Bijdrage Partij voor de Dieren debat wets­voorstel verbod op seks met dieren


12 maart 2008

Voorzitter,

Ik wil de indiener danken voor het indienen van het wetsvoorstel voor een verbod op seks met dieren. Het is goed om vast te stellen dat dieren meer en meer de aandacht krijgen die ze toekomt.

Laat ik vooropstellen dat wij elke stap in het tegengaan van het door mensen misbruiken van dieren toejuichen, maar het is wenselijk om daarin consistentie te betrachten en helaas ontbreekt het daar nogal eens aan.

Ik wil kort stilstaan bij de geschiedenis van de bescherming van dieren.
Nederland kent sinds 1886 rechtsbescherming van dieren. Als plicht voor de mens. Het schoppen van een hond zou andere mensen in hun zedelijke gevoelens kunnen kwetsen. Een staatscommissie boog zich in 1870 over de vraag of tegenover de mensenplicht om dieren niet te mishandelen ook een dierenrecht zou kunnen staan om gevrijwaard te worden van mishandeling. Daar voelde de wetgever niets voor. Wezens zonder ziel (en in die tijd behoorden vrouwen daar ook toe) konden geen rechtssubject zijn.

Het duurde tot 1980 toen een ambtenaar op eigen initiatief de nota Rijksoverheid en Dierenbescherming schreef. Hij introduceerde de intrinsieke waarde van dieren, de eigen waarde die ze hebben los van hun nut voor de mens. De nota werd aangenomen door het parlement en daarmee kreeg de eigenwaarde van dieren een wettelijke verankering. Toch leidde de erkenning van de intrinsieke waarde nog niet tot werkelijke bescherming van dieren of de erkenning van dieren als rechtssubject. Flauwe tegenwerpingen dat dieren onmogelijk zelf naar de rechter zouden kunnen gaan werden gemakkelijk weerlegd. Ook zuigelingen hebben immers de nodige moeite met de uitoefening van hun eigen rechten. Maar dat degradeert zie niet tot louter rechtsobject.

Voorzitter, het is belangrijk om helder te krijgen waar nu de kern zit bij het wetsvoorstel dat de indiener voor ogen staat. Gaat het om het veilig stellen van de seksuele integriteit van dieren of gaat het vooral om het beschermen van de menselijke moraal? Dat zijn wezenlijk andere grootheden en hoewel ze raakvlakken kunnen hebben is het van belang het principiële uitgangspunt te duiden. De menselijke zeden als grondslag voor het beschermen van dieren is ouderwets en achterhaald.

Seksuele integriteit van het dier
Voorzitter, we hebben de indiener tijdens de schriftelijke voorbereiding op dit debat gevraagd waarom is gekozen voor een benadering die de zeden centraal stelt en niet de bescherming van het dier. Indiener antwoordde daarop dat beiden van belang zijn. En hij stelt dat het vanwege de bescherming van de belangen van het dier wenselijk is te voorzien in een strafbaarstelling van seks met dieren waarvoor geen benadeling van de gezondheid of het welzijn van het dier hoeft te worden aangetoond. Voorzitter, die stelling onderschrijft de Partij voor de Dieren van harte. Ik denk dat veel mensen zich de zaak nog wel herinneren waarin een 27-jarige man is opgepakt omdat hij ervan werd verdacht in negen maanden tijd maar liefst 45 keer een pony te hebben verkracht. De eigenaar van het dier kon aan verschillende sporen zien wanneer de ponyverkrachter langs was geweest. Maar omdat seks met dieren op dat moment niet verboden was in Nederland, probeerde de politie dan maar bewijs te verzamelen dat de man heeft ingebroken in de schuur waar de pony stond. Een bizarre situatie, waar veel mensen hogelijk verbaasd en verontwaardigd over waren. Terecht, zou ik denken. Seks met dieren moet worden verboden zonder ingewikkelde bewijslast over de schade die het dier ervan ondervindt. Het toepassen van het voorzorgsprincipe heet dat.

Kortom, voorzitter, de indiener heeft behartenswaardige woorden gesproken waarin mijn fractie zich goed kan vinden. Dat geldt ook voor zijn stelling dat, en ik citeer “ook dieren recht hebben op strafrechtelijke bescherming tegen seksueel gaarde inbreuken op hun integriteit.” Maar de vraag is wel of het alleen bij woorden blijft. Want op de keper beschouwd gaat deze wet grote groepen dieren helemaal geen garanties bieden tegen dergelijke inbreuken.

