Bijdrage Thieme Begroting Buiten­landse Handel en Ontwik­ke­lings­sa­men­werking 2017


9 november 2016

Voorzitter. Nederland is een handelsland. Door onze gunstige ligging en onze koopmansgeest zijn wij een zeevarende natie van kooplieden geworden. We verdienen veel van ons geld ver buiten onze eigen grenzen. Onze voorouders ontdekten nieuwe zeeën, eilanden en continenten. Dat is de VOC-mentaliteit waar we toch met gemengde gevoelens op terugzien.

Maar rijkdom heeft een prijs. We halen grondstoffen uit andere landen. Toen pepers en nootmuskaat en zijde, geproduceerd door mensen die werden afgekocht met kraaltjes en spiegeltjes, als ze geluk hadden. Mensen met minder geluk werden zelf verkocht en tot slaaf gemaakt. Niet alleen mensen elders betaalden de prijs voor onze rijkdom. De natuurlijke leefomgeving degradeerde tot productiefactor. Bossen werden plantages, meren vervuilden, dier- en plantensoorten verdwenen en de dodo, bijvoorbeeld, overleefde de kennismaking met de Nederlanders niet.

Wereldwijde -- toch wel -- strooptochten naar handelswaar hebben ons rijk gemaakt. Nederland is nog steeds een handelsland. Handel maakt ons nu nog steeds tot een van de meest welvarende landen ter wereld. Nog steeds geven we noch onszelf, noch anderen rekenschap van de bronnen van die rijkdom, laat staan van de kosten en verwoestingen die daarmee gepaard gaan. Nederland is na China de grootste importeur van soja wereldwijd. Soja die verbouwd is op plekken waar tropisch regenwoud stond, dat in razend tempo verdwijnt. Oerwouden die CO2 opsloegen, zuurstof maakten, weerpatronen stabiel hielden en voedsel en medicijnen leverden voor de mensen daar, ze zijn verdwenen. Onze handelsgeest transformeerde ongerepte regenwouden tot een woestijn van soja, waar geen dier kan overleven en waar de mensen die ernaast wonen, ziek worden van het gebruik van landbouwgif.

Vanaf de VOC-kant van de wereld, Indonesië, importeren we op grote schaal palmolie, voor onze shampoos, koekjes, ijsjes en brood. Kortom, in ongeveer alles wat wij consumeren, zit palmolie, vaak ook totaal overbodig. De gevolgen zijn bosbranden. Er worden ontzettend veel bossen verbrand om palmolieplantages neer te zetten. Dat heeft een desastreus gevolg voor de soorten die daar leven en voor de mensen die daar wonen en die daar weg worden gejaagd. De bosbranden veroorzaken net zo veel broeikasgassen als de hele economie van de Verenigde Staten.

Ook Afrika is nog steeds de supermarkt van de wereld, waar Nederland hard meedoet aan het hamsteren van goedkope grondstoffen. Vroeger haalden we er slaven vandaan om te werken op de plantages. Nu laten we de slaven daar -- denk aan de chocolade-industrie -- en staan we toe dat mensen worden gedwongen om te werken in levensgevaarlijke mijnen, zonder dat ze er betaald voor worden, en laten we toe dat mensen van het land van hun voorouders worden verdreven om er, voor Nederlandse import, bloemen of graan te gaan produceren, iets wat onze welvaart voedt maar de mensen daar achterlaat met de gevolgen.

Nederland is een handelsland. Ons handelen maakt ons rijk, maar het maakt de wereld als geheel armer. Ik vraag de minister wat zij gaat doen aan de vormen van roofbouw en uitputting die in het kielzog van onze handelsmissies plaatsvinden. Ik vraag de minister te erkennen dat onze rijkdom vooral rust op de zwakste schouders die de wereld kent.

We maken de balans op van twee kabinetten Rutte. Twee kabinetten die er een sport van hebben gemaakt om te bezuinigen op de wereld. We hebben nog geen half procent van ons nationaal inkomen over ontwikkelingssamenwerking. Ontwikkelingssamenwerking is verworden tot een aalmoes, een moetje waar we zo min mogelijk geld aan willen uitgeven. Van die magere halve procent is bovendien een groot gedeelte bestemd voor onze handel. Handel die, om gesubsidieerd te worden, niet eens hoeft te voldoen aan duurzaamheidscriteria, criteria die de negatieve effecten van die handel op z'n minst een beetje inperken. Van die halve procent wordt bovendien een groot en zelfs groeiend deel in ons land zelf uitgegeven aan de opvang van mensen die buiten onze grenzen geen enkele toekomst meer hadden. Was het niet zinniger geweest om te investeren in scholing, voedsel, water, in de landbouw daar? In de emancipatie van de mensen die buiten onze grenzen al op korte termijn de prijs voor onze welvaart voor hun rekening nemen?

Nederland is een handelsland. Daarom zet dit kabinet vol in op het sluiten van handelsdeals met andere landen. Deals die de rijken nog rijker moeten maken. Groei van de handel is goed, want het doet onze economie groeien. Dat is de heilige graal. Maar we weten dat de planeet niet meegroeit. Grondstoffen raken uitgeput en de aarde warmt op door onze eenzijdige focus op groei, terwijl dat niet meer geluk of welzijn oplevert. Het zorgt voor een enorme destructie van onze leefomgeving. De aarde is de grote verliezer van de inzet op vrijhandel, maar zeker niet de enige. De gewone mensen zijn daar ook de dupe van. Wie niet mee kan in het bedrijfsleven, in de race van schaalvergroting en kostenverlaging in deze eenzijdige wereldeconomie, gaat onderuit. Ik heb het dan met name over de familiebedrijven, de boeren, veelal vrouwen in derdewereldlanden.

