico’s van drie neonicotinoiden, waaronder imidacloprid.

Op basis van deze nieuwe risicobeoordeling kon niet anders dan worden geconcludeerd dat een tijdelijke inperking van het gebruik van deze drie neonics nodig was (waarbij de effecten twee jaar lang moesten worden gemonitord). Toen dat gebeurd was bleek dat de inperking permanent moest worden én fors moest worden uitgebreid. Het kwam in 2018, na een herbeoordeling van deze middelen op basis van het in 2013 afgeronde, maar nog niet vastgestelde Beeguidance richtsnoer, tot een verbod op het gebruik van 3 neonicotinoïden in open teelten.

Hoewel het goed is dat het gebruik van deze drie neonicotinoïde middelen in open teelten uiteindelijk is verboden, is het wrang dat deze middelen al die jaren grote schade hebben aangericht aan het ecosysteem, en dat die schade nog wel even doorgaat omdat systemische bestrijdingsmiddelen een lange afbrekingstijd kennen - en ook omdat gebruik in kassen en als biocide en diergeneesmiddel buiten het verbod vallen en de neonicotinoiden thiaclorpid, sulfoxaflor en acetemiprid nog steeds op grote schaal in buitenteelten toegelaten zijn. De gifstoffen die door onzorgvuldige toelatingsbesluiten in onze natuur, bodems en water terecht zijn gekomen en nog altijd komen, verdwijnen niet zomaar op het moment dat het gebruik van deze stoffen eindelijk aan banden is gelegd.

De Partij voor de Dieren-fractie vindt het zeer ernstig dat het nieuwe richtsnoer voor de beoordeling van risico’s van pesticiden voor bijen en hommels al in 2012 in conceptvorm is gepresenteerd en in 2013 is afgerond, maar anno 2019 nog altijd niet is geïmplementeerd. Er zijn in de tussentijd allerlei nieuwe stoffen toegelaten, ook ándere neonictotinoïde middelen, die niet zijn beoordeeld op basis van de nieuwe wetenschappelijke inzichten en het nieuwe bijenrichtsnoer, maar op basis van het verouderdere richtsnoer uit 2001 waarvan vaststaat dat dit belangrijke risico’s voor bijen en hommels buiten beschouwing laat.

-Erkent de minister dat de toelating van in ieder geval neonicotinoïden en fipronil heeft geleid tot schade aan het ecosysteem?

-Erkent de minister dat deze schade zich voorlopig nog wel even blijft voltrekken, ook nu het gebruik van 3 neonicotinoïden in open teelten is verboden, omdat deze pesticiden in het milieu terecht zijn gekomen en daar maar langzaam afbreken?

-Erkent de minister dat de Europese beoordelingssystematiek (op basis van tot nu toe niet-openbare, door de industrie aangeleverde studies, waarbij geen openbare peer-review mogelijk is) in het algemeen - en het gehanteerde richtsnoer uit 2001 in het bijzonder - het risico met zich meebrengen dat bestrijdingsmiddelen worden toegelaten die later toch meer schadelijke effecten blijken te hebben op milieu, volksgezondheid, ecosysteem en –meer specifiek- bijen en hommels?

-Hoe kijkt de minister naar het risico dat toegelaten bestrijdingsmiddelen bij nader inzien meer schadelijke effecten hebben dan op voorhand werd gedacht; denkt zij dat zo’n risico onvermijdelijk is of denkt zij dat je zulke risico’s zou kunnen uitsluiten?

-Deelt de minister de mening dat het risico dat toegelaten stoffen bij nader inzien toch meer schadelijke gevolgen hebben dan op voorhand werd ingeschat (als dat risico niet kan worden uitgesloten) dan in elk geval zo klein mogelijk moet worden gemaakt?

-Erkent de minister dat de BeeGuidance zoals in concept gepresenteerd in 2012 en afgerond in 2013 een antwoord was op het wetenschappelijke inzicht dat de beoordelingssystematiek tot dan toe –acute toxiciteit voor honingbijen- onvoldoende inzicht gaf in andere effecten die wel degelijk optreden bij (systemische) pesticiden, zoals chronische toxiciteit, indirecte gevolgen en blootstelling van larven van wilde bijen en hommels?

