Bijdrage Ouwehand Wijziging Waterwet en Water­schapswet


18 november 2010

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. We bespreken vandaag een wijziging van de Waterwet waarbij, als het aan het kabinet ligt, de bestrijding van muskusratten wordt vastgelegd als een van de expliciete doelen bij de voorkoming van schade aan de waterstaatswerken. Dat is een slecht idee. Ik zal uiteenzetten waarom.

Allereerst is de huidige vorm van muskusrattenbestrijding een verspilling van geld en tijd. Op dit moment geven we er jaarlijks ongeveer 35 mln. aan uit. Dat is best veel geld voor een activiteit waarvan de effectiviteit hoogst twijfelachtig is. We gooien letterlijk geld in het water.

Muskusratten zijn sinds 1946 in Nederland, met dank aan de bontindustrie. Inmiddels worden ze al meer dan 50 jaar bestreden. Door schrikbeelden van vernielde oevers en ingestorte dijken, nadat muskusratten die zouden hebben ondergraven, wordt deze diersoort al sinds jaar en dag fel bestreden. Afgelopen jaar zijn er 155.000 muskusratten gedood. De bestrijding gebeurt meestal via klemmen en vallen. Die methoden zijn uitermate wreed. De klemmen worden onderwater geplaatst bij de ingang van een burcht of op zogenaamde wissels, paadjes waarlangs de dieren zich door hun territorium verplaatsen. Deze klemmen doden de dieren vrijwel nooit direct. De gevangen muskusrat stikt of verdrinkt pas na enkele minuten of zelfs nog langer. Ook worden er gazen fuiken en inloopvallen gebruikt. De muskusrat loopt of zwemt erin, kan er niet meer uit en verdrinkt langzaam na een doodsstrijd van zeven minuten. Daarna zijn de vallen ook nog eens niet selectief, waardoor er afgelopen jaar 14.000 andere dieren slachtoffer werden: waterhoenen, meerkoeten, eenden, futen, bunzings, hermelijnen. Ook zij stierven een afschuwelijke dood in de vallen en klemmen die in het kader van de muskusrattenbestrijding worden uitgezet.

De muskusrat is in staat, zich zeer snel voort te planten. Zolang we natuurlijke regulatiemechanismen negeren, zullen grote bestrijdingscampagnes er voortdurend toe leiden dat er extra veel jongen geboren worden. Het vangen en doden van deze schuwe dieren zal de stand dan ook niet verlagen. Het is dweilen met de kraan open. Dat blijkt ook wel uit het feit dat ondanks de sinds 1951 door de overheid georganiseerde bestrijding, de muskusrat kans heeft gezien zijn leefgebied uit te breiden naar alle provincies in Nederland.

Naast het feit dat de bestrijding zeer diervijandig is en het de stand van de muskusrat niet lijkt te doen afnemen, is het maar de vraag hoe effectief de huidige vorm van bestrijding is. Het effect van muskusrattenbestrijding op de veiligheid is onduidelijk. Onderzoek heeft uitgewezen dat er geen sprake is van een eenduidige relatie tussen het aantal vangsten en de veiligheid van de waterkering. Ook wordt nu alleen het aantal gedode muskusratten geteld en niet het aantal graverijen of nesten. Daardoor is er dus geen goed beeld van het aantal muskusratten of het veiligheidsniveau. De bestrijders zetten alleen vallen. Ik vraag aan de staatssecretaris waarom we deze mensen niet inzetten om bijvoorbeeld de aangetroffen graverijen direct te herstellen. Juist daar worden de waterwerken veiliger van, toch? De enige dijken waar muskusratten nog een gevaar voor zouden kunnen vormen, zijn de oude boezemdijken en poldersystemen. Maar volgens de voorzitter van de landelijke Werkgroep Ecologisch Waterbeheer is zelfs daar nooit iets gebeurd. Hij geeft zelfs aan dat er geen verband is tussen een hoge muskusrattenstand en aantasting van de oevers. Onderzoek van het LEI naar de economische schade van de graverij en vraat laat alleen schade aan de oevers en niet aan waterkeringen zien.

