Bijdrage Wassenberg AO Genees­mid­de­len­beleid (proef­dieren)


22 november 2017

Voorzitter. Verschillende sprekers hebben al gesproken over het geneesmiddel voor patiënten met taaislijmziekte, Orkambi. Dat kan ik dus schrappen. Inmiddels wil een Haagse apotheker zelf dat medicijn maken. Dat lijkt de Partij voor de Dieren een goed idee. Binnen bepaalde grenzen mag het ook. Het valt alleen te verwachten dat de fabrikant het een minder goed idee vindt en met juridische stappen gaat komen. Mijn vraag, die ook door andere partijen al gesteld is, is: ziet de minister voor zichzelf een rol weggelegd om die Haagse apotheker te steunen? Dat vinden wij namelijk erg belangrijk.

Voorzitter. Vandaag spreken wij ook over het advies van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving. Dat staat vandaag op de agenda. Het advies heeft als ondertitel: beter, sneller en goedkoper. Ook voor de Partij voor de Dieren zijn dat prima doelstellingen. Mag ik daar nog een vierde aan toevoegen? Namelijk: met minder proefdieren. Dat was ook een van de doelstellingen van het vorige kabinet. Ik kom erop omdat ik in het advies van de raad veel lees over het gebruik van proefdieren voor de ontwikkeling van medicijnen. Als je het rapport goed leest, zie je dat proefdiergebruik de achilleshiel van de medicijnontwikkeling is, of een van de achilleshielen. Dat proefdiergebruik, en de wijze waarop dit is vastgelopen, is een van de redenen waarom medicijnen zo duur zijn, zo schrijft de raad. Ik neem dus de vrijheid om me op deze delen van het advies te richten.

Voorzitter. Voordat ik dieper op het rapport of het advies inga, wil ik een vraag stellen aan de minister. Deelt dit kabinet de ambitie die door het vorige kabinet is geformuleerd, namelijk dat Nederland in 2025 wereldwijd koploper wil zijn op het gebied van onderzoek zonder dierproeven?

Voorzitter. Dit advies stelt onomwonden dat de laboratoriummuis een slechte voorspeller is. Het laat ook zien hoe weinig een dierproef kan betekenen voor patiënten. In het rapport wordt als voorbeeld het alzheimeronderzoek genoemd. Het slagingspercentage in de periode 2002-2010, dus een periode van bijna tien jaar, van middelen tegen de ziekte van Alzheimer bedroeg 0,4. 0,4%! Dat betekent dat 99,6% niet heeft gewerkt, dat die experimenten mislukt zijn, geen waarde hebben en misschien zelfs de onderzoekers op het verkeerde been hebben gezet. Bij de ontwikkeling van andere medicijnen met proefdiermodellen zie je vergelijkbare cijfers. Soms zijn ze iets hoger, maar minder dan 10% is succesvol.

Voorzitter. Twee maanden geleden hebben we met een andere commissie een rondetafelgesprek gehad over de ontwikkeling van proefdiervrije onderzoeksmethoden. Alle wetenschappers waren kritisch over de waarde van dat proefdieronderzoek voor bijvoorbeeld de ontwikkeling van medicijnen. De ene was wat strenger dan de andere, maar iedereen was het erover eens dat proefdieren onterecht gezien worden als de gouden standaard. In veel gevallen waren ze eerder een deel van het probleem dan van de oplossing. Een dier is geen mens, maar slechts een modelsysteem, zoals de onderzoekers zeiden. De onderzoekers spraken niet over muizen als een verkeerd modelsysteem voor de mens, nee, ze spraken over dieren als een verkeerd modelsysteem. De onderzoekers pleitten voor het bedenken van betere modelsystemen, niet voor het bedenken van betere proefdiermodellen. Dat vind ik erg belangrijk.

Ook de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving is kritisch op het proefdiergebruik. En dan gebeurt er ineens iets onbegrijpelijks en onverklaarbaars. De raad zegt: onderzoek met proefdieren leidt te vaak tot niets, dus laten we andere proefdiermodellen ontwikkelen. Maar dat is natuurlijk volstrekt in tegenspraak met de wetenschappelijke inzichten. Het is volstrekt in tegenspraak met de ambitie van het kabinet en zeker zo belangrijk, het is volstrekt in tegenspraak met het belang van patiënten om goede en betaalbare medicijnen te kunnen krijgen. Het allerslechtste wat we nu kunnen doen is zeggen dat we tientallen jaren slechte ervaringen hebben met proefdiergebruik — natuurlijk zijn er ook successen geweest, maar er zijn ook heel veel mislukkingen — en dat we daarom voortgaan op de ingeslagen weg. Ik garandeer dat we, als we deze raad opvolgen en andere proefdiermodellen ontwikkelen, meteen een datum kunnen prikken voor een nieuw overleg over tien jaar, want dan kunnen we opnieuw spreken over de mislukte proefnemingen, over valse hoop voor patiënten en over gefnuikte ambities.