-Erkent de minister dat de eerste gedeeltelijke inperking van 3 neonicotinoïden gebaseerd was op de Concept BeeGuidance van EFSA uit 2012 (waarin lessen werden getrokken uit de tekortkomingen van het beoordelingsmodel tot dan toe), inclusief nieuwe EFSA beoordelingen en aanvullend onderzoek, uitgevoerd door de industrie op basis van de nieuwe concept BeeGuidance?

-Kan de minister bevestigen dat uit deze studies en beoordeling onder andere bleek dat deze 3 neonicotinoïde middelen zich –omdat ze systemisch zijn- verspreiden via wilde bloemen en volggewassen en dat de conclusie luidde dat er eigenlijk geen veilige toepassing is van deze neonicotinoïde middelen?

-Kan de minister bevestigen dat Nederland die eerste gedeeltelijke inperking –op basis van de nieuwe wetenschappelijke inzichten van EFSA en de concept BeeGuidance uit 2012- heeft gesteund?

De Partij voor de Dieren vindt dat het verouderde richtsnoer al lang had moeten worden vervangen. Het kent grote tekortkomingen die zorgen dat stoffen ‘veilig’ worden genoemd terwijl ze dat helemaal niet zijn. Zo kunnen stoffen op basis van dit verouderde richtsnoer, zelfs als uit laboratorium onderzoek vast is komen te staan dat bij veldrealistische blootstelling onaanvaardbare schade optreedt bij bijen, toch worden toegelaten als de industrie een veldproef kan overleggen waaruit zou blijken dat de schade meevalt. Doordat het oude richtsnoer geen eisen stelt aan het statistisch onderscheidend vermogen van de veldproef (en bovendien geen eisen stelde aan een valide opzet van de veldproef) glippen tal van stoffen, waaronder systemische neonicotinoiden, op dit moment nog altijd door de mazen van het toelatingsnet.

De Kamer mocht erop vertrouwen dat het kabinet de mening deelde dat het oude richtsnoer zo snel mogelijk moest worden vervangen door een richtsnoer dat gebaseerd is op wetenschappelijke kwaliteitscriteria, en dat het Nederlandse kabinet zich inzette voor nieuwe, betere beoordeling van pesticiden op de effecten voor bijen en hommels op basis van de nieuwste stand van de wetenschap. Het kabinet verwees de Kamer en haar zorgen over de schadelijke effecten van neonicotinoïde middelen op bijen en hommels steeds naar de Europese herbeoordelingen, op basis van de concept BeeGuidance, die Nederland dus steunde. Een aangenomen motie die het kabinet vroeg om zelfstandig maatregelen te treffen om de Nederlandse natuur te beschermen tegen neonicotinoïden, werd niet uitgevoerd met verwijzing naar (aangescherpte) herbeoordelingen van de betreffende middelen. Staatssecretaris Dijksma schreef hierover in 2014 : “Het kabinet concludeert dat op nationaal en op Europees niveau zeer recent de gewasbeschermingsmiddelen met neonicotinoiden en fipronil zijn herbeoordeeld aan de nieuwste stand van de wetenschap als het gaat om de risico’s voor bijen.” Staatssecretaris Dijksma schreef in mei 2014 ook expliciet in een brief aan de Kamer in reactie op het nieuwe EFSA-richtsnoer voor de beoordeling van risico’s voor bijen dat zij het “van groot belang achtte dat een dergelijk richtsnoer wordt opgesteld en in de hele EU wordt gebruikt bij de beoordeling van de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen voor bijen”. En in 2018 steunde het Nederlandse kabinet het verbod op het gebruik van 3 neonicotinoïde middelen in open teelten, op basis van herbeoordeling van de middelen aan de hand van de in 2013 gepresenteerde (maar nog steeds niet vastgestelde) nieuwe BeeGuidance.

Uit de informatie die de Kamer van het kabinet ontving over de Nederlandse inzet voor de bescherming van bijen en de besluiten die werden genomen om het gebruik van neonicotinoiden in te perken, spreekt dat Nederland zich ook in Europa inspande voor een bijenrichtsnoer die goede bescherming voor bijen en hommels voorop stelt.

