Bijdrage Partij voor de Dieren debat inti­a­tiefwet verbod nert­sen­fok­kerij (tweede termijn)


18 juni 2009

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter. Het is door anderen al opgemerkt: het debat over het verbod op de pelsdierhouderij is een pittig debat. Dat verbaast mij natuurlijk niet. Ik moet u zeggen dat het ook wel eens vermakelijk is om te zien hoe er van de kant van het CDA geworsteld en gesparteld wordt in de wetenschap dat zij de strijd aan het verliezen zijn. Dat is ook wel eens leuk, want er is een Kamermeerderheid voor het verbieden van het fokken van nertsen voor hun pels. En terecht.

De heer Koopmans (CDA):
Ik zou tegen mevrouw Ouwehand willen zeggen: geniet er nog maar even van.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Dat was ik vast van plan.

Als het aan de Partij voor de Dieren had gelegen, waren wij eerder gisteren dan vandaag en, sterker nog, dan over tien jaar gestopt met het fokken van dieren voor hun pels. Dat heb ik in eerste termijn ingebracht. Wat ons betreft, zou er een warme sanering kunnen plaatsvinden met directe ingang. Maar uit de debatten daarover en de ontwikkelingen hier is gebleken dat dit zeker niet op een Kamermeerderheid kan steunen en dit initiatiefwetsvoorstel zelfs verder in gevaar zou kunnen brengen. Dat doen wij dus niet. Het is voor ons van groot belang dat er een einde komt aan het fokken van dieren voor hun pels en aan het opsluiten van wilde, niet te domesticeren dieren in kooien waarin zij hun natuurlijke gedrag nooit ofte nimmer kunnen uiten. Als dat dan over tien jaar is beëindigd, omdat dat daar voldoende steun voor is, moet het maar met die overgangstermijn.

De heer Koopmans (CDA):
Ik ga ervan uit dat u oprecht wilt dat de nertsenhouderij zo snel mogelijk tot een einde komt en dat dit de opvatting van de Partij voor de Dieren is. U zegt: het liefst had ik een warme sanering gehad, meteen eraf en einde. Dan zou u in uw betoog veel scherper moeten inzetten op een zodanige deugdelijke onderbouwing van dit wetsvoorstel dat het in stand blijft. Gaat u niet wat gemakkelijk verder van uw eigen redenering: het beste zou zijn met een schadevergoeding, maar als dat niet gedeeld wordt, doen wij het maar niet?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Vooropstaat dat wij een einde willen aan het fokken van dieren voor hun pels. Wij vinden dat moreel verwerpelijk. Wij vinden dat wij niet het recht hebben om levende wezens die pijn, angst en stress kunnen ervaren aan zulke grote martelingen bloot te stellen, puur voor het dragen van een velletje dat zo mooi glimt. Dat vooropgesteld hadden wij graag gezien dat wij per direct stoppen met de nertsenhouderij. Daar hadden wij wel wat centjes voor over gehad en die hadden wij heel graag uit potjes van het CDA geplukt zoals voor de JSF. Wij hadden daar best wel kansen voor gezien. Desalniettemin is voor dat voorstel geen steun. Het voorstel dat wel op steun kan rekenen, betekent de overgangstermijn van tien jaar. Wij hebben ernaar gekeken en wij hebben het oordeel van de parlementair advocaat goed in onze oren geknoopt. Ik ben ervan overtuigd dat dit wetsvoorstel standhoudt bij de rechter. U denkt daar anders over; dat hebt u duidelijk kenbaar gemaakt. Maar onze inschatting is dat wij hiermee binnen tien jaar een einde kunnen maken aan de nertsenfokkerij, dus zijn wij er een voorstander van.

Voorzitter. Ik wil de indieners bedanken voor de beantwoording in eerste termijn, waarin zij alle vragen die soms boven, maar soms ook wel beneden de gordel waren gewoon keurig hebben beantwoord. Complimenten daarvoor.

Ik roep nog maar even in herinnering dat het zelfs ging over het in de knieën schieten van mensen en of we dat zouden kunnen voorzien omdat dat in de verkiezingsprogramma's van een aantal partijen zou staan. Ik heb de heer Koopmans die dat ter sprake bracht, er nog even aan herinnerd dat de kern van het debat niet ging over wat we zouden kunnen zien aankomen in de samenleving, maar over wat overheidsverantwoordelijkheid is gezien het ondernemersklimaat en de voorzienbaarheid en de rechtspositie van ondernemers. Dat heeft met in de knieën schieten gewoon niet zo veel te maken, tenzij de heer Koopmans doelde op de fabrikanten van wapens die de ene keer wel denken dat zij een grote afzetmarkt hebben omdat we iedereen in de knieën gaan schieten, en de andere keer weer niet. Ik kreeg toch sterk de indruk dat dit niet zijn punt was.