Onderzoek naar de gevolgen van graverij laat zien dat de veiligheid van alle typen waterkeringen, met uitzondering van zeeweringen, hierdoor afneemt. Tevens wordt geconcludeerd dat alle waargenomen schade wordt hersteld, omdat alle vormen van schade direct worden hersteld in het reguliere beheer- en onderhoudsprogramma. Hierdoor komt de veiligheid in die gevallen niet daadwerkelijk in gevaar.

Na vijftig jaar bestrijding is er nog steeds geen onderzoek gedaan naar de effectiviteit ervan. Dat is toch wel zeer te betreuren. Al in 2005 werd door Alterra op dit gemis gewezen, maar er is nog steeds niets mee gedaan. Ondertussen worden er jaarlijks wel duizenden dieren gedood, zonder dat er duidelijk bewijs is dat dit omwille van de veiligheid noodzakelijk zou zijn. Het is niet zo dat de muskusratten zonder bestrijding heel Nederland zouden overnemen. Uit onderzoek is gebleken dat de natuurlijke jaarlijkse sterfte vrij hoog is. Het gaat om 55% van de volwassen dieren en zelfs 84% van de jonge. Er vindt predatie plaats door vos, bunzing, hermelijn, havik en bosuil. Het is dan ook onjuist om te zeggen dat muskusratten geen natuurlijke vijanden zouden hebben. Natuurlijke regulatie treedt echter vooral op door ruimteverdeling en onderlinge concurrentie. Deze zouden wij dus de ruimte moeten geven.

De Partij voor de Dieren neemt veiligheid zeer serieus. Muskusrattengraverij van kritieke grootte moet worden voorkomen. De huidige wijze van bestrijding is daartoe echter niet adequaat. De Partij voor de Dieren stelt voor om de muskusrattenbestrijding om te vormen naar een minder diervijandige, effectieve dienst, die de veiligheid van dijken als enige doel heeft. Daarbij is de Partij voor de Dieren tegen het doden van gezonde dieren, tenzij met alternatieven niet voldoende effect op de veiligheid wordt behaald en bestrijding op locatie dat effect wel kan beloven. Dit betekent dat het doel van de wetswijziging niet kan zijn het bestrijden of vangen van muskusratten, maar het waarborgen van de veiligheid. Dat kan in sommige gevallen bestrijding van muskusratten inhouden, maar dat hoeft niet direct te leiden tot het plaatsen van vallen en klemmen. Er zijn ook alternatieven. Om veiligheid het doel van dit wetsvoorstel te laten zijn heb ik een amendement ingediend. Ik geloof dat dit reeds is rondgedeeld.

Voorzitter. Ik kom tot een afronding. Nieuwe of vernieuwende waterkeringen zouden muskusratbestendig gemaakt moeten worden. Door een eenmalige investering worden structurele kosten voorkomen. Muskusrattenbestrijding kan dan, als het nodig is, alleen worden ingezet op risicoplaatsen waar op korte termijn geen verbeteringen mogelijk zijn. Zo wordt voorkomen dat dure en arbeidsintensieve bestrijding wordt ingezet op plaatsen waar geen veiligheidsrisico is.

Ik sluit af met enkele vragen aan de staatssecretaris. Is hij bereid om nu eindelijk wel onderzoek naar de effectiviteit van bestrijding te doen, bijvoorbeeld door op enkele locaties een proef te starten waar niet wordt bestreden en waar de ontwikkeling van de populatie en de schade wetenschappelijk worden onderzocht? Is hij bereid om de verdrinkingsvallen zo snel mogelijk te verbieden, omdat zij leiden tot een gruwelijke dood van deze dieren? Is hij bereid om bij ontwerp en aanleg van nieuwe waterkering en bij groot onderhoud aan bestaande waterkeringen preventieve maatregelen te nemen, zoals betonnen voeten voor dijklichamen?

