Bijdrage Ouwehand Spoed­overleg doorgang gasopslag Bergermeer


18 mei 2011

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Tegen het plan voor het opslaan van gas onder de Bergermeerpolder is veel verzet. Om te beginnen bij de mensen die daar in de buurt wonen, maar er is ook een groeiend verzet in de Kamer. Er worden kritische vragen gesteld, maar er komen geen antwoorden. Ik heb al eerder het vermoeden geuit: het zal toch niet zo zijn dat hier sprake van een vooropgezet plan dat koste wat het kost moet worden doorgedrukt? De gemeente Bergen is buitenspel gezet. Nu lijkt dat ook te gelden voor de Kamer, die expliciet heeft gevraagd om nader onderzoek en te wachten met de besluitvorming. Ik heb gisteren aan de minister mondelinge vragen gesteld. Hij heeft namelijk in strijd gehandeld met zijn toezegging om een aanvullend schaderisico-onderzoek naar de Kamer te sturen en pas daarna te besluiten. Hij houdt vol dat er geen sprake is van een definitieve beslissing. Wat kan de Kamer dan nog? In het bericht op zijn eigen website is sprake van een "definitief inpassingsbesluit". Tijdens de mondelinge vragen sprak de minister over de inspraakprocedures, die altijd gelden als zo'n besluit is genomen en ter inzage wordt gelegd.

Kan de Kamer met deze minister nog een andere beslissing nemen? Daarop moet een antwoord komen. Ik ben verre van tevreden met de houding die de minister tot nu toe heeft laten zien. Ik zeg nog maar eens dat de Kamer een hoorzitting heeft georganiseerd omdat zij vragen had over de veiligheid. Ik herhaal dat wij schriftelijk veel vragen hebben gesteld op 10 maart; op veel daarvan kwam geen antwoord. Op 30 maart was er een algemeen overleg, waaruit de toezegging over de schaderisicoanalyse kwam. De minister verweet mij gisteren dat ik niet aanwezig zou zijn geweest bij de afronding van het debat, maar dat is helemaal niet waar. Ik vraag me af waarom hij zulke dingen zegt. In de brief van 5 april schrijft hij: "Ik heb aangegeven dat ik de nulmeting en het stuk van KNMI beschikbaar zal stellen alvorens de besluitvorming af te ronden." In de brief van 18 april staat verder niets bijzonders. Op 21 april hebben we moties ingediend. Op 26 april stuurt hij een brief aan de Kamer. En terwijl -- zoals gisteren bleek -- hij het KNMI-rapport al op zijn bureau heeft liggen, hij rept er met geen woord over. Vandaag krijgen we een brief waarin met zoveel woorden staat: ik ben de baas, u hebt er niets over te zeggen en ik heb helemaal niets beloofd. De minister heeft hier vanavond heel wat uit te leggen. Ik kan hem vast meedelen dat de Partij voor de Dieren bijzonder argwanend is.

Ik heb zojuist de gas storage agreement die ter inzage is gelegd, even snel kunnen inkijken. Het vermoeden dat het gaat om een plan dat hoe dan ook moest doorgaan, is bij mij in ieder geval niet weggenomen. Dat zeg ik tegen de minister.

[…]

Minister Verhagen: Voorzitter. Ik ben blij dat wij dit overleg hebben, omdat ik eraan hecht om een aantal zaken recht te zetten en gewekte suggesties te ontkrachten. Ik betreur het met name dat hier is gesuggereerd dat ik mijn toezeggingen niet ben nagekomen. Het tegendeel is waar: al de toezeggingen die ik heb gedaan, ben ik nagekomen. Dit heb ik ook betoogd in mijn brief van vanochtend over de stand van zaken bij de gasopslag Bergermeer. Mijn aanpak van de afgelopen periode is conform de lijn van het algemeen overleg van 30 maart jongstleden, de schriftelijke antwoorden van 5 april en 18 april en de verstrekte informatie en toezeggingen aan de Kamer tijdens het VAO, de plenaire afronding van het algemeen overleg van 21 april jongstleden. Dat er wellicht -- zoals de heer Samsom zegt -- behoefte was geweest aan een nader overleg, realiseer ik me absoluut gelet op hetgeen hier is gewisseld. De suggestie dat ik mij niet aan toezeggingen houd, is echter absoluut niet waar.
Laat ik niet ingaan op de eerdere debatten waarnaar mevrouw Van Gent verwees; het gaat me om de debatten in de huidige samenstelling. Dat wij op 30 maart, 5 april, 18 april schriftelijk en 21 april weer mondeling hierover hebben gesproken, geeft aan dat ook ik buitengewoon veel waarde hecht aan het oordeel van de Kamer, maar ook aan een zorgvuldige procedure en weging van de belangen van de inwoners van Bergen. Zeker als er zo veel zorgen en emoties met een onderwerp gepaard gaan, is het terecht dat niet alleen de Kamer maar ook de regering een zorgvuldige wijze van besluitvorming nastreeft. Het is duidelijk dat de Kamer in ruime mate de gelegenheid heeft gekregen om zich uit te spreken over de lijn. Los van de individuele opvattingen, zijn er naar aanleiding van het VAO op 21 april geen moties aangenomen die het kabinet een andere opdacht hebben gegeven dan ik heb vervuld. Gelet op de zware aantijgingen van sommige leden van de Kamer, hecht ik eraan om mijn punt geheel te maken.

