Inbreng PvdD schrif­telijk overleg Landbouw- en Visse­rijraad op 15 juli 2019


8 juli 2019

Inbreng Partij voor de Dieren schriftelijk overleg - Landbouw- en Visserijraad op 15 juli 2019

Vervolg bijenrichtsnoer

De Partij voor de Dieren-fractie bedankt de minister voor het toesturen van enkele stukken die betrekking hebben op pesticiden en de vaststelling en de invoering van het bijenrichtsnoer. De stukken roepen wel de nodige vragen op. Ook heeft de Partij voor de Dieren vragen over de uitvoering van de aangenomen motie-Ouwehand die de regering verzoekt zich in te zetten voor de benodigde aanscherping van de bestaande Europese methoden voor de beoordeling van pesticiden, en dus voor inwerkingtreding van het bijenrichtsnoer als geheel (zoals in 2013 gepresenteerd door EFSA), inclusief de tests op het gebied van chronische toxiciteit en de gevolgen voor solitaire bijen en hommels, uiterlijk eind 2019. En ook zijn er nog steeds vragen over het feitenrelaas dat de minister aan de Kamer heeft gestuurd (waarvoor nogmaals dank)

Feitenrelaas

Pas nadat de Partij voor de Dieren-fractie de minister in schriftelijke vragen en bij verschillende overleggen had gevraagd wat de positie van Nederland was in de Europese overleggen over het bijenrichtsnoer en pas nadat de Partij voor de Dieren aandrong op een feitenrelaas, stuurde de minister afgelopen april een tijdlijn . Hier waren de schriftelijke commentaren bijgevoegd die Nederland tussen 2013 en 2019 aan de Europese Commissie heeft gestuurd. Uit deze schriftelijke commentaren bleek pas echt duidelijk hoe Nederland achter de schermen heeft geopereerd op dit dossier.

In de brieven wordt gesproken over de grote zorgen die Nederland heeft voor de impact van de invoering van het bijenrichtsnoer op de toelating van middelen. Niet de zorgen over de bijen en hommels, maar zorgen over de kosten en de snelheid van de risicobeoordeling en dus over de beschikbaarheid van middelen voor de landbouw.

Bij het laatste commentaar van Nederland dat is bijgevoegd bij de tijdlijn van de minister, een e-mail zonder datum, wordt opeens gesteld dat Nederland geen formele positie heeft, maar dat het Ctgb positief is over het voorstel. Gesteld wordt dat de bescherming van bijen belangrijk is voor Nederland en dat men de noodzakelijke stappen wil zetten om het nieuwe richtsnoer zo snel mogelijk te implementeren. Maar ook hierbij wordt nog altijd benadrukt dat het wel werkbaar moet zijn voor aanvragers.

-Wanneer is deze e-mail (bijlage 7) verstuurd naar de Europese Commissie?

-Wat is er tussen oktober 2018, toen Nederland in een ‘tour de table’ in een SCoPAFF-overleg heeft aangegeven tegen het op dat moment voorliggende voorstel te zijn en het moment dat dit e-mailbericht aan de Europese Commissie is gestuurd, veranderd waardoor Nederland op dat moment wel positief was over het voorstel? Heeft dit te maken met de vereisten voor de veldstudies waar Nederland in november 2018 nog grote zorgen over had ?

Uitvoering van de aangenomen motie Ouwehand over inwerkingtreding van het bijenrichtsnoer als geheel

De minister schreef de Kamer op 29 mei dat zij de motie als volgt wilde uitvoeren: “Indien de Europese Commissie in juli 2019 een voorstel voor gefaseerde invoering van het bijenrichtsnoer en bijbehorende aanpassing van de Uniforme Beginselen voorlegt aan de Lidstaten, ben ik voornemens in te stemmen met het voorstel met een stemverklaring waarbij ik de Europese Commissie en Lidstaten oproep om voor eind 2019 de bijenrichtsnoer in zijn geheel in te voeren”.