De Kamer vertrouwde daar ook op, totdat er eind 2018 signalen kwamen dat Nederland achter de schermen meewerkte aan uitholling van het in 2013 gepresenteerde richtsnoer dat bijen en hommels beter zou moeten beschermen. Er lekten notulen uit de Scopaff-vergadering, waarin politiek vertegenwoordigers (ambtenaren) namens de regering van hun lidstaat met elkaar overleggen over de voorstellen van de Europese Commissie. Uit die notulen bleek dat er een implementatieplan voor de nieuwe BeeGuidance voorlag, en dat Nederland zich bij een indicatieve stemming in het tegenkamp bevond.

Dat leidde tot grote verbazing en vooral grote zorg bij de Partij voor de Dieren-fractie. De leden hebben zeer grote moeite met de manier waarop de Kamer tot op dat moment was geïnformeerd over het Nederlandse handelen met betrekking tot de BeeGuidance, net als met de manier waarop de Kamer werd geantwoord toen de Partij voor de Dieren specifieke vragen ging stellen over het proces rond de totstandkoming en tussentijdse aanpassingen van het EFSA bijenrichtsnoer (het Beeguidance Document) en voorstel voor implementatie (Roadmap to implementation).

Sinds de eerste signalen, heeft het lid Ouwehand in schriftelijke overleggen , algemeen overleggen en schriftelijke vragen gevraagd naar de positie van Nederland in de discussie over het richtsnoer. We vroegen hoe de discussie over het Beeguidance document van EFSA tot dan toe was verlopen. De minister antwoordde dat het document nog niet was vastgesteld omdat ‘een groot aantal lidstaten onderdelen van het document niet uitvoerbaar vinden’, waarmee ze suggereerde dat ándere lidstaten dwarslagen, niet Nederland.

De Partij voor de Dieren vroeg wat de opstelling van Nederland (steeds) is geweest in de discussie. De minister antwoordde dat Nederland bij de Europese Commissie heeft aangedrongen op het zo spoedig mogelijk vaststellen van de BeeGuidance met daarbij een ‘gefaseerde invoering van de onderdelen waarover consensus bestaat’ en dat Nederland heeft aangegeven dat de praktische toepassing van het BeeGuidance document kan worden ‘verbeterd’ - waarmee ze suggereerde dat Nederland zich constructief opstelde en nog altijd voor een snelle toepassing van de BeeGuidance was.

De minister stelde voorts dat er geen voorstel voorlag, dat er geen sprake was van uitholling, dat er geen sprake van was dat Nederland een andere inzet zou hebben dan waar de Kamer al die tijd van uit was gegaan (namelijk optimale bescherming van bijen en hommels tegen acute en chronische toxiciteit), dat de Kamer zou worden geïnformeerd op het moment dat er zal worden gestemd over het onderwerp, dat Nederland pas dan een positie inneemt en dat de inzet van Nederland niet is gewijzigd.

Pas nadat Follow the Money op 4 april 2019 een artikel publiceerde waarin een aantal onthullingen werd gedaan over de inbreng van de Nederlandse delegatie in ScoPaff, stuurde de minister meer informatie, en pas nadat de Partij voor de Dieren aandrong op een feitenrelaas (ontvangen op 18 april jongstleden, waarvoor dank aan de minister), heeft de Kamer zicht op wat er sinds 2013 rondom de BeeGuidance is gebeurd en hoe de Nederlandse regering zich daarbij heeft opgesteld. Nu pas heeft de Kamer er kennis van kunnen nemen dat er sinds 2013 wel degelijk tenminste zeven (!) verschillende momenten zijn geweest waarop er een (gewijzigd) voorstel voor het bijenrichtsnoer of het bijbehorende implementatieplan was of werd voorgelegd aan de lidstaten. We lezen nu pas wat er schuilgaat achter het verhullende taalgebruik dat de minister en haar voorgangers hebben gebezigd in brieven naar de Kamer. De Partij voor de Dieren vindt het zeer ernstig dat dit kabinet en voorgaande kabinetten de Kamer niet uit zichzelf hebben geïnformeerd over de ontwikkelingen en de inzet en het handelen van Nederland rond de BeeGuidance.