[…]

Los van de vraag wat beter of leuker was geweest, heb ik op geen enkele wijze besluitvorming laten plaatsvinden die afwijkt van hetgeen wij mondeling en schriftelijk hebben afgesproken.

[…]

Naar aanleiding van het algemeen overleg van 30 maart heb ik destijds contact gezocht met de bij de gas storage agreement betrokken partijen. Op dat moment was er geen bereidheid om die overeenkomst met de Kamer te delen. Mevrouw Ouwehand heeft op 21 april in een motie het verzoek gedaan om dat toch te realiseren. Naar aanleiding daarvan ben ik opnieuw in gesprek gegaan. Laat ik de Handelingen letterlijk citeren: "Als EBN daar geen bezwaar tegen heeft, zal ik daar uiteraard een poging toe ondernemen." Dat heb ik dus ook gedaan. "Ik ben bereid om mevrouw Ouwehand op dat punt tegemoet te komen. Ik zal het element van vertrouwelijke inzage dus uiteraard nog bespreken met EBN. Zolang EBN daar op basis van de privaatrechtelijke aard van deze overeenkomst bezwaar tegen heeft, heb ik mij daarin te voegen.

Ik ben echter bereid om mevrouw Ouwehand tegemoet te komen en om op een serieuze wijze te proberen om de mogelijkheid van vertrouwelijke inzage te realiseren in die gesprekken." Deze toezegging aan de Kamer stond dus volledig los van het besluit, het was slecht bedoeld om mevrouw Ouwehand tegemoet te komen. De poging was bovendien succesvol, want ik heb de overeenkomst alsnog vertrouwelijk voor de Kamer ter inzage kunnen leggen. Wat anders zou hebben gekund, is dat ik het TNO-onderzoek naar de Kamer had kunnen sturen. Dan hadden we er een discussie over kunnen hebben voordat ik het besluit nam.

In alle oprechtheid: de toezegging was dat het rapport met name ter beschikking zou komen voor de bewoners van Bergen. Daarover hebben wij specifiek gesproken. De Kamer heeft op dat moment niet gezegd: wij willen daarover eerst met u discussiëren. Temeer omdat het voor de bewoners was bedoeld. Het rapport biedt ook geen nieuwe inzichten, maar maakt zaken inzichtelijk en voegt een aantal zaken toe, toegesneden op de situatie van Bergen. Ik wil best inhoudelijk spreken met de Kamer over alle elementen en ik wil zelfs de mening van de heer Samsom onderschrijven dat, mede gelet op de nu ontstane commotie, het beter was geweest als dit een week later was gebeurd. Iedere suggestie alsof ik mij niet heb gehouden aan de gedane toezeggingen of de Kamer ten principale op het verkeerde been heb gezet, werp ik echter verre van me. Dat is absoluut niet het geval. In de brief staat letterlijk wat ik zou doen, waarvan ik geen millimeter ben afweken.

De voorzitter: Ik stel een tweede termijn voor van één minuut, zonder interrupties.

Minister Verhagen: Ik heb de specifieke vragen nog niet beantwoord, maar ik wil mevrouw Ouwehand nu de gelegenheid geven om haar interruptie te plegen.

De voorzitter: We kunnen het verhaal ook eerst vervolgen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De rook komt uit mijn oren, maar als mijn collega's graag eerst antwoord willen krijgen op de vragen, dan moet dat maar eerst. Ik ben echt boos!

[…]

Minister Verhagen: […] Mevrouw Ouwehand vraagt of de Kamer de besluitvorming nog kan beïnvloeden. De besluitvorming is afgerond. Dat betekent niet, zoals zij suggereert, dat het onherroepelijk is. De beroepsmogelijkheden staan vanzelfsprekend open. Ik heb zelf de veranderende voorwaarden toegevoegd met betrekking tot de nulmeting en de tijdspanne die daaraan is gekoppeld. In die zin zit het nog niet in de finale status. De besluitvorming is afgerond op basis van het een en ander, van wat er is gewisseld en toegezegd. We kunnen het wel eindeloos blijven uitstellen, maar op een gegeven moment zijn we uitonderzocht en moet je een keuze maken: ja of nee. Ook als ik nee zou hebben gezegd, zou ik dat op basis van deze fase hebben gedaan.