Ieder jaar worden bij 7 miljoen biggen de ballen verwijderd, nog altijd zonder verdoving. Wat betekent zo’n ingreep voor de seksuele integriteit van het betreffende dier? Hoe duiden we de gemechaniseerde voortplantingstechnieken in de veehouderij, waarbij zeugen via een diepgevroren rietje worden geïnsemineerd terwijl een beer slechts buiten hun bereik in de stal wordt losgelaten om hun seksuele vatbaarheid en dus de kans op een omvangrijke worp te vergroten? Wat betekent het voor de seksuele integriteit van koeien dat hun baarmoeders gespoeld worden voor de oogst van hun embryo’s, en voor een stier als Sunnyboy die een miljoen nakomelingen heeft verwekt zonder ooit een koe te mogen dekken?
En wat te denken van genetische manipulatie waarbij jonge muisjes van slechts drie weken oud via een hormoonbehandeling worden gesuperovuleerd om vervolgens te worden gedekt door een veel ouder en zwaarder mannetje? Betrokken wetenschappers geven toe dat het alles weg heeft van verkrachting wanneer het jonge dier angstig wegkruipt om aan haar belager te ontkomen. Om nog maar te zwijgen van het lot dat deze muizen vervolgens wacht: zodra de eitjes bevrucht zijn, worden de dieren gedood en opengesneden. Ook dat noemen we eufemistisch: het oogsten van embryo’s.

Voorzitter, we moeten vaststellen dat de seksuele integriteit van dieren op grote schaal wordt geschonden, elke minuut weer. Ik wil de indiener de indringende vraag stellen waarom al deze dieren niet mogen rekenen op bescherming door de wet die hij vandaag voorstelt. Waarom zouden de genoemde voorbeelden niet in strijd zijn met sociaal-ethische normen? Alleen omdat het ons iets oplevert? Wie de eerbaarheid van een geit schendt op een wijze die “in strijd is met sociaal-ethische waarden” kan tot 1,5 jaar gevangenisstraf krijgen. Maar wie 100 biggen per uur van hun teelballen berooft kan ongestoord haar gang gaan en wordt in veel gevallen zelfs aangemoedigd met Europees subsidiegeld.

Waarom laat de indiener de wettelijk verankerde intrinsieke waarde van het dier buiten beschouwing?

Praktische uitwerkingsproblemen

Voorzitter, het uitgangspunt van de wet is in de ogen van de Partij voor de Dieren fundamenteel onjuist. We voorzien ook problemen ten aanzien van de uitvoering van de wet. Wanneer de bescherming van dieren centraal zou hebben gestaan, zou dat automatisch de deuren hebben gesloten voor gedragingen die de seksuele integriteit van het dier aantasten. Het centraal stellen van de menselijke zeden laat echter ruimte voor een zeer brede interpretatie. Wie daadwerkelijk dieren wil beschermen zal dat niet moeten doen via de lijn van een ontuchtdefinitie die gekoppeld is aan de menselijke beleving van onzedelijkheid, maar via een heldere definitie van wat als seksueel misbruik wordt gezien door de wetgever.

Zo worden onder de delictsomschrijving volgens dit wetsvoorstel alleen handelingen met een seksuele strekking verstaan die in strijd zijn met een sociaal-ethische norm.
Wij horen graag van de indiener hoe die sociaal-ethische normen gedefinieerd worden en of het niet de taak van de wetgever is daarin voldoende duidelijkheid te verschaffen. Wat is de visie van de indiener op de toepassing van de wet in het licht van de ontwikkeling van sociaal-ethische normen door de tijd?

De indiener worstelde zelf ook met onduidelijke definities en begrippen. Zo heeft hij in het gewijzigde wetsvoorstel de term “seksuele handelingen” vervangen door “ontuchtige handelingen”. Daaronder moet in elk geval worden verstaan “het louter beroeren van de geslachtsdelen van het dier, het bevredigen van het dier door de mens zonder geslachtsgemeenschap en de werkelijke geslachtsgemeenschap van mens met dier.” De genoemde handelingen zijn strafbaar, tenzij ze een ontuchtig karakter ontberen, zoals handelingen ten behoeve van de fok. Voorzitter, de indiener maakt het hierdoor wel fokking ingewikkeld.

