Bijdrage Wassenberg aan AO Mijnbouw


11 oktober 2018

Voorzitter, ik begin mijn betoog niet met de recente uitspraak in de Urgendazaak, niet met het IPCC-rapport over de klimaatverandering, maar nog iets eerder, op Prinsjesdag. Die dag, waarschuwde de deltacommissaris dat in Nederland de Waddenzee, een uniek natuurgebied in de wereld, als eerste verloren dreigt te gaan door klimaatverandering.

En de regering kiest er voor om juist onder die Waddenzee fossiele brandstoffen te blijven winnen. We moeten voorkomen dat de bodem onder de Waddenzee verder daalt, net zoals we moeten voorkomen dat de zeespiegel verder stijgt. Dus in het belang van de Waddenzee moeten fossiele brandstoffen in de bodem blijven. De Partij voor de Dieren wil geen nieuwe vergunningen voor gaswinning onder of naast de Waddenzee, zoals nu gepland bij Ternaard. Ik vraag de minister: erkent hij dat de Waddenzee kwetsbaar is vanwege bodemdaling en zeespiegelstijging? En erkent hij dat gaswinning daar in strijd is met de recente rechterlijke uitspraak in de Urgenda-zaak?

Voorzitter, in Nederland zijn de gevolgen van de gaswinning inmiddels ook buiten Groningen breed bekend, maar er zijn meer vormen van mijnbouw, zoals zoutwinning. Het Staatstoezicht op de Mijnen heeft dit jaar een rapport uitgebracht over de risico’s van zoutwinning. Daaruit blijkt dat de risico’s voor bewoners en omgeving vaak onbekend zijn of worden onderschat, zeker voor de lange termijn.

Voorzitter, we moeten erkennen dat we geen werkelijk zicht op de risico’s hebben; we baseren ons op theoretische modellen die los staan van de praktijk. Er wordt te veel besloten op grond van aannames in plaats van kennis. Vervolgens zeggen de zoutbedrijven en het ministerie; “niets aan de hand, alles onder controle! En gaat er iets mis: ‘hand-aan-de-kraan’, dan stoppen we gewoon.’ Voorzitter, op papier is dit een briljant idee. Maar in de praktijk werkt dit helemaal niet. Tijdens een recente hoorzitting over de zoutwinning noemde een deskundige, met meer dan 30 jaar ervaring bij de delfstoffenwinning, het hand-aan-de-kraan-uitgangspunt ‘boerenbedrog’. Het werkt niet, niet bij voorziene en niet bij onvoorziene gebeurtenissen. Ook als de winning direct stopt, kunnen bodemverzakkingen en lekkages nog lange tijd optreden.

Voorzitter, in 2015 al stelde de OVV dat onzekerheden onlosmakelijk verbonden zijn aan activiteiten in de diepe ondergrond. Mijnbouw kan nooit gegarandeerd veilig plaatsvinden.

Niet het hand-aan-de-kraan-principe moet leidend zijn, maar het voorzorgsprincipe: bij twijfel geen winning. Want voorzitter, door de zoutwinning zitten veel huishoudens in de problemen. Er worden fouten gemaakt die ook gemaakt zijn bij gaswinning. Bodemdaling, risico’s die categorisch worden onderschat, schade aan woningen, bedrijven die alle betrokkenheid ontkennen, we zagen het bij de gaswinning, we zien het bij de zoutwinning.

Voorzitter, bij de gaswinning heeft de regering lange tijd grove fouten gemaakt. De minister noemde dat eerder dit jaar overheidsfalen van on-Nederlandse proporties. Voorzitter, dat siert de minister. Laten we daarom lessen trekken uit de gemaakte fouten en laten we alsjeblieft herhaling voorkomen als het om zoutwinning gaat.

