Bijdrage SO over uitvoering motie van het lid Ouwehand over een verbod op BPA in voed­sel­con­tact­ma­te­rialen (deel 2)


8 februari 2018

De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de antwoorden van de minister voor Medische Zorg en Sport over de uitvoering van de aangenomen motie Ouwehand over een verbod op BPA in voedselcontactmaterialen.

Naar aanleiding van de beantwoording hebben de leden van de PvdD-fractie nog enkele vragen.

In februari 2017 heeft de Tweede Kamer bij meerderheid verzocht om een totaalverbod in te voeren op de stof BPA in voedselcontactmaterialen. De stof BPA is, zoals de Tweede Kamer op basis van wetenschappelijke onderzoeken ook heeft moeten concluderen, schadelijk voor de gezondheid. Tijdens het VAO Preventiebeleid op 22 februari 2017 heeft de voormalige minister aangegeven dat we snel moeten toewerken naar veilige alternatieven. Zo zei ze: ‘‘Wij moeten tegenover iedereen benadrukken dat we deze switch willen maken, maar we moeten eerst weten wat de alternatieve stoffen doen en of ze niet slechter zijn dan de stoffen die je eruit haalt en die je verbiedt.’’ Daarmee erkende de voormalige minister dat de aanwezigheid van BPA in voedselcontactmaterialen problematisch en ongewenst is. Is de minister dit eens met de voormalige minister?

Op basis van welke wetenschappelijke onderzoeken hebben de voormalige minister, de Europese Commissie en SCoPAFF tox vastgesteld dat veilige niveaus van blootstelling bestaan? Dit vooral, maar niet alleen, ten aanzien van normen voor blootstelling bij kwetsbare groepen zoals ongeborenen en jonge kinderen – ook via borstvoeding. Het voorgaande ook in relatie tot de eisen die worden gesteld aan bewijs voordat stoffen worden toegelaten; zijn deze wel toepasbaar voor hormoonverstorende stoffen of moeten er (eigenlijk) andere vragen/eisen worden gesteld? Welke verbeteringen zijn in het algemeen, dus niet alleen ten aanzien van BPA, aan te brengen in deze regelgeving?

De minister zegt in te zetten op een Europese aanpak. De leden van de PvdD-fractie zijn erg benieuwd naar wat deze inhoud specifiek inhoudt en of deze in het huidige tempo van REACH en hoge bewijslast voor stoffen effectief kan zijn, ook met het oog op mogelijke schadelijke alternatieve stoffen in babyvoeding? Is de minister bereid zich intensiever in te zetten voor een betere aanpak? Zo ja, hoe?

De huidige minister is van mening dat er veilige niveaus van blootstelling bestaan. Begrijpen de leden van de PvdD-fractie goed dat de minister afstand neemt van de beoordelingen van het RIVM van diverse rapporten, waaruit blijkt dat er recentelijk wel degelijk aanwijzingen zijn dat BPA in lage dosering onveilig kan zijn voor ongeborenen en kinderen?[1]

De minister zegt dat Frankrijk het verbod op BPA nog altijd handhaaft. De leden van de PvdD-fractie verzoeken de minister om zich door de Franse autoriteiten te laten informeren over of Frankrijk voornemens is het daar geldende verbod op te heffen.

Ten aanzien van de NVWA geeft de minister aan dat er te weinig capaciteit zou zijn bij de NVWA om te controleren op de naleving van een eventueel verbod. De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat dit met name gelegen is in de forse bezuinigingen op de NVWA in de afgelopen vijftien jaar. De leden van de PvdD-fractie ontvangen graag informatie over hoe andere lidstaten met een (gedeeltelijk) verbod op BPA handhaven en of zij hun BPA-normen zullen verlagen naar de nieuwe in Europa vastgestelde normen.

De Partij voor de Dieren blijft onverkort vasthouden aan het verzoek van de Tweede Kamer om tot een verbod op BPA in voedselcontactmaterialen te komen en zal bij de minister blijven aandringen daar werk van te maken.