De heer Jansen (SP):

Voorzitter. Ik stel een toelichtende vraag over het amendement op stuk nr. 10 van mevrouw Ouwehand en mevrouw Thieme. Begrijp ik het goed dat met dit amendement de wet zodanig wordt aanpast dat het in de toekomst mogelijk wordt om een diervriendelijkere vorm van waterveiligheidsbeleid toe te passen? In principe kunnen we met de tekst van dit amendement doorgaan zoals het nu gaat, maar het wordt wel mogelijk gemaakt om beter te gaan werken. Is dat de essentie van het amendement?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ja, dat is de essentie van het amendement. Het is geen geheim dat wij geen grote fans zijn van de muskusrattenbestrijding. In het wetsvoorstel heeft het kabinet bestrijding als een van de doelen opgenomen. Dat lijkt ons om meerdere redenen verkeerd. Wij willen dat de waterschappen de mogelijkheid hebben om op basis van voortschrijdend inzicht te kiezen voor de effectiefste manier om de waterwerken te beschermen. Een van die methoden kan bestrijding zijn. Nogmaals, we zijn er geen fan van, maar we zien ook dat wij er niet omheen kunnen. We willen dat in elk geval niet als een dogma vastleggen in de wet.

Staatssecretaris Atsma:

Een aantal collega's heeft het gehad over de muskusrattenbestrijding. Het amendement van mevrouw Ouwehand op dat punt heeft onze grote sympathie omdat het een stukje innovatie en diervriendelijk handelen mogelijk maakt zonder direct de huidige gang van zaken te blokkeren. Ook het amendement van mevrouw Jacobi heeft onze sympathie omdat wij denken dat het overnemen van fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden cruciaal is bij het overgaan van die taak van de ene overheid naar de andere. Het amendement van de heer Slob heb ik nog niet kunnen bekijken maar dat gaan wij uiteraard welwillend bezien.

Voorzitter. Ik kom bij een aantal specifieke vragen. Een aantal van die vragen is door verschillende Kamerleden naar voren gebracht. Ik begin met de muskusrattenbestrijding, waarvan enerzijds mevrouw Ouwehand zei dat wij het niet langer zo moeten willen doen en anderzijds verschillende afgevaardigden zeiden dat wij er vooral mee moeten doorgaan en ervoor moeten zorgen dat de muskusrattenbestrijding adequaat blijft. Het is de absolute overtuiging van het kabinet dat dit laatste noodzakelijk is. Tot mevrouw Ouwehand zeg ik dat de verantwoordelijkheid voor de muskusrattenbestrijding niet bij wet wordt overgeheveld naar de waterschappen omdat wij dat ineens zo nodig zouden willen. Sterker nog, het kabinet hecht eraan om te benadrukken dat de muskusrattenbestrijding een wettelijke taak was die al bij de provincies lag. Het enige wat nu gebeurt is dat die taak wordt overgeheveld naar de waterschappen. Om dat te kunnen doen is een wetswijziging nodig. In die zin verandert er dus niets. Er ontstaat niet ineens een nieuw doel.

Muskusrattenbestrijding is op zichzelf genomen een middel en niet meer dan dat. Wij moeten het ook niet zwaarder aanzetten dan nodig is. Waar ik wel bezwaar tegen maak, is dat mevrouw Ouwehand suggereert dat er geen sprake zou zijn van schade of aangetoonde schade. Ik kan aan de hand van verschillende concrete praktijkvoorbeelden illustreren dat er wel degelijk sprake is van schade, en dus van risico's. Het gaat niet alleen om schade aan dijken, maar ook aan wegen en paden, waar de muskusrat, als die eenmaal op dreef is, forse schade kan aanrichten. De bijdrage van mevrouw Jacobi bevestigt dat dit breed wordt erkend.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dat de muskusrat schade toebrengt aan waterstaatswerken en oevers heb ik niet ontkend. De vraag is, of de bestrijding effectief is. In vijftig jaar tijd hebben wij nog nooit onderzoek daarnaar gedaan. Allerlei belangrijke signalen wijzen erop dat de bestrijding niet effectief is als wij geen rekening houden met natuurlijke regulatiemechanismen. Ik heb er al op gewezen: hoe meer dieren je doodmaakt, des te meer jongen er geboren zullen worden. Daar gaat het mij om. Ik vraag de staatssecretaris om ervoor open te staan om eindelijk eens dat onderzoek uit te voeren. Ik ga daarover straks een motie indienen.

