Bijdrage PvdD aan schrif­telijk overleg LNV: De ontpopping van de insec­ten­sector


26 september 2018

Inbreng Partij voor de Dieren schriftelijk overleg LNV - Zienswijze van de Raad voor dierenaangelegenheden (RDA) betreffende insecten: De ontpopping van de insectensector

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben kennisgenomen van de interessante Zienswijze van de Raad voor dierenaangelegenheden (RDA) over de ontwikkelingen en vraagstukken rond de insectenkweek in Nederland en van de reactie van de minister hierop.
De minister schrijft dat we aan de vooravond staan van een sterke groei van het gebruik van insecten als productiedier. Nu al wordt volgens de RDA door 25 insectenkwekers jaarlijks 500 ton insecten gekweekt voor visvoer en voer voor gezelschapsdieren en hebben de grootste bedrijven de infrastructuur om dit in zeer korte tijd op te schalen naar enkele tientallen tonnen per dag om op de voedingsmiddelen bulkmarkt insecten tegen een concurrerende prijs aan te bieden.
De leden van de Partij voor de Dieren hebben er grote moeite mee dat er een nieuwe vee-industrie is ontstaan die nu bezig is met schaalvergroting en intensivering, waarbij de minister intussen als enige taak voor de overheid lijkt te zien om de sector te faciliteren en belemmerende wet- en regelgeving uit de weg te helpen. Terwijl veel fundamentele vragen nog onbeantwoord zijn. En bovendien de noodzaak van deze sector allerminst vaststaat, in de ogen van de leden. De leden vinden het onbegrijpelijk dat de minister de sector de leidende rol geeft in het proces en tot eerstverantwoordelijke benoemt bij het benaderen van de vraagstukken rond de productie van insecten. Een sector die volop aan het investeren is in de uitbreiding van haar werkzaamheden kan onmogelijk eerstverantwoordelijke worden gemaakt voor de beantwoording van de vraag of hun eigen werk ethisch aanvaardbaar is. De leden horen graag hoe de minister dit voor zich ziet.

Doel en noodzaak
De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren krijgen sterk de indruk dat verduurzaming en het doel om te komen tot een circulaire economie worden gebruikt als bliksemafleider voor het verder optuigen van deze nieuwe bio-industrie die ten dienste staat van de veevoerindustrie. Wanneer de insectenkweek wordt gestimuleerd omdat deze milieuvriendelijker en duurzamer zou zijn dan de veehouderij, terwijl de insectenkweek niet wordt inzet als alternatief voor, maar juist als onderdeel van de veehouderij, is er sprake van opzettelijke misleiding.
De leden lezen in de zienswijze dat het nog onbekend is wat de effecten zijn van daadwerkelijke, regelmatige consumptie van insecten door mens en dier. En ook in hoeverre insecten daadwerkelijk een rol kunnen spelen in de circulaire economie. Zouden deze vragen niet beantwoord moeten worden voordat de sector wordt gefaciliteerd en aangemoedigd om hun activiteiten uit te breiden, vragen de leden zich af.

Eiwittransitie
Kan de minister toelichten hoe de inspanningen om te komen tot nieuwe dierlijke voedselbronnen zich verhouden tot het voornemen om te komen tot een transitie naar een meer plantaardige productie en consumptie?
De RDA stelt dat de kweek van insecten waarschijnlijk minder impact heeft op de biodiversiteit in vergelijking met de traditionele dierlijke eiwitproductie, maar het is de vraag hoe de insectenkweek zich verhoudt tot andere alternatieve eiwitbronnen. Hierover zijn tot dusver geen gegevens beschikbaar. Is de minister bereid in de verdere besluitvorming over insectenkweek een vergelijking met de impact van andere alternatieve eiwitbronnen, zoals peulvruchten, mee te nemen in de afweging? Zo nee, waarom niet?

Uitgangspunten
De RDA formuleert in haar zienswijze een groot aantal zeer relevante vragen, waarvan de antwoorden verregaande consequenties hebben voor de toekomst van de insectenkweek. Zoals de vraag of het voeren van levende insecten aan voor menselijke consumptie gehouden diersoorten vanuit dierenwelzijnsoogpunt ethisch aanvaardbaar is.
En ook de vraag in hoeverre het aanvaardbaar is om ongewervelden voor productie aan te passen door bijvoorbeeld genetische of hormonale technieken, iets dat volgens de RDA al in beeld is bij sommige insectenkwekers. In hoeverre kunnen gekweekte insecten, al dan niet genetisch aan de productie aangepast, een bedreiging vormen voor de (lokale) biodiversiteit?
Wat zijn de risico’s op transmissie van ziekten tussen een kwekerijpopulatie en verwante soorten en/of dieren in de directe omgeving? Met de huidige dramatische afname van insectenpopulaties moeten we geen enkel risico willen lopen, volgens de leden.

De leden vragen de minister te reflecteren op elk van deze vragen.

Dierenwelzijn en de intrinsieke waarde van ongewervelde dieren
Ongewervelde dieren die voor productie worden gehouden, vallen onder de bescherming van de Wet dieren. Hierdoor wordt hun intrinsieke waarde wettelijk erkend. Dit staat al op gespannen voet met een productie die in tonnen gewicht wordt uitgedrukt, in plaats van in aantallen dieren.
De leden vragen de minister hoeveel dieren nu jaarlijks worden gekweekt door de 25 insectenkwekers. En om hoeveel dieren gaat het als de productie wordt opgeschroefd tot tientallen tonnen per dag? Hoe zijn de dieren gehuisvest? Wat zijn per soort de gehanteerde dodingsmethoden?
Kan de minister toelichten hoe het welzijn wordt geïnterpreteerd en geoperationaliseerd wanneer er nog weinig bekend is over het herkennen van behoeftes en welzijnsuitingen van verschillende soorten insecten?

Hoe kan bij een productie op dergelijke schaal worden geborgd dat de dieren zijn gevrijwaard van:

-dorst, honger en onjuiste voeding,

-fysiek en fysiologisch ongerief,
-pijn, verwonding en ziektes,
-angst en chronische stress,
-beperking van hun natuurlijk gedrag?

De leden vragen de minister om uiteen te zetten hoe het toezicht hier op op dit moment is ingericht. Hoeveel controles zijn er in de afgelopen vijf jaar uitgevoerd bij insectenkwekers? Met welke normen en welke indicatoren of welke vragen is hierbij gecontroleerd? Wat waren hierbij de bevindingen?

Totstandkoming beleid
Wat de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren betreft, dienen eerder vermelde fundamentele vragen eerst beantwoord te worden voordat er verdere stappen worden gezet. Zoals de RDA al schrijft, overstijgt de impact van de sector de directe belangen en invloedssfeer van de kwekerijen. Het is bij uitstek aan de overheid om uitspraken te doen over de ethische aspecten van de insectenkweek en om te komen met kaders en randvoorwaarden.
Zal de minister het advies van de RDA opvolgen om een integrale visie en beleid te ontwikkelen op de verdere ontwikkeling van de sector? Zo nee, waarom niet?