De heer Koopmans (CDA):
Nee. Het punt is natuurlijk -- en ook daar roep ik mevrouw Ouwehand in op -- dat voorzienbaarheid bij de toetsing door de rechter een belangrijk begrip is. Zij moet mijn redenering niet even wegzetten alsof die niet de bedoeling was. Zij gaat er zelf als medewetgever scherp op in hoe het begrip "voorzienbaarheid" in relatie tot het wetsvoorstel gezien moet worden. Het is heel simpel hoor. Als het misgaat, gaat het ook mis bij de rechter en wordt er dik uitbetaald. Dan gaan we een half miljard uittrekken. Dat lijkt mij geen goed idee.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Die voorzienbaarheid hebben wij goed in ogenschouw genomen maar wel gekoppeld aan het ondernemersbelang. De heer Koopmans roept hier zomaar een willekeurig voorbeeld op om die hele discussie te kunnen ridiculiseren. Ik wil de indieners een compliment maken voor de manier waarop zij keurig en professioneel hebben geantwoord en bijvoorbeeld niet hebben gezegd: houd eens op met die gekke praatjes. Misschien had ik dat laatste wel gezegd als ik in vak-K had gezeten.

Voorzitter. Ik wil nog één opmerking kwijt over de opstelling ten aanzien van de principiële kwesties die de CDA-fractie heeft opgeworpen. Als de CDA-fractie af wil van een ondernemersklimaat waarin paddo's gekweekt en verkocht mogen worden, kan ik mij dat voorstellen. Dat kan een principieel uitgangspunt zijn van het CDA. Als de heer Koopmans doet alsof het gaat om ondernemersrecht, wil ik meer duidelijkheid zien in zijn betoog. Zoals wij weten heeft VWS advies ingewonnen over dat mogelijke paddoverbod. Dat luidde dat de gezondheidsschade niet bewezen is en dat een verbod veel te zwaar zou zijn. Het CDA koos er toch voor om van de ene op de andere dag een einde te maken aan het kweken en verkopen van paddo's. Dat mag, maar ga hier dan niet principieel zitten doen over het recht op onderneming en het genot van eigendom. De heer Koopmans had daar in zijn betoog duidelijkheid in moeten scheppen. Ik kan niet anders dan concluderen dat hij voor de ene sector wel en voor de andere sector niet een verbod wil. Zeg dat dan eerlijk en laat hij zich dan niet beroepen op ondernemersrecht.

De heer Koopmans (CDA):
Ter voorkoming van lange en veelvuldige interrupties verwijs ik naar het rapport dat net onderdeel van de Handelingen is gemaakt. In dat rapport wordt uitgebreid ingegaan op tal van casussen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik heb het gezien, maar ik wilde mijn opmerking gemaakt hebben.
Voorzitter. Ik ben blij dat er een Kamermeerderheid is voor dit wetsvoorstel. Dat is in de eerste termijn duidelijk geworden. Ik ben ontzettend blij dat de PVV haar rug rechthoudt, de dierenwelzijnsbelofte waarmaakt en dit wetsvoorstel overtuigend steunt. Ik wil wel een opmerking maken over de minister die twee weken geleden haar ware aard liet zien. Niet alleen heeft zij vanaf de eerste minuut allerlei dreigementen over de Kamer en de indieners uitgestort -- er zouden rechtszaken en schadeclaims komen -- maar ook weigerde zij een onderbouwing te geven voor haar veronderstellingen. Bovendien sprak zij onwaarheden. Ik herinner aan de chinchilla's waarover mevrouw Gerkens al sprak. Toen er sprake was van een verbod op de chincillahouderij, zei de minister dat die niet bedrijfsmatig gehouden worden. Dat is wel degelijk het geval geweest.
Voordat de minister ook maar antwoord had gegeven op de vragen de Kamer in haar richting had gesteld, heeft zij voor de camera's gezegd dat zij het wetsvoorstel niet zag zitten. Zij riep daarbij zelfs: ik zet in op dierenwelzijn en als je dit zomaar verbiedt, houd je niet van nertsen. Ik denk dat de minister de opvattingen van de Kamer niet helemaal op de juiste waarde heeft weten te schatten. Ik vind dat jammer. Ik denk dat er een bescheiden en soms slechts informerende of adviserende rol is voor het kabinet waar het een initiatiefwetsvoorstel van de Kamer betreft. De minister heeft zich daar niet vol overgave aan gewijd. Het is duidelijk dat dit wetsvoorstel bij de minister een gevoelige snaar heeft geraakt.

