Inbreng PvdD wets­voorstel wijziging Wet op inlich­tingen- en veilig­heids­diensten 2017


26 september 2019

Voor de Partij voor de Dieren is privacy geen luxe maar een fundamenteel recht. Privacy geldt niet alleen wanneer het uitkomt maar moet juist ook verdedigd worden wanneer het niet uitkomt. De Partij voor de Dieren maakt zich daarom zorgen om de toenemende mate waarin het digitale verkeer wordt uitgeluisterd en privacy in beleidsbesluiten door deze regering terzijde geschoven wordt.

Privacy biedt veiligheid en is een expliciet afweerrecht ter bescherming van burgers tegen de staat en anderen. Wanneer we onze privacy opgeven, geven we een belangrijk deel van onze veiligheid op. Karin Spaink omschreef het afgelopen week treffend in haar column: “het recht op privacy heeft juist ten doel de overheid op veilige afstand te houden. Dan kan diezelfde overheid die belemmeringen vervolgens niet als problematisch oormerken. Dat is zoiets als zeggen: “Ik kan je niet dwingen, maar als je nee zegt, luister ik niet””. Inperking van de rechten van burgers mag wat betreft de Partij voor de Dieren dan ook alleen in uiterste gevallen.

De aanpassing van de Wet op de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv) in 2017 kon vanwege dat standpunt niet op steun van de Partij voor de Dieren rekenen. De massale bespieding door de overheid, het ongericht aftappen, het (ongezien) delen van gegevens met buitenlandse diensten en het schenden van het medisch beroepsgeheim en de journalistieke vrijheid waren niet alleen voor de Partij voor de Dieren maar ook voor veel van de deelnemers aan het referendum reden om in meerderheid tegen het wetsvoorstel te stemmen.

Dat het kabinet ondanks deze tegenstem bij het referendum toch besloot de wet in te voeren vind de Partij voor de Dieren kwalijk. Daarmee wordt het inhoudelijke maatschappelijke debat dat plaatsgevonden heeft en de afkeuring die uitgesproken is door de bevolking genegeerd. Dat vervolgens bij de invoering van de wet, die zo uitvoerig behandeld en bekritiseerd is, de beloofde waarborgen en uitvoeringswijze niet gerespecteerd worden en dat ook zonder consequenties blijft maakt de gang van zaken des te kwalijker.

Die gang van zaken maakt ook dat de leden van de Partij voor de Dieren, voordat zij vragen stellen over het voorliggende wetsvoorstel, nog vragen hebben over de huidige navolging van de bestaande wetgeving.

De TIB geeft in zijn jaarverslag aan dat het voornemens was het aantal verzoeken gesplitst per inlichtingendienst op te nemen maar dat deze informatie door de ministers als geheim is geclassificeerd. Kan de minister aangeven waarom het uitsplitsen van het aantal verzoeken per dienst een onverantwoord veel groter inzicht geeft in de modus operandi dan het vrijgeven van het gezamenlijk aantal verzoeken van de beide diensten? Zo nee, waarom niet?

Vind de minister het acceptabel dat respectievelijk 4,5% en 5,8% van de verzoeken die de inlichtingendiensten indienen door het TIB als onrechtmatig beoordeeld worden? Zo nee, welke consequenties worden er verbonden aan het niet naar wens opereren van de diensten? Hebben de ministers mogelijkheden om de werkwijze van de diensten sneller binnen de wettelijke kaders te brengen? Wat voor actie onderneemt de minister als de diensten blijven proberen onrechtmatige verzoeken goedgekeurd te krijgen?

Is de minister het verder met de Partij voor de Dieren eens dat met het indienen van verzoeken die onrechtmatig zijn (vooral op het vlak van proportionaliteit en subsidiariteit) de inlichtingendiensten blijk geven nog altijd de grenzen van de bevoegdheden op te willen zoeken en pogen deze te overschrijden? Zo nee, hoe verklaart de minister deze fouten dan?

Kan de minister toelichten waarom het TIB geclausuleerde goedkeuring verleend heeft en waarom de voorwaarden daarvan geheim verklaard zijn? Op welke manier heeft de verantwoordelijk minister nog zicht op dit proces als er na haar goedkeuring aanpassingen gedaan worden? Wie houdt er toezicht op de naleving van dit soort voorwaarden?

Op basis van welke wetgeving is besloten te werken met geclausuleerde goedkeuring? Kan de minister bevestigen dat in Artikel 36 lid 2 van de Wiv 2017 is vastgelegd dat uitoefening van de bevoegdheid niet eerder aanvangt dan nadat de toetsingscommissie ter zake haar oordeel heeft uitgebracht dat deze rechtmatig is verleend? Kan de minister bevestigen dat daar geen uitzondering op bestaat die toestemming onder (geheime) voorwaarden toelaat? Is zij daarom met de Partij voor de Dieren van mening dat geclausuleerde goedkeuring onrechtmatig is? Zo nee, waarom niet?