-Erkent de minister dat de Partij voor de Dieren gevraagd heeft naar de positie van Nederland in de discussie rond de BeeGuidance, naar eventuele wijzigingen van het voorstel in de afgelopen zes jaar, naar het meewegen van de chronische toxiciteit in de risicobeoordeling en naar het meewegen van de gevolgen voor solitaire bijen en hommels (en niet naar ophanden zijnde stemmingen)?

-Erkent de minister dat zij de Kamer niet juist of niet volledig heeft geïnformeerd door niet te melden dat er in de afgelopen zes jaar in ieder geval zes en op dit moment zeven versies van het implementatieplan (Roadmap to implementation) zijn besproken binnen SCoPAFF)?

-Erkent de minister dat zij de Kamer niet juist heeft geïnformeerd door te antwoorden “Nederland heeft nog geen positie aangezien er nog geen eindvoorstel officieel is voorgelegd aan de lidstaten”?

-Erkent de minister dat zij de Kamer niet volledig heeft geïnformeerd door niet te melden dat Nederland al die jaren binnen SCoPAFF is genoteerd in het kamp van de tegenstemmers?

-Erkent de minister dat voorstellen en wijzigingen van voorstellen die op ambtelijk niveau zoals in ScoPaff worden gepresenteerd, voorgesteld, besproken en indicatief ter stemming worden gebracht, medebepalend zijn voor de uiteindelijke uitkomst?

-Erkent de minister dat de Kamer geïnformeerd moet worden over de verschillende voorstellen die voor komen te liggen in deze overleggen, evenals over de inbreng en positie van Nederland in deze overleggen, zeker als de Kamer daarom vraagt?

-Kan de minister bevestigen dat EFSA gedurende de ontwikkeling van de BeeGuidance en voordat het richtsnoer in 2013 definitief werd opgeleverd zeer ruime inspraak mogelijkheden heeft geboden en daarbij is uitgegaan van de laatste stand van wetenschap?

-Kan de minister bevestigen dat, na de oplevering van het BeeGuidance document dat door wetenschappers is ontwikkeld, het document sindsdien achter gesloten deuren van SCoPAFF door politiek vertegenwoordigers van lidstaten besproken en mogelijk aangepast wordt?

-Kan de minister bevestigen dat bij deze SCoPAFF-overleggen geen wetenschappers aanwezig zijn?

- Kan de minister bevestigen dat er geen sprake is van wetenschappelijke peer review van de besluiten die binnen SCoPAFF worden genomen?

Behalve over de manier waarop de minister is omgegaan met de informatiepositie van de Kamer, is de Partij voor de Dieren zeer ontstemd over wat – zo blijkt nu – het Nederlandse kabinet achter de schermen heeft gedaan rond de BeeGuidance, dat beduidend anders is dan het kabinet de Kamer al die tijd heeft gemeld.

Terwijl de Kamer erop mocht vertrouwen dat Nederland zich inzette voor betere bescherming van bijen en hommels, bevestigen het feitenrelaas dat de minister naar de Kamer stuurde en de bijbehorende commentaren die door Nederland achter de schermen zijn ingebracht bij de Europese Commissie het beeld dat Follow the Money onlangs onthulde: Nederland pleit achter de schermen, in de besloten overleggen, actief voor het verminderen van de zwaarte van de voorgestelde veiligheidstesten en gebruikt hierbij opvallend veel termen en argumenten die letterlijk terug te vinden zijn in de lobbybrieven van de industrie.

Zonder dat aan de Kamer te melden, heeft het Nederlandse kabinet in de discussie over het implementatieplan ingezet op het uitstellen van de invoering van feitelijk alle testen die betrekking hebben op de beoordeling van de risico’s van middelen voor hommels en andere bijen dan honingbijen, en ook de invoering van testen die de risico’s met betrekking tot chronische toxiciteit in kaart moeten brengen, moeten, als het aan het Nederlandse kabinet ligt, worden uitgesteld. Terwijl de minister op de vragen naar de discussie meldde dat ‘lidstaten’ dwarslagen, blijkt Nederland zelf dwars te liggen. En met succes, zagen de leden van de Partij voor de Dierenfractie in een uitgelekte conceptversie van het implementatieplan. Niet alleen is mede onder druk van Nederland de invoering van deze testen uitgesteld: de invoeringsdatum is in de nieuwe uitgelekte conceptversie van het implementatieplan zelfs volledig geschrapt. Invoering van de testen die volgens de laatste stand van de wetenschap nodig zijn om blootstelling van bijen en hommels aan schadelijke pesticiden te vermijden is dus op de lange baan geschoven zonder zelfs maar een einddatum waarop de invoering een feit zou moeten zijn.