Gelet op de positie die Nederland sinds de presentatie van het bijenrichtsnoer (2013, EFSA) heeft ingenomen in ScoPaff en in brieven aan de Europese Commissie - waarbij grote zorgen werden geuit over het gepresenteerde bijenrichtsnoer, de drempelwaarden, de tests voor hommels en wilde bijen, de tests voor chronische toxiciteit en sublethale effecten en de eisen die in het richtsnoer werden gesteld aan veldstudies - moet nu heel duidelijk worden dat Nederland nu een geheel andere positie inneemt, en alle eerder genoemde bezwaren intrekt.

-Kan de minister bevestigen dat zij onderschrijft dat de Kamer met de aangenomen motie Ouwehand heeft uitgesproken dat Nederland al haar eerder genoemde bezwaren tegen het bijenrichtsnoer zoals dat in 2013 door EFSA is gepresenteerd moet laten varen en zich alsnog achter het destijds gepresenteerde voorstel moet scharen?

-Zal de minister in haar stemverklaring duidelijk maken dat Nederland haar eerder genoemde bezwaren tegen het bijenrichtsnoer zoals dat in 2013 door EFSA is gepresenteerd intrekt, en verruilt voor een pleidooi voor invoering van dit bijenrichtsnoer als geheel, uiterlijk eind 2019?

-Is de minister bereid deze stemverklaring ook naar de Kamer te sturen?

Zoals eerder is gebleken uit de stukken die Follow the Money heeft gepubliceerd en de stukken en het feitenrelaas dat de minister op verzoek van de Partij voor de Dieren naar de Kamer heeft gestuurd –die de bevindingen van Follow the Money bevestigden- heeft Nederland de afgelopen jaren niet alleen in ScoPaff, maar ook in brieven aan de Europese Commissie bovengenoemde bezwaren geuit tegen het bijenrichtsnoer zoals dat in 2013 door EFSA was gepresenteerd. Omdat de positie van Nederland is gewijzigd en het van groot belang is om het oorspronkelijk voorgestelde bijenrichtsnoer snel als geheel ingevoerd te krijgen, moet ook de Europese Commissie weten dat Nederland haar eerder opgevoerde bezwaren intrekt.

-Is de minister bereid naast haar stemverklaring in ScoPaff in een brief aan de Europese Commissie duidelijk te maken dat Nederland haar bezwaren tegen het bijenrichtsnoer zoals dat in 2013 door EFSA is gepresenteerd intrekt, en verruilt voor een pleidooi voor invoering van dit bijenrichtsnoer als geheel, uiterlijk eind 2019?

-Is de minister bereid deze brief nog deze week –dus uiterlijk 12 juli- nog te versturen naar de Europese Commissie?

-Is de minister bereid een afschrift van deze brief aan de Kamer te sturen?

Intussen is er helaas –mede dankzij het verzet van Nederland tegen invoering van het bijenrichtsnoer zoals het was voorgesteld door EFSA in 2013- sprake van een gefaseerde invoering van het richtsnoer middels een zogenaamd implementatieplan. Als de wijziging van de Nederlandse positie niet alsnog leidt tot invoering van het bijenrichtsnoer als geheel, uiterlijk eind 2019, moet er dus over een gefaseerde invoeren worden gesproken en besloten.

De minister meldde in reactie op de aangenomen motie Ouwehand voornemens te zijn in te stemmen met het implementatieplan, met een stemverklaring. Toen de Partij voor de Dieren de minister vroeg naar het implementieplan dat voorligt, om zelf te kunnen beoordelen wat dan het verschil is met c.q. de verbetering ten opzichte van de bestaande beoordelingsmethode, zei de minister in het AO L&V-raad dd 12 juni 2019: “De Commissie zegt dat datgene wat nu voorligt, in stemming wordt gebracht. (…)Ik zal uw Kamer een overzicht toesturen van wat er nu ligt en wat dat inhoudt. Dan kunt u dat zelf ook beoordelen.”