Dan over de compensatie van de schade. In tegenstelling tot de indieners verwacht de minister wel dat sprake zal zijn van schade voor de nertsenfokkers, die zal worden verhaald op de regering. Ik vraag haar nogmaals waarop zij die verwachting precies baseert.

De heer Cramer (ChristenUnie):
Ik vind dat mevrouw Ouwehand nogal badinerend doet over de bijdrage van de minister. Je kunt iets vinden over de kant die de minister inhoudelijk heeft gekozen, maar het is wel de plicht van de minister om in haar adviserende rol namens de regering te wijzen op risico's die ontstaan op het moment dat een wet wordt aangenomen. Wij kunnen van mening verschillen over de toon waarop de minister dat heeft gedaan, maar mevrouw Ouwehand veegt eigenlijk de hele rol van de minister met één gebaar aan de kant.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Dat ben ik niet met de heer Cramer eens. Ik zeg eerlijk dat ik verbolgen was over de manier waarop we de minister in het NOS Journaal hebben mogen zien. Zij zei tegen de Nederlandse kijker: als je niet van nertsen houdt, ga je ze zomaar verbieden! Wij hechten juist wel waarde aan het welzijn van de nertsen en het was dus een volstrekte ridiculisering van het initiatiefwetsvoorstel. Dat neem ik de minister kwalijk. De heer Cramer heeft mij ook horen zeggen dat ik de minister in vak K beweringen heb horen doen, die zij niet heeft onderbouwd. Daarin zit mijn bezwaar. Als de minister in haar positie als adviseur vanuit het kabinet wil waarschuwen en mogelijke consequenties van het wetsvoorstel onder de aandacht wil brengen, verwacht ik daar een onderbouwing bij. De minister heeft die niet gegeven. Ze heeft haar ongenoegen over dit wetsvoorstel kenbaar gemaakt en op gevaren gewezen, maar ze heeft daarvoor, ook desgevraagd, geen onderbouwing geleverd.

De voorzitter:
U bedoelt waarschijnlijk "adviseur van de Kamer".

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Adviseur van de Kamer, inderdaad.

De heer Cramer (ChristenUnie):
Ik ben blij dat mevrouw Ouwehand haar beweringen iets nuanceert en dat zij meer ingaat op de rol van de minister in dit debat.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Die rol ontken ik niet. Het ging mij om de manier waarop de minister die rol heeft ingevuld. Daar had ik kritiek op.

Mijn volgende punt is de compensatie van de schade. Ik vraag de minister nogmaals waar zij haar veronderstelling op baseert dat er schadeclaims zullen volgen. Ik krijg graag een onderbouwing. Over de zogenaamde welzijnsinvesteringen die zijn gedaan om te voldoen aan de eisen uit de productschapsverordening kan ik zeggen dat die eisen voor een groot deel overeenkwamen met de eisen uit het plan van aanpak uit 1995. In 2003 was al zo'n 25% van de dieren gehuisvest volgens die eisen; mevrouw Gerkens sprak daar al over. Daarnaast is een groot deel van de in Nederland gebruikte kooien pas na de invoering van de eisen aangeschaft. Ook het LEI heeft bevestigd dat de investeringen vooral een gevolg zijn van uitbreiding en nauwelijks van vervanging. Sinds het plan van aanpak in 1995 is het aantal in Nederland gehouden nertsen immers bijna verdubbeld. Heeft de minister reden om aan te nemen dat de afgelopen dertien tot veertien jaar kooien zijn aangeschaft die niet voldoen aan de eisen uit het plan van aanpak en de productschapsverordening? Zo ja, hoe is dat dan mogelijk en waarom is er niet ingegrepen?

