Bijdrage Van Kooten aan AO IVD-aange­le­gen­heden


8 oktober 2018

Voorzitter,

In rapport 56, het rapport van de CTIVD over multilaterale gegevensuitwisseling, wordt geconcludeerd dat de burger beter beschermd moet worden bij het delen van informatie met buitenlandse diensten en dat er niet altijd gecheckt is of landen wel zorgvuldig met onze informatie omgaan. Dat waren nu juist de zorgen die leefden over de sleepwet. Zijn onze informatie en onze privacy wel veilig? Zijn er wel genoeg waarborgen? De minister verzekerde ons dat dit het geval was, terwijl ze een zeer kritisch CTIVD-rapport in haar bureaula had liggen. Dit is een van de weinige stukken die niet gelekt is voordat ze gepubliceerd werden. Sterker nog, er is alles aan gedaan om dit rapport over het referendum met als onderwerp de sleepwet, de Wiv 2017, heen te tillen.

De planning was om dit rapport voor het referendum openbaar te maken, zo blijkt uit de gewobde stukken, maar de timing was zogenaamd slecht. Waar was de minister precies bang voor? Dat het volk een mening zou gaan vormen op basis van de feiten, omdat niet alleen een groot gedeelte van de Kamer maar ook onze toezichthouder een vraagteken had gezet bij het delen van onze gegevens met het buitenland? De minister grijpt datzelfde buitenland aan om te verantwoorden dat het zo laat verstuurd is. We hebben allemaal kunnen lezen in de WOB-documenten die door Nieuwsuur zijn verzameld dat onze buitenlandse partnerdiensten al in november 2017 konden schieten op het rapport van de CTIVD. Als zij dat toen al gedaan hebben, waarom denkt de minister dan dat ze met het smoesje weg kan komen dat we in maart op diezelfde buitenlandse partners hebben moeten wachten? In de WOB-documenten staat dat het rapport, nadat het door de minister is ingezien, op een paar kleine puntjes is gewijzigd. Een paar kleine puntjes lijken mij niet voldoende om alle buitenlandse partners wederom om toestemming te vragen en daarmee de publicatie van het rapport over het referendum heen te tillen. De minister schrijft in haar Kamerbrief: "Onderling vertrouwen in het inlichtingendomein is van cruciaal belang." Even verderop: "Het vertrouwen en de samenwerking zouden worden geschaad." De minister had eigenlijk moeten schrijven: "Onderling vertrouwen tussen de minister en de burgers van Nederland is van cruciaal belang." De burgers van Nederland hebben haar het mandaat gegeven, eigenlijk indirect, om deze functie uit te voeren. Ze moeten vertrouwen hebben in deze minister. In plaats van bang te zijn dat onze grote broers, het buitenland, haar op de vingers zouden tikken, zou ze naar de burgers transparant moeten zijn. Natuurlijk moet zo'n rapport in zijn geheel openbaar, want het is van invloed op de burgers in heel Nederland. En natuurlijk moet zo'n rapport op tijd naar de Kamer komen, zodat wij ons werk hier kunnen doen. Daar zouden de prioriteiten van deze minister moeten liggen, niet bij de gevoelens van onze buitenlandse partnerdiensten. Waarom denkt de minister dat wij enig begrip hebben voor de gevoelens van onze buitenlandse vrienden als een democratisch instrument als het referendum voor de deur staat?

Natuurlijk begrijp ik het wel van deze minister: na het duidelijke nee bij het referendum over de Europese grondwet en het duidelijke nee over het associatieverdrag met Oekraïne, kon de regering niet nog een keer een duidelijk nee krijgen, vooral omdat de kiesdrempel zeker gehaald zou worden in verband met de gemeenteraadsverkiezingen. Maar in de slangenkuil van het coalitieakkoord waarin D66 zich bevindt, bijt deze slang zich ook deze keer weer in zijn staart, want de storm is niet gaan liggen na het referendum. Partijen van links tot rechts spraken hun onvrede uit over deze gang van zaken. Ook journalisten vonden het zaakje stinken. Als journalisten nog dieper gaan graven, zijn wij bang dat er nog meer naar boven gaat komen. Helaas gaat het hier om veiligheidsdiensten en zal veel onder het hoofdstukje "staatsgeheim" komen te vallen, waardoor we nooit de gehele waarheid naar boven zullen krijgen. Zo zal de minister wederom wegkomen met het vergooien van onze democratie. Of is de minister bereid om ruim voor de begrotingsbehandeling van Binnenlandse Zaken — ik zeg: volgende week — te komen met een tijdlijn met een exacte toelichting op wat er nou precies heeft plaatsgevonden, welke dienst voor het laatst heeft gereageerd en wat er nou zo belangrijk was om niet te riskeren dat de leden van de Tweede Kamer en de burgers van Nederland verkeerd en op z'n minst veel te laat zijn geïnformeerd?

Het laatste punt dat ik wil maken, is meer een procedureel punt. Het steekt mij dat de minister vindt dat ze weg kan komen met een wettelijke termijn, dat ze zegt dat ze een rapport binnen zes weken moet publiceren en dat ze vervolgens in de Kamerbrief van 10 april schrijft dat ze dicht bij de deadline blijft, terwijl ze toch te laat was. De wettelijke procedure is geschonden en wordt door de ministeries steeds vaker geschonden. Daar staat geen enkele sanctie tegenover. Kamervragen worden eigenlijk standaard te laat beantwoord. Als er een wettelijke termijn ligt van zes weken, wordt daar bij zo'n belangrijk rapport blijkbaar ook nog vijf dagen overheen gegaan. Dat is gewoon te laat. Onder andere daarover wil ik een motie indienen.