De Partij voor de Dieren heeft de minister bedankt voor die toezegging. Vervolgens bleef het echter stil vanuit het ministerie, en stuurde de minister pas een brief naar de Kamer nadat journalistiek platform Follow the Money weer een nieuw artikel had gepubliceerd over het bijenrichtsnoer, waaronder het implementatieplan dat nu voorligt.

-Waarom heeft de minister de Kamer niet zelf geïnformeerd over het implementatieplan, zodat de Kamer zelf kan beoordelen of instemmen met dit plan een betere bescherming van bijen en hommels dichterbij brengt of juist in de weg zit?

-Als zij haar toezegging om een overzicht te sturen ‘van wat er nu ligt en wat dat inhoudt’ bij nader inzien toch niet na kon komen vanwege geheimhouding, waarom heeft ze dat dan niet uit zichzelf aan de Kamer gemeld?

In de brief die de minister op 4 juli alsnog stuurde na de publicatie van Follow the Money schreef ze dat ‘het gepubliceerde implementatieplan’ een conceptversie is waarin gemeld wordt dat het een vertrouwelijk werkdocument betreft dat bedoeld is voor discussie, en dat het ‘niet gebruikelijk’ is om dergelijke werkdocumenten van de Europese Commissie openbaar te maken. Bij wijze van uitzondering, schrijft de minister, stuurt ze het deze keer wel toe.

-Erkent de minister dat ‘niet gebruikelijk’ niet hetzelfde is als ‘niet mogelijk’?

De Partij voor de Dieren-fractie kreeg op haar vragen over het proces rond het bijenrichtsnoer en de Nederlandse positie in de Europese discussie hierover in eerste instantie telkens te horen dat de Kamer zou worden geïnformeerd zodra er een (definitief) voorstel van de Europese Commissie op tafel zou liggen. Nu dit voorstel waarschijnlijk (vrijwel) gereed is, schrijft de minister feitelijk dat het te laat is om nog bij te sturen. Als de Kamer haar nu vraagt om tegen het voorstel te stemmen, zal dat leiden tot vertraging in de besluitvorming.

- Erkent de minister dat deze conceptversies voor de Tweede Kamer essentieel zijn om te kunnen beoordelen of instemmen met dit plan een betere bescherming van bijen en hommels dichterbij brengt of juist in de weg zit?

- Erkent de minister dat deze conceptversies voor de Tweede Kamer essentieel zijn om te kunnen beoordelen hoe de Europese discussies voorafgaand aan besluitvorming verlopen?

- Is de minister bereid om voortaan voorstellen van de Europese Commissie die zij niet één op één naar de Kamer mag sturen, in detail te beschrijven zoals zij nu na publicatie van het laatste Follow the Money artikel ook heeft gedaan?


Mercosur-akkoord

Op 28 juni kreeg de Kamer antwoord op de vragen die de Partij voor de Dieren-fractie op 27 mei had gesteld over de gevolgen van een (toen nog) op handen zijnd handelsverdrag tussen de EU en de Mercosur-landen, waaronder Brazilië. Inmiddels is het akkoord tussen de Europese Commissie en Mercosur helaas gesloten. Afgelopen maandag (1 juli) kwam de Europese Commissie met een niet-bindende samenvatting van zeventien bladzijdes.

Die samenvatting leert dat er niet wordt ‘vastgehouden’ aan hoge Europese standaarden, zoals de minister van BuHaOs suggereerde in de brief die zij op 2 juli aan de Kamer stuurde. Uit de samenvatting die de Europese Commissie heeft gepubliceerd, blijkt dat er helemaal geen bindende eisen zijn gesteld over zaken als dierenwelzijn, klimaat en naleving van het verdrag van Parijs. Over dierenwelzijn bijvoorbeeld staat dat er "gepraat gaat worden" en dat er "informatie over dierenwelzijn wordt uitgewisseld".