Nederland pleit er voor om het deel van het richtsnoer met de nu uitgestelde ofwel geschrapte testen te laten herschrijven door EFSA, om dit daarna (over twee jaar) vervolgens opnieuw binnen SCoPAFF te bespreken.

- Erkent de minister dat de Beeguidance zoals deze nu in werking zal treden, hiermee is uitgekleed tot weinig meer dan het huidige richtsnoer uit 2001?

- Erkent de minister dat hierdoor de daadwerkelijke bescherming van hommels en solitaire, wilde bijen nog altijd uitblijft?

De commentaren die Nederland achter de schermen aan de Europese Commissie heeft gestuurd, geven een volstrekt ander beeld dan de (sumiere) informatie over de discussie die door de minister en haar voorgangers aan de Kamer is verstrekt.

De leden van de Partij voor de Dieren herinneren de minister graag aan een aantal uitspraken die haar voorgangers hebben gedaan.

Zo schreef staatssecretaris Dijksma, in mei 2014 in de kabinetsreactie op het EFSA-richtsnoer voor de beoordeling van risico’s voor bijen dat zij het van groot belang achtte dat een dergelijk richtsnoer wordt opgesteld en in de hele EU wordt gebruikt bij de beoordeling van de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen voor bijen. Hierbij wees zij op het commentaar dat is ingebracht door stakeholders, waaruit zou blijken dat het richtsnoer een grote impact zal hebben op de werkprocessen. Op initiatief van Nederland is daarop een workshop georganiseerd met de lidstaten en de EFSA. Na verwerking van de laatste aanpassingen aan het richtsnoer door EFSA zou besluitvorming in de zomer van 2014 plaatsvinden, waarna het document en het bijbehorende implementatieplan per 1 januari 2015 in werking zouden treden.

Nu lezen wij in de brief met de tijdlijn inzake het bijenrichtsnoer van april 2019 dat Nederland achter de schermen in september 2013 schriftelijk commentaar heeft geleverd aan de Europese Commissie waarin zij zèlf (en dus niet alleen stakeholders) met scherpe kritiek kwam op het voorstel.

Hier spreekt Nederland ineens over een aantal tekortkomingen in het richtsnoer, waarschuwt zij dat risicobeoordelingen extra tijd en extra geld zullen kosten, noemt zij het Guidance document erg conservatief, lijkt zij de noodzaak voor het beoordelen van de risico’s voor hommels en wilde bijen ter discussie te stellen, stelt zij de vraag of lidstaten de risico’s voor hommels en wilde bijen wel willen beoordelen en levert zij commentaar op de vereisten voor veldstudies.

De leden hebben hierover een aantal vragen:

- Waarop is het schriftelijke commentaar dat Nederland op 20 september 2013 aan de Europese Commissie heeft gestuurd, gebaseerd?

- Kan de Kamer de adviezen of de overwegingen die daaraan ten grondslag lagen, ontvangen?

- Vindt de minister dat de brief van staatssecretaris Dijksma van 22 mei 2014 een goede weergave geeft van de Nederlandse inbreng van de discussie over het EFSA voorstel? Kan zij dit toelichten?

- Had de Kamer volgens de minister op basis van deze brief kunnen weten dat Nederland zwaar inhoudelijke commentaar op het richtsnoer leverde aan de Europese Commissie?

- Deelt de minister de mening dat de schets van het vervolg van het traject in de brief van 22 mei 2014 de indruk wekt dat de EFSA naar aanleiding van de workshop laatste aanpassingen deed aan het voorstel en dat dit vervolgens per 1 januari 2015 in werking zou treden?