Voorzitter. Eerder noemde ik de ambitie van het vorige kabinet om Nederland in 2025 wereldleider te laten zijn op het gebied van proefdiervrije innovaties. Er kunnen wel degelijk flinke stappen worden genomen, maar dan moet de overheid een sterke regierol nemen. Dat was de conclusie uit het rondetafelgesprek. We helpen patiënten aan betere en goedkopere medicijnen als we onze fixatie op dat proefdiergebruik als zaligmakend en als de gouden standaard los durven laten.

Ik sluit af, voorzitter. Erkent de minister dat dit vasthouden aan proefdiermodellen enerzijds bijdraagt aan de extreem hoge kosten van het ontwikkelingsproces van nieuwe medicijnen en dat dit anderzijds vaak valse hoop biedt? Erkent de minister dat het vervangen van de ene dierproef door de andere eigenlijk voortmodderen op de verkeerde weg is?

Beantwoording minister

De heer Wassenberg (PvdD):
Ik heb ook een vraag over veranderende systemen. Ik hoop dat de minister die wel kan beantwoorden. De minister citeert met instemming de RVS, die zegt dat er onorthodoxe methoden nodig zijn om medicijnen betaalbaar te noemen, zoals dwanglicenties en bereiding door apothekers. Maar dan heb je het over medicijnen die eenmaal ontwikkeld zijn. Is de minister het met me eens dat er ook een onderliggend probleem is? Het gaat niet alleen over medicijnen die eenmaal ontwikkeld zijn, maar ook over de ontwikkeling van medicijnen. De RVS zegt: een slagingspercentage van 0,4% tot 9,6% is erg laag. Is de minister het met me eens dat we misschien naar andere systemen moeten gaan kijken om die test te ontwikkelen, zodat ze, als ze ontwikkeld zijn, geproduceerd kunnen worden? En vindt hij dat we ook moeten kijken naar vervanging — wat op een gegeven moment ook de RVS zegt — en naar andere manieren dan proefdiergebruik om medicijnen te maken, en dat we niet zo dwangmatig moeten kijken naar de manieren waarop we het al 60, 70 jaar doen en die nu eenmaal, helaas, anno 2017 mislukt lijken te zijn?

(…)

Minister Bruins:

Dan de vraag van de heer Wassenberg over de proefdieren in het RVS-rapport. Nederland is koploper bij onderzoek zonder dierproeven. Ik moet hier toch echt verwijzen naar het ministerie van Landbouw. Dat ministerie werkt aan een transitie naar dierproefvrije innovaties. De ambitie is om in de toekomst dierproeven te vervangen door nieuwe technologie, zoals computermodellen met big data, organs-on-a-chip of gekweekte mini-organen. Zoals gezegd, de verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij mijn collega van Landbouw.

De heer Wassenberg (PvdD):
Voorzitter, ik wil een punt van orde maken. Ik heb een vraag aan de minister. Wie heeft dit rapport Ontwikkeling nieuwe geneesmiddelen naar de Kamer gestuurd? Was dat de minister van Landbouw of was dat de minister voor Volksgezondheid?

De voorzitter:
Ik vind dat eerlijk gezegd geen punt van orde. De minister is nu klaar met de beantwoording. Mevrouw Bergkamp en u hebben aangegeven dat u nog een vraag had. U heeft nog een interruptie, dus ik geef u het woord om die vraag te stellen.

De heer Wassenberg (PvdD):
De vraag is wie dit rapport naar de Kamer heeft gestuurd. Ik moet de minister eerst corrigeren. Hij zei dat proefdieren vallen onder de minister van EZ. Dat is niet waar. Dat was in de vorige situatie, maar tegenwoordig is dat de minister van Landbouw, dus dat corrigeer ik even. We hebben van de minister een rapport gekregen, waarvan 10% van de inhoud gaat over proefdieren. Dan is het helemaal niet raar dat ik er een vraag over stel. Ik vind het een beetje een jij-bak om te zeggen: ik heb dat rapport naar de Kamer gestuurd, maar een andere minister kan die vragen beantwoorden. De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving heeft een heel kritisch oordeel over dierproeven en over de wijze waarop die misschien zelfs tot heel verkeerde resultaten kunnen leiden. Ik stelde daarover een vraag aan de minister. Dan vind ik het wel heel erg raar dat de minister zegt: daarvoor moet u niet bij mij zijn.