Dan blijft er dus nog maar een deel over van de investeringen die nog moeten worden gedaan. Voor dat deel loopt de afschrijvingstermijn nog tot 2018. Zoals in eerste termijn al aan de orde kwam, lopen de berekeningen van de schade sterk uiteen. Het verbaast mij natuurlijk niet dat het CDA uitgaat van het zwartste scenario, gebaseerd op de opgave van de sector zelf. We hebben inmiddels in het rapport van CE Delft kunnen lezen dat we bij de welzijnsinvesteringen spreken over een bedrag van maximaal 11 mln. Ik wil hierbij mijn dank uitspreken aan de indieners voor de bereidheid die zij hebben getoond om open te staan voor eventuele struikelblokken in de Eerste Kamer en te zoeken naar mogelijkheden om ervoor te zorgen dat het wetsvoorstel daar in elk geval niet strandt op dit onderwerp, als het eenmaal door de Tweede Kamer is aangenomen. Ik hoop dat we het wetsvoorstel ook door de Eerste Kamer kunnen loodsen en zonder al te grote schadeposten een eind kunnen maken aan de nertsenhouderij.

Dat het verbod voorzienbaar was, is inmiddels afdoende beargumenteerd. Toen er sprake zou zijn van een verbod heeft de sector nota bene zelf -- dat zeg ik tegen de heer Koopmans -- besloten om de investeringen in het welzijn van de dieren en in de kooien op te schorten. Dan kun je toch niet meer volhouden dat de sector niet zou weten wat er aan zat te komen? Ik herhaal graag wat de parlementair advocaat heeft gezegd: "Uitgangspunt is en blijft dat ondernemers er rekening mee moeten houden dat regelgeving kan wijzigen. Het is duidelijk dat de pelsdierhouders zich daadwerkelijk realiseerden dat hun toekomst onzeker was, ondanks het feit dat het eerste wetsvoorstel was ingetrokken. Gelet op de grote onzekerheid die al die jaren heerste over de toekomst van de pelsdierhouderij in Nederland hebben de pelsdierhouders met de keuze voor voortzetting van het bedrijf en het aangaan van langetermijninvesteringen ons inziens een voor hen kenbaar risico aanvaard".
Ik sluit mij aan bij die analyse.

In eerste termijn refereerde ik al aan de dubbele opstelling van de ChristenUnie op dit dossier. Die partij vindt de afschaffing van de nertsenfokkerij zo belangrijk dat dit punt volgens partijleider Rouvoet terug had moeten keren in het verkiezingsprogramma. De vraag aan de heer Cramer is dan ook waar zijn voorstel voor compensatie is gebleven en wat de ChristenUnie beoogt met het amendement dat wij vanmorgen hebben gezien. Op termijn wordt het aantal nertsenbedrijven beperkt, zo lees ik in de toelichting op het amendement. Dat is toch niet waar de ChristenUnie al die jaren van uit is gegaan? De ChristenUnie wilde toch een verbod op de nertsenfokkerij? De vraag is ook of hier sprake zal zijn van feitelijke onteigening. Mevrouw Gerkens heeft daar ook vragen over gesteld. Mijn vraag is vooral wat de ChristenUnie nu wil. Wil zij ervan af of niet? Als de heer Cramer in zijn amendement schrijft dat met deze regeling is beoogd dat op termijn het aantal nertsenbedrijven afneemt, wat is dan zijn prognose? Waar kunnen wij op rekenen? Ik krijg hier graag nog een toelichting op in de termijn van de heer Cramer.

Ik heb een vraag gesteld over de sloopkosten. De minister wees in haar eerste termijn op sloopkosten van onbruikbare gebouwen die overblijven na bedrijfsbeëindiging. Ik vroeg haar daarop om na te denken over een mogelijke sloopregeling, maar de minister had daar geen zin in. Dat vind ik jammer. Ik heb daar dan ook een motie over gemaakt.

De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat gebouwen die nu worden gebruikt voor de huisvesting van nertsen, onbruikbaar zullen zijn na inwerkingtreding van het verbod op de nertsenfokkerij;
verzoekt de regering, met voorstellen te komen voor een sloopregeling voor het vernietigen van gebouwen en kooien van nertsenhouders,
en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 20 (30826).

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter. Ik heb ook gevraagd of de minister bereid is om zich in te zetten voor een Europees verbod op de nertsenfokkerij. Daar wilde zij niet aan. Ik denk dat het zinnig is om daar een motie over in te dienen.

De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering, zich in te zetten voor een Europees verbod op de nertsenfokkerij,
en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 21 (30826).