In 2014 is het bijenrichtsnoer tijdens zes verschillende SCoPAFF-vergaderingen besproken, schrijft de minister in haar brief van 18 april jongstleden. De minister schrijft hierover dat Nederland geen schriftelijk commentaar heeft geleverd. In de samenvattingen van de vergaderingen zien de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren echter dat er wel een inhoudelijke discussie heeft plaatsgevonden. Tijdens de vergadering in juli 2014 heeft elke lidstaat bijvoorbeeld in een “tour de table” een toelichting gegeven op zijn positie ten aanzien van het gewijzigde voorstel en het implementatieplan. Sommige lidstaten waren voor de voorstellen, sommigen waren tegen de voorstellen en een aantal lidstaten had nog geen standpunt of mening.

- Wat was de positie van Nederland ten aanzien van de voorstellen die in juli 2014 op tafel lagen? Hoorde Nederland bij de lidstaten die voor, tegen of zonder mening waren?

- Wat was de mondelinge inbreng bij de vergaderingen in 2014?

- Kan de minister de gespreksnotities of memo’s aan de Kamer sturen?

Staatssecretaris Van Dam schreef de Kamer in januari 2016 wederom dat hij het van groot belang vond dat er snel besluitvorming zou plaatsvinden over het bijenrichtsnoer en dat hij de Europese Commissie hier per brief om zou verzoeken. Hij schreef hierbij dat Nederland actief een belangrijke bijdrage leverde aan nieuwe toetsingsmethoden om het toetsingskader te verbeteren.

- Kan de minister deze brief van haar voorganger aan de EC naar de Kamer sturen?

- Is de minister van mening dat uit de brief van haar voorganger uit januari 2016 blijkt dat Nederland zich verzet tegen de implementatie van het bijenrichtsnoer?

In mei 2016 werd een conceptvoorstel voor de implementatie van het bijenrichtsnoer en een wijziging van de Uniforme beginselen geagendeerd, schrijft de minister in haar brief van 18 april jongstleden. De voorzitter van de Nederlandse Akkerbouw Vakbond (NAV) schreef voorafgaand aan die SCoPAFF-vergadering in een brief d.d. 13 mei 2016 aan staatssecretaris Van Dam dat hij had gehoord dat Nederland voornemens was om het voorstel te steunen en doet vervolgens een pleidooi om dit voornemen te wijzigen.

- Klopt de bewerking van de voorzitter van de NAV dat Nederland op dat moment voornemens was om voor het voorstel te stemmen? Zo niet, waardoor heeft dit beeld kunnen ontstaan volgens de minister?

In het schriftelijke commentaar dat Nederland achter de schermen aan de Europese Commissie stuurde op 10 juni 2016 en dat nu door de minister aan de Kamer is gestuurd, is echter te lezen dat Nederland op dat moment nog steeds grote zorgen (“deep concern”) had over de ‘haalbaarheid’ van sommige delen van het bijenrichtsnoer. En dan met name over het feit dat veel middelen zouden afvallen door dit richtsnoer te gebruiken om de risico’s te beoordelen. Nederland pleitte in dit commentaar tevens voor het hanteren van het door Syngenta ontwikkelde en door EFSA afgewezen BEEHAVE model.

- Is het BEEHAVE model waar staatssecretaris Van Dam op doelde met de actieve en belangrijke bijdrage die Nederland leverde aan nieuwe toetsingsmethoden om het toetsingskader te verbeteren?

In het schriftelijke commentaar van 10 juni 2016 is tevens te lezen dat Nederland de geplande data voor inwerkingtreding van februari 2018 (te) ambitieus noemt. Hierbij wordt gesteld dat Nederland sterke twijfels heeft of een ‘werkbare’ risicobeoordeling op dat moment beschikbaar is.

-Deelt de minister de mening dat iets heel anders is dan ‘pleiten voor snelle besluitvorming’, zoals staatssecretaris Van Dam enkele maanden daarvoor schreef aan de Kamer?

- Waarop is het schriftelijke commentaar dat Nederland op 10 juni 2016 aan de Europese Commissie heeft gestuurd, gebaseerd?

In het schriftelijke commentaar dat Nederland op 13 januari 2017 aan de Europese Commissie stuurde is wederom te lezen dat Nederland zich zorgen maakt om de afwijzing van veel middelen vanwege de beoordeling van de risico’s voor hommels en solitaire bijen.