[…]

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik zei het al eerder: de houding van de minister bevalt mij niet. Dat oordeel is er vanavond niet beter op geworden. Als de Kamer kritische vragen heeft, dan mag de minister ervan uitgaan dat de Kamer op de hoogte wil worden gehouden van het antwoord op die vragen. Het is ook zo in de toezeggingenregistratie terechtgekomen, of wil de minister beweren dat mevrouw Verbeet haar organisatie niet op orde heeft? Dat kan er nog wel bij! Hij schrijft op 5 april aan diezelfde mevrouw Verbeet, de Voorzitter van de Kamer: "Ik heb aangegeven dat ik de nulmeting en het stuk van KNMI beschikbaar zal stellen alvorens de besluitvorming af te ronden." Er staat niet bij: dat ga ik overigens niet aan u sturen maar alleen aan Bergen. Nee, de minister heeft de Kamer in elk geval -- hij sprak over "op het verkeerde been zetten" -- voortdurend laten denken dat wij dat onderzoek tegemoet zouden kunnen zien. Zelfs als de minister …

De voorzitter: Uw minuut is voorbij.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter, ik hecht hier echt aan.

De voorzitter: Ik hecht aan de tijdsbewaking. We hebben een minuut spreektijd afgesproken en die is nu om. U mag nog een laatste zin uitspreken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik neem aan -- dat stelt me overigens behoorlijk teleur – dat een aantal collega's er minder woorden aan gaat wijden. Dit is van groot belang.

[…]

Minister Verhagen: Voorzitter. Ik dank de leden van de Kamer. Met uitzondering van de forse taal van één lid waardeer ik buitengewoon de opstelling van de Kamer. Juist omdat ik wist hoe gevoelig de situatie was en me bewust was van de emoties die er spelen, heb ik geprobeerd om op alle mogelijke wijzen tegemoet te komen aan de wensen van de Kamer en haar er op een serieuze wijze bij te betrekken. Ook vanuit mijn verleden hecht ik daar zeer aan. Om die reden hebben we gekeken naar de suggesties. Niet alleen naar de bundeling van onderzoeken, maar ook naar de nulmeting, het schadefonds, de voorfinanciering en het ter inzage leggen van de agreement. In dat licht is het nooit mijn bedoeling geweest om de suggestie te wekken dat ik iets ter inzage zou leggen bij de Kamer terwijl ik dat niet zou doen.

Ik heb ook niet terloops de suggestie of de indruk willen wekken dat ik het eerst bij de Kamer zou neerleggen. Omdat de Kamer nooit iets anders heeft gevraagd, heb ik gedaan wat ik heb gedaan. Ik hecht echter aan de samenwerking met de Kamer. Mede gelet op de gevoelens en de gevoerde discussie, was het beter geweest om eerst de discussie hier te hebben. Dan had ik bij wijze van spreken morgen het besluit kunnen nemen. Formeel is dat ook zo, zoals de heer Samsom terecht constateert, omdat het morgen in de Staatscourant staat. Ik heb gemeend helemaal in lijn met wat wij hadden afgesproken, te hebben gehandeld, juist omdat ik zeer zorgvuldig wilde zijn.

Gelet op de gevoelens constateer ik nu dat we het anders hadden kunnen en moeten doen door de Kamer erbij te betrekken. Punt, geen ander verhaal. Let it be a lesson for all of us. Ik waardeer de opstelling van de Kamer en ben blij met haar constructieve opstelling, het dragen van verantwoordelijkheid voor besluiten die niet altijd makkelijk zijn omdat ze ingrijpend zijn voor mensen.

[…]

De voorzitter: Zorgvuldigheid en duidelijkheid zijn van groot belang; dat moge duidelijk zijn. Ik heb begrepen dat mevrouw Ouwehand een VAO voorstelt. Omdat het mogelijk van belang is om dit voor 20 mei te doen, hebben we even gekeken of er ruimte is op de plenaire agenda. We denken dat het morgen na de regeling van werkzaamheden kan worden gehouden. Er zou dan ook gelijk gestemd kunnen worden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik wil morgen een motie indienen en daar wil ik morgen ook over stemmen.

De voorzitter: Akkoord. Dat zullen we dan doorgeleiden. Dank voor alle inbreng en tot een volgende gelegenheid.