Minister Bruins:
Dat klinkt ook een beetje afschuiverig maar zo is het helemaal niet bedoeld. Ik heb u dat rapport toegezonden, maar als u vraagt om een reactie van het kabinet op dit aspect, moet ik u echt zeggen dat die reactie niet uit mijn mond zal klinken, maar uit de mond van de collega van Landbouw.

De heer Wassenberg (PvdD):
Volgens mij zou de minister een vraag wel moeten kunnen beantwoorden. Er wordt heel duidelijk gesproken over de invloed van de farmaceutische industrie als het gaat om de prijs van de medicijnen; wat daaraan zou moeten gebeuren; welke onorthodoxe maatregelen. De kern van de vraag die ik heb gesteld betreft het volgende. Er ligt nog een laag onder die prijsafspraken en de manier waarop de farmaceutische industrie werkt, namelijk dat medicijnen überhaupt moeizaam tot ontwikkeling komen. Ik heb gevraagd of de minister het met mij eens is dat dit niet alleen een probleem van de farmaceutische industrie is, maar dat de modellen om tot die medicijnen te komen misschien ook anders moeten worden opgesteld.

De voorzitter:
Uw punt is duidelijk. Ik geef de minister de gelegenheid om daarop te reageren, maar de minister gaat over zijn eigen antwoord.

Minister Bruins:
De heer Wassenberg spreekt over een laag eronder. Ik zou niet precies weten waar die vraag naartoe gaat. Daarvoor heb ik te weinig kennis over dat onderwerp. Ik wil mij best verdiepen in die materie, en als er een aspect aan zit dat voor VWS van belang is, wil ik u daarop ook nader antwoorden. Dat mag best op het toezeggingenlijstje, maar voorshands ga ik er toch van uit dat u het antwoord op de belangrijkste vraag die u stelt, van Landbouw moet krijgen.

De heer Wassenberg (PvdD):
Voorzitter. Ik zou de minister graag bedanken voor zijn antwoorden, maar ik heb alleen geen antwoord gehad. Dit rapport is door de minister van Volksgezondheid vorige week naar de Kamer gestuurd, door deze minister dus en niet door zijn ambtsvoorganger. Als ik een aantal kleine zinnen uit dat rapport lees, dan begrijpt u misschien mijn lichte wrevel. Op pagina 27 en 28 staat: "Verreweg de grootste kostenpost bij de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen vormt het zeer grote aantal mislukkingen. Slechts één op de 24 new molecular entities (NME’s) haalt de eindstreep." En: "Het slagingspercentage in de periode 2002-2012 voor middelen tegen de ziekte van Alzheimer bedroeg 0,4%." En: "De vraag rijst waarom zo veel middelen falen. Er zijn verschillende oorzaken aan te wijzen. Een belangrijke factor is het feit dat er een groot gebrek aan kennis is over de oorzaak van ziekten en aan kennis over het exacte werkingsmechanisme en potentiële bijwerkingen. (…) Met behulp van diermodellen, meestal muizen, tracht men deze te ontrafelen. Deze diermodellen blijken echter het ziekteproces in de mens vaak niet goed te modelleren. (…) Waarom is de laboratoriummuis zo’n slechte voorspeller?" Zo gaat het pagina's voort. Ik heb hier vragen over gesteld aan de minister. Als hij zegt "ik ben nog nieuw en ik kan er niet direct een antwoord op geven, want ik zou het moeten afstemmen met mijn collega van Landbouw", zou ik me dat nog kunnen voorstellen. Maar ik neem er geen genoegen mee dat hij het allemaal een-op-een doorstuurt naar de minister van Landbouw. Ik heb de vraag aan déze minister gesteld. Dit rapport is onder zijn verantwoordelijkheid geschreven en niet onder die van de minister van Landbouw. Ik wil hier later nog een goede, inhoudelijke reactie op van deze minister. Dat kan schriftelijk, maar ik wil die wel.

De voorzitter:
Die toezegging heeft u ook. Ik zal die straks ook opnoemen in het rijtje. Het woord is tot slot aan mevrouw Ellemeet.

Toezeggingen

De Kamer zal voor wat betreft het VWS-aspect naar aanleiding van de vraag van de heer Wassenberg over dierproefmodellen in het RVS-rapport schriftelijk worden geïnformeerd.