Bijdrage Ouwehand aan AO over gewas­be­scher­mings­mid­delen over het proces van de Beeguidance


6 juni 2019

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Het is ingewikkeld. Er is lang en breed gedeelde kritiek van de Kamer op de kaders op basis waarvan bestrijdingsmiddelen worden toegelaten in Europa. Ik heb de heer De Groot jammer genoeg nog geen vragen horen stellen over de BeeGuidance, maar daar zal ik van alles over zeggen. Ik hoorde hem echter wel iets zeggen over de gevolgen voor omwonenden van middelen die zijn toegelaten volgens die niet helemaal geschikte kaders. Als de heer De Groot zegt dat een middel als glyfosaat is toegelaten op basis van een eerdere casus maar dat hij wel een bepaalde toepassing in Nederland wil verbieden of aanscherpen, zijn de heer De Groot en D66 dan ook van mening dat we omwonenden beter moeten beschermen en dat zolang die middelen nog steeds op de markt zijn, we ruime spuitvrije zones moeten instellen om te zorgen dat ongeboren kinderen, kinderen en volwassen mensen geen risico's lopen?

De heer De Groot (D66):

Het antwoord is ja. Als dat nodig is om die mensen te beschermen, moeten we dat zeker doen. Maar ik vind het een beetje een lapmiddel, want je moet gewoon zorgen dat je kaders hebt waarbinnen die middelen ook in de echte wereld veilig zijn en niet alleen veilig zijn volgens de criteria die we hebben gesteld. U noemde het bijenrichtsnoer. Dat vind ik een goed voorbeeld daarvan. In 2013 is er door wetenschappers een richtsnoer voorgesteld om ook in de echte wereld de effecten van bepaalde bestrijdingsmiddelen te kunnen testen. Dat is ook de reden dat D66 voor de motie van de Partij voor de Dieren heeft gestemd om vooral dat richtsnoer uit 2013 centraal te stellen. Dus wat dat betreft zijn we het met elkaar eens. Of we meteen moeten overgaan tot allerlei spuitvrije zones, dat lijkt me suboptimaal. Ik ben op dat punt benieuwd wat de minister gaat doen om bewoners als in Westerveld te beschermen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dank daarvoor. Kijk, ik ben het ermee eens dat de beste bescherming eruit bestaat om die middelen helemaal niet in het milieu te brengen en daarmee automatisch ook niet in de buurt van scholen. De heer De Groot zei "als het nodig is, moeten we het doen", maar wanneer vindt D66 het dan nodig? De echte wereldwetenschappers zeggen namelijk: er is dus geen enkele garantie dat het veilig is en we moeten ons echt achter de oren krabben of we dat risico wel willen lopen met kinderen. De Partij voor de Dieren concludeert dat het dan dus nodig is, maar wat concludeert D66?

De heer De Groot (D66):

Dat de kaders moeten worden aangepast in verband met het niet-doelwitmechanisme en de indirecte effecten op vogels. Iets wat ook werd genoemd in het advies van de Ctgb, is het effect op kinderen onder de zestien weken en zuigelingen. Dat soort dingen moeten nu heel snel worden verbeterd, want dat is een structurele oplossing. Dat is het antwoord.

De voorzitter:

Dan gaan we nu luisteren naar de inbreng van mevrouw Ouwehand van de Partij voor de Dieren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Helaas wordt het een raar debat, want we hebben nog niet zo heel erg lang geleden, vlak voor de Europese verkiezingen om precies te zijn, een staatssecretaris gezien die uit zichzelf is afgetreden, omdat de manier waarop hij informatie naar de Kamer had gestuurd, niet helemaal de weergave was die de Kamer had mogen verwachten. En wij zitten hier met een minister van Landbouw die de Kamer weliswaar informatie heeft gestuurd over hoe het proces voor de aanscherping van de kaders in Europa is gelopen — D66 had het er juist ook over — maar dat pas deed nadat er notulen uit een ambtenarenoverleg waren uitgelekt naar de Partij voor de Dieren en een onafhankelijke journalist had geschreven stukken boven water te hebben gekregen waaruit bleek dat Nederland zich in Europa actief verzette tegen aanscherping van de kaders om landbouwgif te toetsen op de gevolgen voor bijen en hommels. En dat terwijl de Kamer altijd was verteld dat Nederland zich daar sterk voor maakte!

Er zijn dus twee dingen heel erg misgegaan. Ik wil de minister bedanken dat ze de informatie alsnog heeft gestuurd, maar we moeten het wel scherp krijgen. Daar had ik overigens eigenlijk een ander debat over willen voeren, want zo doen we het hier in het huis. Maar de meerderheid van deze commissie heeft gezegd: doe het maar bij het al geplande overleg over bestrijdingsmiddelen. Ik moet nu eerst met de minister duidelijk zien te krijgen of de manier waarop zij de Kamer gaat informeren, wel past bij de verhoudingen tussen Kamer en kabinet, die in de Grondwet zijn afgesproken, en of wij erop kunnen vertrouwen dat de minister door de Kamer aangenomen moties daadwerkelijk uitvoert. Dat is natuurlijk wel een beetje raar in een debat waarin we het ook moeten hebben over de toekomstvisie van de minister op bestrijdingsmiddelen.