Kan de minister verder ingaan op de kritiek van het TIB over de verzameling van grote gegevenssets doormiddel van hacken of informanten? Is de minister met de leden van de Partij voor de Dieren van menig dat bij het verkrijgen van datasets met gegevens van duizenden of zelfs miljoenen mensen haast geen sprake kan zijn van een zo gericht mogelijke vergaring van gegevens? Is zij bereid hierop dezelfde, of strengere, waarborgen van toepassing te verklaren als op de onderzoeksopdracht gerichte interceptie? Kan zij aangeven waarom deze werkwijze op dit moment geen bijzondere bevoegdheid is? Waarop baseert de minister haar oordeel dat informaten volledig vrijwillig de data afstaan? Kunnen aspecten als een financiële vergoeding of druk vanuit de inlichtingendiensten geen rol spelen? En op welke wijze heeft een informant de toestemming van alle betrokkenen verkregen voor het delen van die data? En mocht die informant die toestemming niet hebben ontvangen, wat het meest waarschijnlijk is, op basis van welk principe is het dan gerechtvaardigd dat de informant deze informatie deelt?

Heeft de minister verder kennis genomen van het onderzoek van Buro Jansen en Janssen naar de werkzaamheden van Fox IT in het Midden-Oosten, en de oproep van Bits of Freedom aan huidig TIB-lid Ronald Prins om opheldering te geven over zijn rol destijds binnen dit bedrijf omtrent het exporteren van kennis en techniek naar landen met autoritaire regimes? Deelt de minister de visie van de Partij voor de Dieren en Bits of Freedom dat de TIB een waarborg is die haar functie alleen kan vervullen als de geloofwaardigheid van haar leden op geen enkele wijze te betwijfelen valt? Zo nee, waarom niet? En is de geloofwaardigheid van het lid Prins op het vlak van rechtmatige toepassing van afluistercapaciteit naar mening van de minister in het geding? Zo nee, waarom niet?

Kan de minister aangeven hoeveel rapporten de CTIVD geschreven heeft over de Wiv 2017? En kan zij aangeven hoeveel van die rapporten kritisch zijn op het functioneren van de inlichtingendiensten en hoeveel niet? Kan de minister een opsomming geven van alle aspecten waarvan de toezichthouder momenteel oordeelt dat deze een hoog of gemiddeld risico vormen? En kan de minister verder een opsomming geven van alle aspecten waarop de diensten op dit moment nog niet naar wens of wet functioneren?

Voor de Partij voor de Dieren is het onbestaanbaar dat verzamelde gegevens ongezien gedeeld worden met derden. Zonder kennis over wat je deelt is het ook onmogelijk om in te schatten hoe groot de risico’s zijn. De Partij voor de Dieren vraagt de minister daarom expliciet het delen van ongeëvalueerde gegevens niet toe te staan. Als zij daar niet toe bereid is verzoeken de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren haar uitgebreid te motiveren waarom naar haar mening deze bevoegdheid noodzakelijk is.

Kan de minister aangeven waarom zij besloten heeft voor de gegevensuitwisseling met buitenlandse diensten van ongeëvalueerde gegevens een meldplicht in te stellen bij de CTIVD en niet een toestemmingsbevoegdheid te beleggen bij het TIB? Zodat niet achteraf, wanneer het kwaad reeds geschied is, maar vooraf een rechtmatigheidstoets plaatsvind.

Kan de minister verder bevestigen dat met het voorliggende wetsvoorstel het nog altijd mogelijk is om gegevens te delen met buitenlandse diensten waarvan is vast komen te staan dat deze, volgens de opgestelde wegingsnotitie, niet geschikt zijn om gegevens mee uit te wisselen? Betreft dat ook ongecontroleerde gegevens? Is de minister bereid om wettelijk vast te leggen dat er geen gegevens worden uitgewisseld met buitenlandse diensten waarvan is vast komen te staan dat de uitwisseling van gegevens ermee onwenselijk is? En zo nee, is de minister bereid een vorm van parlementaire controle en instemming op zulke uitwisseling in te voeren?

Uit de memorie van toelichting blijkt dat het principe van de gerichtheidseis afhankelijk is van vele andere aspecten uit het betreffende onderzoek. Kan de minister aangeven of het ook tot de mogelijkheden behoort dat de randvoorwaarden de onderzoeksopdracht dermate vaag maken dat het onderzoek en de datavergaring te generiek zouden worden en daarom wordt besloten af te zien van het onderzoek? Of is het besluit dat het onderzoek doorgang moet vinden op dat moment al genomen? Zo ja, acht de minister dat wenselijk?

Kan de minister aangeven wat de maximale beslistermijn is op een aanvraag tot kennisneming aangezien de bewaartermijn met onderliggend wetsvoorstel wordt opgerekt tot het moment dat over zo een aanvraag besloten is? Is het hiermee mogelijk om gegevens langer dan de gestelde termijn van drie jaar te bewaren?

De Raad van State oordeelde dat de ministers niet of niet afdoende waren ingegaan op de ingediende consultatiereacties en adviseerde deze tekortkoming te corrigeren. De minister geeft aan dit advies opgevolgd te hebben maar tegelijk stelt een organisatie zoals Bits of Freedom dat de inhoudelijke reactie op hun inbreng nog altijd ‘echt ondermaats’ is. Kan de minister daarop reflecteren? En is zij bereid in overleg te gaan met partijen die hun inbreng als onvoldoende beantwoord achten en alsnog volledig in te gaan op de uitgebrachte adviezen? Kan zij het verslag daarvan aan de Kamer zenden voor de plenaire behandeling van voorliggend wetsvoorstel?