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter. Ik heb nog een paar laatste opmerkingen. Nogmaals iets over de vergunningen in het kader van de NB-wet. Wat mij betreft is het relevant om te weten in hoeverre de nu bestaande bedrijfsvoering in strijd is met Europese regels en welke verantwoordelijkheid er nu al jarenlang boven de wetgevers hier in de Kamer hangt. De minister weigert daar duidelijkheid over te geven. Mocht het zo zijn dat verschillende nertsenfokkerijen niet opereren volgens de Nederlandse NB-wet en wij dat hebben toegestaan, dan zal vroeg of laat de belastingbeurs open moeten. De heer Koopmans wierp het verre van zich dat hij de schuld nu zou neerleggen bij de indieners. Ik kan mij echter niet aan de indruk onttrekken dat hij -- de minister doet dat overigens ook -- een eventuele mogelijke schadeclaim op het bordje van de SP, de PvdA en de andere partijen die dit wetsvoorstel gaan steunen, zal schuiven, zodat hij tegen de belastingbetaler kan zeggen: jammer, het geld is op, want wij hebben onverantwoorde wetgeving aangenomen en nu zullen wij moeten betalen.

De vraag voorafgaand aan dit debat is echter welke risico's er zijn dat die belastingbeurs sowieso al open moet. Dan komt het voor rekening van degenen die hier jarenlang de wetsvoorstellen hebben gesteund en de trucjes en de legaliseringsslagen om ervoor te zorgen dat een sector kan blijven opereren, terwijl het volgens Europese richtlijnen in theorie en volgens de uitspraken van de Raad van State zeer waarschijnlijk is dat dat niet kan. Dus als die beurs open moet bij wie ligt dan de verantwoordelijkheid? Ik wil dat hier gememoreerd hebben.
Ik ben buitengewoon teleurgesteld dat de minister geen duidelijkheid heeft willen geven over de NB-wetvergunningen, zodat wij het voorstel op zijn volledige merites hadden kunnen beoordelen. Het stelt mij ook buitengewoon teleur dat het CDA mij niet heeft gesteund in dat verzoek, aangezien het CDA hier nu juist heeft lopen schermen met: opereren in lijn met het Europees recht. Dan zou ik verwachten dat je dan ook op alle vlakken durft te kijken en ook wilt kijken of die Europese richtlijnen wel worden gevolgd.

De heer Koopmans (CDA):
Het betoog van mevrouw Ouwehand klopt niet. Indien een nertsenhouder zijn bedrijf zou uitoefenen zonder een NB-wetvergunning, terwijl hij die wel nodig heeft, is het ingevolge Nederlands recht volstrekt gebruikelijk dat hij die NB-wetvergunning kan aanvragen en dat, als hij voldoet aan de verplichtingen die in die NB-wet staan, hij die vergunning ook gewoon krijgt.
Dat is de rechtspositie die aan de orde is. Dat heeft verder niets te maken met dit wetsvoorstel en de schadeplichtigheid daarin. Het klopt inderdaad dat u, de initiatiefnemers en alle partijen die dit wetsvoorstel steunen, in politieke zin aansprakelijk zijn voor de gevolgen die hieruit ontstaan. Mocht het zo zijn dat dit wetsvoorstel als het hier is aangenomen, ook aan de overkant wordt overgenomen en ook nog wordt voorzien van een handtekening van de regering -- ik heb al gezegd "heb nog maar even plezier", want ik denk dat u het lachen nog wel vergaat -- bent u daar inderdaad volstrekt verantwoordelijk voor. Niemand anders.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik concludeer dat alle uitspraken van de Raad van State die te maken hebben met de veehouderij en de onterechte vergunningverlening, met goedkeuring van de CDA-fractie, een situatie schetsen van rechtsongelijkheid en rechtsonzekerheid. Dit wordt wel een beetje een technisch debat, excuses daarvoor. U zegt dat het de normaalste zaak van de wereld is dat als een nertsenhouder een Nb-wetvergunning moet hebben, hij die aanvraagt. Dat zou het inderdaad moeten zijn, maar onder uw verantwoordelijkheid is tegen de nertsenhouders gezegd dat een milieuvergunning goed genoeg was en dat men geen vergunning hoefde aan te vragen. Het zou niet voor het eerst zijn, mijnheer Koopmans, dat wij vanwege ernstige nalatigheid in de naleving van Europese richtlijnen en de implementatie van de wetgeving en de naleving van de Nederlandse wet toch uiteindelijk rechtstreeks moeten gaan toetsen aan de voorschriften uit de Europese richtlijn ten aanzien van de natuurbescherming. U stuurt daarop aan. U laat het een beetje in het midden en denkt dat u die schadevergoedingen wel kunt wegpoetsen. Dat is een relevant feit voor dit debat. Als de belastingbeurs als gevolg daarvan open moet, ligt dat op uw bordje en niet op het bordje van degenen die nu een einde willen maken aan de nertsenhouderij.