-Was de minister verbaasd dat een vernieuwd richtsnoer waarin nieuwe wetenschappelijke kennis is verwerkt over de zeer zorgwekkende achteruitgang van de insectenpopulatie en de oorzaken daarvan, zou betekenen dat de risico’s van middelen voor bijen en hommels grondiger zouden worden bekeken?

-Had de minister niet verwacht dat pesticiden zouden afvallen wanneer de bijbehorende risico’s voor bijen en hommels beter in kaart worden gebracht? Zelfs niet na de herbeoordeling van de drie neonicotinoiden?

-Erkent de minister dat de inbreng die Nederland achter de schermen heeft geleverd, de indruk wekt dat zij zich meer zorgen maakt over de kosten voor de industrie en de beschikbaarheid van pesticiden voor de landbouwsector dan over de bescherming van bijen en hommels?

- Waarop is het schriftelijke commentaar dat Nederland op 13 januari 2017 aan de Europese Commissie heeft gestuurd, gebaseerd?

In september 2017 diende het lid De Groot drie moties in over het Beeguidance document, waaronder een motie met het verzoek om bij de Europese Commissie aan te dringen op toepassing van het Guidance document for bees op alternatieve middelen met een hoog risicoprofiel voor bijen. Minister Kamp merkte deze aan als ondersteuning van beleid.

-Erkent de minister dat de Kamer op basis hiervan niet anders kon dan veronderstellen dat het kabinet achter het BeeGuidance document stond en instemde met de inhoud en implementatie daarvan?

Intussen hebben de leden van de Partij voor de Dieren vernomen dat, ondanks de uitholling van (de implementatie van) de BeeGuidance waardoor deze inmiddels inhoudelijk zo weinig voorstelt dat een meerderheid van de lidstaten hiermee in zal stemmen, Nederland nog altijd niet akkoord zal gaan. Dit vanwege de vereisten voor de veldstudies.

-Kan de minister dit bevestigen?

-Zo ja, hoe kan de minister dit verantwoorden, in het licht van de uitspraken van haar voorgangers en op basis van alle wetenschappelijke informatie die beschikbaar is?

-Klopt het dat er tijdens het komende SCoPAFF-overleg, in tegenstelling tot eerdere berichten, toch nog geen stemming zal plaatsvinden? Zo ja, wat is hiervoor de reden?

-Indien er geen stemming plaatsvindt, wat zal de inbreng zijn van Nederland tijdens de “tour de table”? Is de minister bereid zich vanaf nu wel daadwerkelijk in te zetten voor een optimale bescherming van bijen en hommels?

-Indien er wel een stemming plaatsvindt, hoe zal Nederland hierbij stemmen? Is de minister bereid zich dit keer wel daadwerkelijk in te zetten voor een optimale bescherming van bijen en hommels?

-Is de minister tot slot bereid om alle zeven versies van de voorstellen voor het implementatieplan (Roadmap to implementation) die tussen 2013 en mei 2019 zijn en worden besproken aan de Kamer te sturen?

Kan de minister deze vragen vóór 13 mei beantwoorden, in verband met het komende SCoPAFF- overleg op 20 mei?

1 Na jarenlange strijd, onder meer door de ruim 1 miljoen mensen die het Europese burgerinitiatief ‘Stop glyfosaat’ hebben gesteund, zou dit in de toekomst eindelijk moeten gaan veranderen.

2 https://eur-lex.europa.eu/lega...

3 https://efsa.onlinelibrary.wil...

4 https://efsa.onlinelibrary.wil...

5 Guidance document on terrestrial ecotoxicology

6 Motie Ouwehand, Kamerstuk 27 858, nr.155

7 27 858, nr. 264

8 Schriftelijk overleg Landbouw- en Visserijraad van 28 januari 2019

9 Algemeen overleg Landbouw- en Visserijraad van 18 maart 2019, ao d.d. 13 maart 2019, Algemeen overleg Landbouw- en Visserijraad, ao d.d. 10 april 2019

10 Aanhangsel van de Handelingen, vergaderjaar 2018-2019, nummer 1865

11 Hier heeft ook het Ctgb gebruik van gemaakt.

12 27 858-265

13 27 858-451

14 https://ec.europa.eu/food/site...

15 27 858-344

17 27 858, nr.344

18 27 858, nr. 403