Iemand kan een dagtaak hebben met het opwekken van zaadlozingen bij stieren, maar ontuchtig vindt de indiener dit als wetgever niet en dus kan dit toch wat eigenaardige beroep gewoon worden uitgeoefend. Kan de indiener nader definiëren op welke moment het “beroeren van de geslachtsdelen van een dier” een “ontuchtig karakter” krijgt en hoe het wetsvoorstel op dit punt gehandhaafd kan worden?

Is het mogelijk dat -met een beroep op het afwezig zijn van ontuchtige gedachten, alsnog dvd’s met dierenporno vervaardigd kunnen worden, bijvoorbeeld door zich te verschuilen achter de noemer ‘kunst’? Breder getrokken kan men de vraag stellen of het hebben van een economisch belang doorslaggevend is voor de vraag of handelingen wel of niet ontuchtig zijn.

Dan over de handhaafbaarheid. We hebben hier al naar gevraagd in het schriftelijk vooroverleg/verslag, maar het is ons nog niet duidelijk hoe de indiener wil garanderen dat met deze (bescheiden) strafmaat de opsporing en vervolging voldoende prioriteit zal krijgen. Deelt de indiener de mening dat de vervolging en opgelegde strafmaat bij overtreding van artikel 36 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren nog veel te wensen overlaat? Dit terwijl de maximale strafmaat bij in deze gevallen het dubbele vormt van hetgeen de indiener bij dit wetsvoorstel beoogt.

De indiener geeft aan dat volwassen mensen in het algemeen zelf kunnen bepalen of ze seksuele contacten aangaan en dat zij hun wil daaromtrent kenbaar kunnen maken. Voor dieren geldt dat niet en daarom zou seks met dieren ter bescherming van het dier strafbaar gesteld moeten worden. Hier is mijn fractie het hartgrondig mee eens. Maar een dier kan ook niet kenbaar maken of het zijn hele leven wil slijten in een circus of dierentuin, of het geïnfecteerd wil worden met de meest afschuwelijke ziekten in het belang van de mens, of het levenslang wil lijden om vervolgens te sterven in de bio-industrie om de mens enkele minuten van orale lustbeleving te bieden. Een koe kan niet aangeven hoe zij het vindt om voortdurend nieuwe kalfjes ter wereld te moeten brengen en die direct na de geboorte kwijt te raken omdat niet het kalfje belangrijk gevonden wordt, maar de melkproductie op gang gehouden moet worden. In die zin houdt het argument van de indiener geen stand dat de onmacht van het dier om de eigen wensen duidelijk te maken, maatgevend zou moeten zijn voor de strafbaarheid van daden die zouden kunnen indruisen tegen de integriteit van het dier. We zouden op dit punt graag nog een reactie krijgen van de indiener.

En een wetgever die consistentie betracht zal er niet omheen kunnen dat inbreuken op de seksuele integriteit van dieren in een bredere context geplaatst moeten worden dan de kleinburgerlijke insteek die de indiener nu kiest.

Voorzitter, ik kan de indiener enigszins geruststellen: hij vindt in de Partij voor de Dieren een bondgenoot. Elk klein stapje vooruit dat de exploitatie van dieren door mensen vermindert, zullen we steunen, zo ook dit wetsvoorstel. Maar een fundamentele bescherming van dieren is het niet, en het zou de indiener sieren als hij daar ook eerlijk voor uitkwam. Het voorliggende wetsvoorstel dat een verbod wil regelen op seks met dieren is bedoeld om de seksuele uitspattingen van mensen te beteugelen en de zeden in het gareel te houden. En passant wordt daardoor een groep dieren –de dieren die we houden voor hobby of gezelschap- beschermd. Dat zou je winst kunnen noemen. Maar de miljoenen dieren die worden gehouden voor productie, experimenten of vermaak hebben er niets aan. En eigenlijk is het bedroevend dat de discussie over de positie van het dier door collega Waalkens 120 jaar terug in de tijd wordt geplaatst. Menselijke zedelijkheidsbeleving opnieuw als uitgangspunt voor de bescherming van het dier, alsof er geen wezenlijke andere kijk op de rechten van dieren ontwikkeld is.

Wellicht solliciteert de heer Waalkens naar de titel Zedenbeschermer van het Jaar. Dat moet hij zelf weten voorzitter, maar met zedenbeschermers schieten dieren bitter weinig op.

Dank u wel.