De heer Koopmans (CDA):
Natuurlijk is de wetgever en de uitvoerende macht verantwoordelijk voor wat wij met elkaar bepaald hebben. Wij vinden echter dat wij op dat punt gewoon een andere koers op moeten. Bij een aantal bedrijven die eerder bij de Raad van State een probleem hadden met betrekking tot de onderbouwing is nu een Nb-wetvergunning verleend. Dat is recentelijk weer enkele keren gebeurd. Dat kan dus gewoon. Dan is er in gevolge het Nederlandse recht dus sprake van een volstrekt legale situatie. Wie u in elk geval niet de schuld moet geven van deze situatie en van wat u beschrijft -- want dat doet u eigenlijk -- zijn de nertsenhouders. Zij dragen zeker niet de verantwoordelijkheid daarvoor.

De voorzitter:
Het woord is weer aan mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Nou, ik denk niet dat dat gaat gebeuren, voorzitter. Ik ben ineens helemaal van mijn à propos.

De voorzitter:
Net als de heer Koopmans. Hij is er ook niet blij mee. Gaat u verder.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
De heer Koopmans geeft een verkeerde voorstelling van zaken. De CDA-fractie en het ministerie handhaven de Nederlandse Nb-wet al jaren niet. Dat is wat er aan de hand is. Daarvoor leg ik de verantwoordelijkheid per direct bij u neer, mijnheer Koopmans. Wij moeten maar zien wat daar uitkomt. Als de nertsenhouders door u en het ministerie de hand boven het hoofd gehouden wordt, treft hen in dat opzicht inderdaad geen blaam. Ik wens wel een ander verwijt aan het adres van de sector te maken. De stelling dat zij dit wetsvoorstel niet hadden kunnen voorzien is niet terecht. Het aantal nertsen is bijna verdubbeld ten opzichte van de situatie in 1995 en al die tijd wisten de houders dat er een mogelijk verbod in de lucht hing. Dat verwijt kun je niet heel hard maken, maar alles wijst erop dat er toch enige interpretatie en verwachting heeft meegespeeld dat er misschien een forse uitkoopregeling zou volgen. Ik denk dat de manier waarop de nertsensector is omgegaan met de productschapverordening, de welzijnsinvesteringen, het verbod dat boven de markt hing, het acht jaar wachten en het uitstellen van de welzijnsinvesteringen, te denken zou moeten geven.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD):
Ik heb niet de illusie dat mevrouw Ouwehand mijn mening zal delen, maar ik zou haar toch een vraag willen stellen. Wij hebben de sector gevraagd om veel te investeren in dierenwelzijn. Zou mevrouw Ouwehand zich er ergens een voorstelling bij kunnen maken dat je dan uitbreidt? Dat heet ontwikkeling. Wij zien dat in allerlei sectoren, niet alleen in de dierhouderij. Als er geïnvesteerd moet worden, moet de economische motor draaien. Dat betekent dat er ook ontwikkeld moet worden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik heb al gezegd dat de investeringen in dierenwelzijn acht jaar zijn opgeschort. Ik ben wel blij dat mevrouw Snijder dit punt nog even aanhaalt. Volgens de VVD-fractie is het blijkbaar zo dat, als je vraagt om te investeren in dierenwelzijn -- we weten overigens allebei dat het daarbij niet gaat om werkelijk welzijn, maar om een kleine beperking van de schade die je aanricht aan de dieren: een centimetertje erbij of een raampje in het dak -- …

De voorzitter:
Nu het antwoord op de vraag.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Als het feit dat de Kamer vraagt om welzijnsinvesteringen, meteen betekent dat het aantal gehouden dieren toeneemt omdat die investeringen anders economisch niet mogelijk zijn, laten wij dat dan vooral niet meer doen. Wij moeten het welzijn van dieren vooral benaderen vanuit het beëindigen van het houden van dieren die niet op een welzijnsvriendelijke manier te houden zijn. Dat geldt voor nertsen, konijnen en allerlei andere diersoorten waarvan bekend is dat de welzijnsschade zo groot is dat je die niet met een paar investeringen oplost.

Dank u wel