Staatssecretaris Atsma:

Ik denk dat de bestrijding op dit moment effectief is. Het is een goed signaal dat het aantal gevangen muskusratten de afgelopen jaren systematisch terugloopt. Mevrouw Ouwehand gaf zelf al een paar cijfers. Van ruim 200.000 is het aantal teruggelopen naar rond de 150.000. De precieze cijfers voor dit jaar hebben wij uiteraard nog niet. Dit betekent dat er in een tijdsbestek van drie à vier jaar tientallen procenten minder muskusratten zijn gevangen. Mevrouw Ouwehand zal kunnen zeggen: dat kan positief zijn. Het aantal vanguren van de bestrijding is echter hetzelfde gebleven. Daardoor heb je wel een goed vergelijkingsmoment. Dat er minder worden gevangen betekent dat het probleem meer en meer onder controle komt. Laten wij dat ook hopen. In een aantal regio's in Nederland, met name in Noord-Nederland, Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel, is er geen sprake van die substantiële teruggang, maar in andere regio's gaat het goed. Ik vind dat dit een indicatie is dat het op streek is. Laten wij hopen dat het aantal muskusratten dat wordt gevangen, op basis van het aantal vanguren dat de afgelopen jaren is gehanteerd en waar wij voorlopig mee doorgaan, uiteindelijk nog verder daalt. Dat kan betekenen dat er inderdaad een keer ten goede is.

Een andere discussie is die over de vangstmethode Ik denk dat mevrouw Ouwehand vooral daarop doelt en dat zij vindt dat daar iets aan gedaan zou moeten worden. Er is al vele jaren in de Kamer over dit onderwerp gesproken, evenals bij verschillende waterschappen en in andere gremia, niet alleen in Nederland, maar ook daarbuiten. Ik ben met de Kamer van mening dat daar scherper en beter naar zou kunnen worden gekeken. Dat is echter pas mogelijk op het moment dat je vaststelt dat de overvloed aan muskusratten in de hand te houden is. Want dan kun je daadwerkelijk kijken naar een andere bestrijdingsmethode. Daarnaast hebben wij te maken met Europese wet- en regelgeving. Ik meen dat wij nu werken met regelgeving uit Europa uit de jaren negentig. In 2004 heeft de Europese Commissie al aangekondigd dat de vangstmethoden geëvalueerd en wellicht ook anders ingevuld zouden moeten worden. Het spijt mij ook dat er tot nu toe weinig voortgang is geboekt. Het duidt erop dat het niet een gemakkelijk probleem is, dat je even één, twee, drie in een namiddag oplost.

(...)

Het gewijzigd amendement-Ouwehand/Thieme op stuk nr. 10 over de muskusrattenbestrijding vind ik sympathiek. Muskusrattenbestrijding is geen doel op zich. Dat is het ook nooit geweest en dat zal het ook niet worden. Het is alleen een middel om te voorkomen dat er problemen ontstaan. Als ik het amendement ook zo moet duiden, dan denk ik dat ik er geen probleem mee kan hebben. Sterker nog, ik wil er geen probleem mee hebben. In die zin kan ik het in overweging aan de Kamer meegeven. Dat is voor mij geen enkel probleem, want ik vind dat het nooit het doel kan zijn. Dat zou namelijk heel rigide zijn. Laten we hopen dat er een moment komt dat de bestrijding niet meer mogelijk is. Dan is datgene wat mevrouw Ouwehand niet wil gerealiseerd en dan is datgene waar waterschappen, provincies, boeren en andere gebruikers van het open veld op zitten te wachten, ook gerealiseerd.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording van de vragen en voor zijn omarming van het amendement. Ik dank hem tevens voor zijn uitspraak dat wij, als het een beetje meezit, helemaal van de muskusrattenbestrijding af kunnen. Dat lijkt mij een mooi perspectief. Ik zal drie moties indienen om de staatssecretaris een stukje op weg te helpen.

Klik hier voor motie 1
Klik hier voor motie 2
Klik hier voor motie 3
Klik hier voor het amendement