Bijdrage Partij voor de Dieren aan verslag wijziging GWWD in verband met het opnemen van bepa­lingen inzake bestuur­lijke boetes


18 februari 2009

Inbreng Partij voor de Dieren ten behoeve van verslag over wijziging van de GWWD strekkende tot het opnemen van bepalingen inzake bestuurlijke boetes

(Algemeen)
De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren loven ieder initiatief dat daadwerkelijk bijdraagt aan de bescherming van dieren. Over voorliggende wetswijziging hebben de leden echter nog wel enkele vragen.
Allereerst betreuren de leden het feit dat zaken rondom dierenmishandeling en –verwaarlozing doorgaans zeer weinig prioriteit lijken te genieten bij het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht in Nederland. De rechterlijke macht houdt zich sporadisch bezig met dierenwelzijnszaken. De bewering dat de bestuurlijke boete gewenst is om zo de druk bij de rechter en het Openbaar Ministerie weg te halen zou naar mening van de leden dan ook een oneigenlijk argument zijn. Zaken blijven lang liggen en de opgelegde straffen zijn bedroevend laag. Er moet worden gewaakt voor het met een bestuurlijke boete afdoen van gevallen van ernstige aantastingen van dierenwelzijn of zelfs misdrijven tegen dieren. De leden menen dat het van groot belang is dat ten aanzien van de rechtsbescherming van dieren aan de ene kant meer bewustwording en prioriteit komt bij de rechterlijke macht. Is de minister bereid zich in te spannen om ook het strafrechtelijke traject aan te pakken en de strafrechtelijke vervolging van daders van dierenmishandeling en -verwaarlozing hoger op de agenda van het OM te plaatsen, in samenwerking met de minister van Justitie? Daarnaast zijn de leden van mening dat eerst voldoende jurisprudentie moet worden opgebouwd alvorens bestuurlijke punitieve sancties worden ingevoerd. Graag een reactie van de ministers.


(1. Algemene uitgangspunten)
In de memorie van toelichting wordt geconcludeerd dat bestuurlijke boetes primair regels betreffen die “in belangrijke mate technisch van aard zijn of waarvan overtreding niet zonder meer leidt tot inbreuken op in de maatschappij levende fundamentele waarden of tot individuele schade of letsel bij mens of dier.” De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen zich ernstig af hoe dit zich verhoudt tot het doel van dit voorstel: optreden tegen overtredingen bij transporten van levende dieren. Het welzijn van levende dieren is wel degelijk een in de maatschappij levende waarde en overtredingen bij transporten kunnen wel degelijk leiden tot schade bij dieren. Kan de minister dit toelichten?

De leden zouden graag een toelichting willen van de minister op de wijze waarop inspecteurs op basis van dit voorstel zullen komen tot het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke boete. VWA-ambtenaren worden hiermee zowel de uitvoerende als de rechtsprekende macht. De commissie Korthals Altes achtte het in haar rapport “Het recht ten uitvoer gelegd” uit 1995 raadzaam om uitvoering en toezicht te scheiden van repressieve handhaving omdat het bestuur niet over de objectiviteit en afstand zou beschikken die vereist zijn bij punitieve sancties.
Hoe wordt toegezien op een juiste inschatting van de ernst van de overtreding en hoe kan worden gegarandeerd dat recidive wordt gesignaleerd? Dreigt er geen gevaar voor willekeur in de toekenning en vaststelling van de hoogte van de boete? Hoe kan zij voorkomen dat intimidatie door overtreders, persoonlijke waarden of andere dreigingen van subjectieve beoordeling een rol gaan spelen bij het opleggen van een boete door een VWA-ambtenaar? Graag horen de leden van de minister op welke wijze zij deze overwegingen heeft meegenomen bij de totstandkoming van dit voorstel voor wetswijziging. Tot slot vragen de leden welke mogelijkheden er zijn om opgelegde boetes die door een tweede beoordelaar te laag wordt bevonden te herzien.