-Erkent de minister dat ‘gepraat’ en ‘uitwisseling van informatie’ over dierenwelzijn, natuur- en milieustandaarden niet hetzelfde is als daadwerkelijk gelijke standaarden hanteren?

-Erkent de minister dat dergelijke gesprekken vrijblijvend zijn?

De Partij voor de Dieren vroeg op 27 mei naar de impact van de Mercosur-deal op de Nederlandse landbouw. De minister schreef dat zij ‘geen toegevoegde waarde’ zag voor een specifieke effectbeoordeling over de gevolgen voor de Nederlandse landbouw. Dat was in strijd met een eerder aangenomen motie, destijds ingediend door de leden Koopmans (CDA) en Snijder-Hazelhoff.

-Kan de minister verklaren waarom de destijds aangenomen motie door haar ministerie is genegeerd?

Inmiddels heeft de Kamer een nieuwe motie aangenomen, ingediend door het lid Voordewind c.s., die (opnieuw) opmerkt dat in de Mercosur-landen landbouwproducten worden geproduceerd die niet voldoen aan onze eigen duurzaamheids- en dierenwelzijnsmaatstaven, en dat het toelaten van die producten kan leiden tot oneerlijke concurrentie. De motie vraagt de regering (opnieuw, want dat deed de motie Koopmans/Snijder-Hazelhoff ook al) de gevolgen van het Mercosur-akkoord voor de Europese land- en tuinbouw en in het bijzonder voor de Nederlandse (gezins)bedrijven in de vlees- en zuivelsector gekwantificeerd in kaart te brengen.

-Is de minister hier nu wel toe bereid?

Lange afstandstransport tijdens de warme zomermaanden

De afgelopen weken zijn er in Europa weer eens nieuwe recordtemperaturen bereikt, waarbij het in Zuid-Frankrijk bijna 46 graden werd. Deze extreme temperaturen kunnen we de komende jaren veel vaker verwachten, zolang de benodigde actie om klimaatverandering te stoppen, uitblijft.

De Europese Commissie zal de lidstaten tijdens de komende Raad oproepen om boven de 30 graden Celsius geen langeafstandstransporten met dieren meer toe te staan.

De minister steunt deze oproep, schrijft ze. De Partij voor de Dieren steunt in beginsel het verzoek van de minister aan de Europese Commissie om ook de Transportverordening op dit punt aan te passen. De maximale temperatuur van 30 graden Celsius is echter nog altijd veel hoog.

Is de minister bereid de bevindingen van dierenartsen en wetenschappers, onder andere van EFSA- de voedsel-en warenautoriteit van de EC zelf-, zoals beschreven in het rapport ‘Op de bres tegen hittestress’ van Eyes on Animals en de Dierenbescherming te delen tijdens de komende Raad en daarbij in te brengen dat ook een temperatuur van 30 graden Celsius tot ernstige hittestress leidt bij alle diersoorten die over lange afstanden worden getransporteerd?

Is de minister bereid deze oproep van de Europese Commissie aan te grijpen om te pleiten voor de noodzakelijke verdere verlaging van de maximale temperatuur waarbij diertransporten, zowel op korte als op lange afstand, plaatsvinden?

Tegelijk worden in Nederland, ook binnen de vrijblijvende sectorafspraken in het kader van het Nationaal plan voor veetransport en extreme temperaturen, nog altijd diertransporten toegestaan tot een temperatuur van 35 graden Celsius. En zelfs hier weigert de pluimveesector zich aan te houden.

Welke actie zal de minister zelf deze zomer nog ondernemen op de oproep van de Europese Commissie?

Zal zij de maximale temperatuur waarbij diertransporten zijn toegestaan verlagen in het Nationaal plan voor veetransport en extreme temperaturen? Zo nee, hoe kan zij dit rijmen met haar steun voor de oproep van de Europese Commissie?

Wanneer kan de Kamer de antwoorden tegemoet zien van de vragen die zijn gesteld over hittestress bij dieren, onder andere tijdens transport?