We hoorden bij de hoorzitting over zoutwinning dat er nauwelijks meer vertrouwen is in de overheid. Dat bewoners zelf moeten aantonen wat de oorzaak van hun schade is en dat ze daarbij van het kastje naar de muur worden gestuurd. De risico’s worden niet overzien, schade wordt niet gecompenseerd, en ondertussen wordt er gewoon doorgepompt. Daar mogen we ons toch niet bij neerleggen? Ook op het land moeten we het voorzorgsprincipe hanteren. Bij twijfel niet doen. En ook bij zoutwinning moet zo snel mogelijk een omkering van de bewijslast komen, niet de bewoner moet bewijzen dat de schade door de zoutwinning komt, maar de exploitant moet bewijzen dat het NIET door de winning komt.

Via de zoutwinning kom ik nog even terug op de Waddenzee. Want ook bij zoutwinning onder de Waddenzee zijn de risico’s groot. De bodem zal er extra door verzakken en daarnaast is het risico op diesellekkage groot. Voor de zoutwinning wordt via ondergrondse leidingen dieselolie naar de cavernes gepompt. Door de bodemdaling kunnen de dieselbuizen scheuren, met alle gevolgen van dien. Dat hebben we in april gezien in Veendam; daar lekte grote hoeveelheden diesel weg na een scheur in een zoutput. Diesel is rampzalig voor het milieu. De Partij voor de Dieren vindt dat het gebruik van dieselolie bij de zoutwinning zo snel mogelijk moet stoppen. Als er iets misgaat, zijn de gevolgen veel te ernstig.

En vanwege de risico’s op vervuiling met diesel en pekel is de Partij voor de Dieren tegen de geplande zoutwinning onder de Waddenzee . Graag een reactie van de minister. Erkent hij de gevaren? Ziet hij ook hoe diesel en pekel en bodemdaling de Waddenzee kunnen bedreigen?

Voorzitter, ik eindig met de methaanuitstoot door de aardgasproductie in Groningen. Uit internationaal onderzoek, waar ook ons eigen TNO aan meewerkte, blijkt die uitstond veel groter te zijn dan werd aangenomen. En dat is slecht, want methaan is een zeer sterk broeikasgas, vele malen krachtiger dan CO2. Hoe kan het nu dat we die methaanuitstoot altijd zo hebben onderschat? Omdat die uitstoot tot op de dag van vandaag niet structureel wordt gemeten, maar berekend en geschat. En tussen theorie en praktijk blijkt dus een groot verschil te zijn. TNO stelt, ik citeer: “We dachten te weten hoe het zat met die methaanuitstoot. En nu blijken we juist heel weinig te weten”. Het is volgens de onderzoekers zo goed als zeker dat door de lekken veel meer methaan in de atmosfeer terecht komt dan eerder was aangenomen op grond van berekeningen.

Ruim twee maanden, op 7 augustus, stelde ik vragen aan de minister over de methaanuitstoot. Vandaag, twee uur en een kwartier vóór aanvang van dit debat ontving ik de antwoorden in twee brieven. Ik wil allereerst van de minister weten: vindt hij dit een redelijke termijn? Om vragen pas na 65 dagen te beantwoorden, 2 uur vóór aanvang van een debat? Dan inhoudelijk: de minister vindt dat de methaanuitstoot het beste kan worden vastgesteld door objectieve en controleerbare metingen in combinatie met berekeningen en schattingen. Maar voorzitter, bij dat laatste gaat het dus mis. Berekeningen en schattingen zijn een theoretische exercitie. Als de feiten, en de feiten zijn de metingen, als de feiten anders zijn dan de theorieën voorspellen, dan kloppen die theorieën niet. Dan moet je daar niet aan vasthouden, ook zijn ze gebaseerd op internationaal erkende methoden. Voorzitter, wat ik wil is een landelijk meetprogramma, noem het een Nationaal Meetprogramma Methaan, waarin structureel en landelijk naar de uitstoot en lekkage van methaan wordt gekeken.

Is de minister bereid om een landelijk meetprogramma in te stellen naar de Nederlandse methaanemissies en -lekkages? Hoe vordert het beleid om de methaanemissie van de olie- en gasindustrie in Nederland te verlagen, reeds toegezegd in 2017? Worden er daarbij ook gerichte maatregelen genomen voor het tegengaan van met methaanlekkages uit boorgaten in de Noordzee?