Maar daar gaan we, om te beginnen met de manier waarop de Kamer is geïnformeerd over wat Nederland heeft gedaan in dat proces en die discussie over het bijenrichtsnoer. Ik herinner de minister aan een motie die begin 2013 is aangenomen, ondertekend door mevrouw Ouwehand, de heer Van Gerven van de SP, mevrouw Jacobi van de Partij van de Arbeid, de heer Klaver van GroenLinks en mevrouw Van Veldhoven van D66. Deze motie is aangenomen, omdat ook de PVV haar heeft gesteund. Die motie verzocht de regering zich in te zetten voor een Europees moratorium op alle toepassingen van neonicotinoïden en fipronil, tenzij onomstotelijk bewezen is dat zij geen schadelijk effect hebben op de gezondheid van bijen. Er zijn moties aangenomen die vroegen om een nationaal verbod, omdat het Europees moratorium maar heel beperkt was. Daar hebben we over gediscussieerd met de toenmalige bewindspersonen. Die discussie bleef hangen op een meningsverschil over de vraag of dat juridisch mogelijk was. Maar staatssecretaris Dijksma concludeerde toen wel dat zij het nationale verbod niet kon invoeren, maar dat zij wel al het mogelijke had gedaan — ik heb alle mogelijkheden benut — om in te grijpen in bestaande toelatingen. Verder zei zij dat zij dat ook in de toekomst zou blijven doen en dat daar uiteraard ook het proces in de EU bij hoorde.

Zij schreef later: van groot belang is dat een dergelijk richtsnoer — zij bedoelde het bijenrichtsnoer — wordt opgesteld ter bescherming van bijen. Verder schreef wederom Dijksma: een hoge prioriteit bij het vaststellen en snel verankeren. We blijven aandringen om het concepttoetsingskader om te zetten in een door de EU vastgesteld richtsnoer, dat was Van Dam. Nederland dringt al jaren aan op het vernieuwen van het toetsingskader voor bijen, omdat het oude kader onvoldoende de nieuwste wetenschappelijke inzichten meeneemt. Nederland — dat is dan minister Schouten — zet zich in voor een goede bescherming van de bijen op basis van de beschikbare wetenschappelijke informatie. En in 2018 heeft dit kabinet op basis van het richtsnoer dat er lag, in 2013 gepresenteerd door de EFSA, drie neonics verboden in open teelten. Daarmee wordt tegen de Kamer gezegd: wij zetten ons in voor effectieve bescherming, voor aanscherping — het oude model voldeed niet — en voor nieuwe wetenschappelijke inzichten. Maar uit de stukken die wij hebben gekregen, bleek het tegenovergestelde. Dan kan de minister niet anders dan erkennen dat de Kamer niet juist is geïnformeerd, ook niet toen wij daar onze eerste vragen over stelden. Als zij dat hier doet en belooft de Kamer voortaan wel goed te informeren, dan is die kou uit de lucht, maar zij zegt in antwoord op de vragen: de Kamer is wel goed geïnformeerd geweest. Daar hebben we een heel pittig meningsverschil! Als de minister niet erkent dat de Kamer al die tijd verkeerd is voorgelicht, dan kunnen wij geen vertrouwen hebben dat de Kamer wel goed wordt geïnformeerd over de uitwerking van het vervolg van het beleid. De minister weet dat; zij is zelf Kamerlid geweest. Ik wil haar vanavond de gelegenheid geven om alsnog de conclusie te trekken die hierbij hoort en daarmee zou zij ook verantwoordelijkheid nemen voor wat haar voorgangers hebben gedaan. Dat Nederland zich anders heeft opgesteld, is immers niet onder haar verantwoordelijkheid begonnen, maar het is wel gebeurd.

Het moet wel rechtgezet worden, dat is het eerste. Het tweede is dat die moties dus niet zijn uitgevoerd. Deze is niet de enige. Die motie vroeg: totdat onomstotelijk bewezen is dat er geen schadelijke effecten zijn op bijen van neonicotinoïden en fipronil, moet de positie van Nederland zijn dat die stoffen helemaal niet worden toegelaten. Er is ingestemd met een verlenging van thiacloprid en dat is een van die stoffen. Er is door Nederland actief gewerkt aan het uithollen van die aanscherping van de bijenrichtlijnbeoordeling. Die nieuwste wetenschappelijke inzichten, die de heer De Groot zojuist nog even aan de minister heeft gegeven, zijn precies waar Nederland zich tegen heeft verzet. Iedereen was het erover eens dat de gevaren voor bijen en hommels niet in het bestaande model zaten en dat je daarvoor veldstudies moest doen. Je moet kijken naar chronische toxiciteit en naar subletale effecten. Die zaten er allemaal in. Dat is, zeg maar, de wetenschap uit de echte wereld. En Nederland heeft gezegd: nee, dan wordt het onwerkbaar; eruit met die testen. Dat is niet het uitvoeren van de moties.

Voorzitter, ben ik al door de tijd heen?

De voorzitter:

Nee. U heeft nog ongeveer 45 seconden; daarom tipte ik u even.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Ik baal ontzettend, want er zijn heel belangrijke onderwerpen te bespreken. Ik zie mensen op de publieke tribune zitten die al jaren — jaren! — namens al die mensen die in de buurt van bollenvelden en andere zwaar bespoten akkers wonen, vechten om hun gezondheid en die van hun kinderen te beschermen. Dat rapport staat vandaag op de agenda. Ik zeg er één ding over: die spuitvrije zones moeten nu! De minister kan namelijk niet garanderen dat die mensen en hun kinderen veilig zijn als ze zo dicht bij die velden wonen. Ik baal ervan dat ik de rest van de onderwerpen, die ook dringend een debat tussen Kamer en kabinet behoeven en een goed beleid behoeven, niet kan behandelen. We hebben goed beleid nodig, zodat we die giftige bestrijdingsmiddelen zo snel mogelijk uit ons milieu weten te krijgen. Dat debat moet gevoerd worden, maar ik moet eerst weten of ik er wel op kan vertrouwen dat de minister de Kamer goed informeert en dat ze Kameruitspraken ook respecteert.