Ook de boeren in Nederland zijn daar de dupe van. Ze zullen worden geraakt door de import van hormoonvlees, plofkippen en legbatterijeieren via vrijhandelsverdragen, bijvoorbeeld met Amerika en Canada. Het associatieverdrag met Oekraïne en een handelsdeal met Canada en wellicht ook met de VS betekenen de doodsteek voor het agrarische gezinsbedrijf en voor de duurzame landbouw. Alleen de grootste melk- en vleesfabrieken en de multinationals, profiteren daarvan. In de onderhandelingen met Japan, waarmee ook weer een vrijhandelsverdrag op stapel staat, gaat het Nederland niet om het beëindigen van de wrede walvis- en dolfijnenjacht in dat land, maar om de afzet van Nederlands kalfsvlees en veevoer, terwijl we weten dat vlees het meest milieubelastende onderdeel van het voedselpakket is.

TiSA, een handelsdeal gericht op diensten, bedreigt de publieke belangen van ons allemaal op het gebied van onderwijs, zorg en transport in Europa, voor private winsten. Steeds is de inzet van dit kabinet om zo snel mogelijk en zo vergaand mogelijk akkoorden te sluiten, en dan nog achter gesloten deuren ook. De beloofde transparantie in de onderhandelingen wordt maar mondjesmaat gegeven. Ja, achteraf. Ik weet dat deze minister staat voor transparantie, maar ze gaat ondertussen wel akkoord met die achter gesloten deuren gesloten akkoorden. We krijgen alleen achteraf wat inzicht, dus pas na het moment waarop de Europese Commissie haar handtekening heeft gezet, zodat er geen letter meer aan het akkoord kan worden veranderd. Dat hebben we gezien met CETA, waarvoor de moedige Walen van België nog een stokje probeerden te steken. Dat gaan we ook zien met TiSA, het dienstenvrijhandelsakkoord. Volgens het kabinet moet dat akkoord nog dit jaar worden gesloten, terwijl de Kamer en de bevolking geen idee hebben van wat er wordt besproken en wat daarvan de consequenties zullen zijn voor onze werkgelegenheid en voor onze zekerheden van diensten van algemeen nut. Dat is niet in orde en dat gaan we ook niet doen. Wij gaan daar niet mee akkoord en wij zullen ons daar continu tegen verzetten, net als een groeiend aantal Nederlandse burgers, zoals ook te zien was bij het overtuigende "nee" tegen het Oekraïneverdrag.

Nederland is een handelsland. We zullen een fundamenteel debat moeten voeren over welke gevolgen een en ander heeft voor anderen in de wereld. Wie zijn de winnaars en vooral ook: wie zijn de verliezers van deze handel? De minister sprak eerder over een reset in de onderhandelingen over vrijhandelsakkoorden. Ik daag haar in de laatste maanden van dit kabinet uit om dat ook werkelijk te gaan doen en om dat noodzakelijke, fundamentele debat over de effecten van vrijhandel op mens, dier, natuur en milieu op gang te brengen.

Is het wenselijk dat Nederland nog meer bio-industrievlees invoert of exporteert? Of beschermen we onze boeren, door dezelfde eisen te stellen aan de importproducten als die worden gesteld aan onze binnenlandse producten? Is het wenselijk dat Europa zijn grenzen opent voor teerzandolie uit Canada, de meest destructieve vorm van fossiele energie die er bestaat en die dankzij een vrijhandelsakkoord als CETA gewoon op de Europese markt terechtkomt? Of zetten we volop in op duurzame energie van eigen wind, zon en water? Is het wenselijk dat onze importtarieven ervoor zorgen dat Afrika een grondstoffenleverancier blijft, omdat grondstoffen veel lagere importtarieven kennen dan verwerkte producten? Of helpen we Afrika op eigen benen te staan door hun een eerlijke kans te geven om een eigen landbouweconomie te ontwikkelen? Is het wenselijk dat Nederland grote bedrijven in staat stelt om onder het betalen van belasting in ontwikkelingslanden uit te komen via een brievenbusfirma op de Zuidas in Amsterdam? Of zetten we in op een eerlijke afdracht van belastingen? En is het wenselijk dat onze zorg, ons onderwijs, onze voedselvoorziening --allemaal mensenrechten-- steeds meer in handen van een handjevol multinationals komen? Of zeggen we: daar gaan wij met zijn allen over; dat recht blijft bij de boeren, bij de consument? Stoppen we met de marktwerking in de zorg en in het onderwijs, juist omdat we vinden dat die fundamentele voorzieningen moeten blijven? Is het wenselijk dat bedrijven het recht hebben om democratisch tot stand gekomen regels aan te vallen via private rechtbanken en miljardenclaims? Dat recht krijgen ze door die vrijhandelsverdragen. Of kunnen we nog vertrouwen op onze eigen democratie en onze rechtsstaat?

Dat zijn vragen waarop een antwoord moet komen en waar we in deze Kamer veel te weinig bij stilstaan. We hebben het altijd simpelweg alleen over de begroting en de cijfers die achter de komma al dan niet omhoog of omlaag moeten. We moeten als politici een fundamenteel debat voeren over de richting die we met dit land op willen. Willen wij ten koste van andere landen wel handel drijven? Of moeten wij ons niet veel meer gaan richten op regionale productie die duurzaam is? Ik denk dat het een zegen voor de wereld zou zijn om daarop in te zetten in plaats van dat wij met onze agressieve exportstrategie proberen een paar dubbeltjes te verdienen ten koste van dieren, boeren en milieu. Ik zou met de minister heel graag daarover het debat willen aangaan, en ik geloof dat we dat morgen gaan doen.

Voorts ben ik van mening dat er een einde moet komen aan de bio-industrie.