Inbreng SO & Nader SO Ontwerp­be­sluit dier­ge­nees­kun­digen en houders van dieren


10 juni 2016

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben kennis genomen van het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit diergeneeskundigen en het Besluit houders van dieren in verband met diverse wijzigingen op het gebied van dierenwelzijn. Zij hebben hier nog enkele vragen over.

Ingrepen bij dieren

De PvdD-leden zijn verheugd dat het lang aangekondigde ingrepenverbod nu eindelijk in werking zal treden. Zo komt er na een lange tijd een verbod op het aanbrengen van een neusring bij fokvarkens en het koudmerken bij runderen. De leden zijn teleurgesteld dat de staatssecretaris het onthoornen van geitenlammeren en kalveren nog steeds blijft toestaan. De staatssecretaris noemt hier als reden de veiligheid van de veehouder. De leden herinneren de staatssecretaris aan zijn eigen uitspraak “in systemen waar dieren voldoende afleiding en ruimte hebben en hun natuurlijk gedrag kunnen uitoefenen, is er minder noodzaak om ingrepen te verrichten”. De leden vragen de staatssecretaris of en zo ja, op welke wijze er geïnvesteerd wordt in een natuurlijke huisvesting met voldoende afleiding en ruimte voor geiten en kalveren. Kan de staatssecretaris aangeven hoeveel geitenbedrijven in Nederland hun huisvesting dusdanig hebben ingericht dat geiten natuurlijk gedrag kunnen vertonen, zoals grazen, klauteren en springen? Kan de staatssecretaris aangeven hoeveel kalverbedrijven in Nederland dusdanig zijn ingericht zodat kalveren natuurlijk gedrag kunnen vertonen, zoals melk drinken bij hun moeder en waar de kalveren de ruimte hebben om te spelen en te grazen? De leden constateren dat andere sectoren, zoals bijvoorbeeld fokbedrijven van varkens, maatregelen hebben getroffen om de veiligheid van de veehouder te waarborgen. Kan de staatssecretaris aangeven welke maatregelen de geiten- en kalverindustrie genomen heeft om het onthoornen van geiten en kalveren uit te faseren? De leden betreuren het dat de staatssecretaris het veiligheidsargument ook hanteert bij het onthoornen van geitenlammeren op kinderboerderijen. Is de staatssecretaris bereid om een inventarisatie te maken naar alternatieve oplossingen, zodat er ook een einde komt aan het onthoornen van geitenlammeren op kinderboerderijen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet? Kan de staatssecretaris aangeven waarom hij het onthoornen in dierentuinen toestaat? Deelt hij de mening dat dierentuinen de plicht hebben om dieren voldoende ruimte te bieden voor hun natuurlijke gedrag? Deelt hij de mening dat dierentuinen met onthoornde dieren een onjuist beeld van dieren aan bezoekers geven en dat dit beeld geen educatieve waarde heeft? Zo nee, waarom niet?

Gebruik van elektrische schokken

De leden constateren dat het gebruik van stroomhalsbanden bij honden in beginsel verboden wordt. Zij betreuren het dat de staatssecretaris hier echter uitzonderingen op toestaat. Het conditioneren van honden door middel van elektrische schokken vinden de leden geen juiste methode, zelfs niet als dit door een deskundige wordt gedaan. Kan de staatssecretaris definiëren wat hij onder een ‘deskundige’ verstaat? Kan de staatssecretaris concreet uiteenzetten aan welke criteria een deskundige moet voldoen? Welke opleiding(en) moet iemand gevolgd hebben alvorens iemand aangemerkt kan worden als deskundige of welke diploma’s moet een deskundige behaald hebben? De leden zijn verheugd dat de staatssecretaris de motie Ouwehand/Thieme (nr. 33930-XIII-12) overgenomen heeft en een verbod op het gebruik van de koetrainer invoert. Terecht bestempelt de staatssecretaris het gebruik van het toepassen van elektrische schokken als dierenmishandeling. De leden zijn dan ook verbaasd dat de staatssecretaris een andere beoordeling hanteert voor het gebruik van elektrische stokken bij dieren die worden geslacht. De leden constateren dat de elektrische prikstok nog veelvuldig wordt gebruikt bij het drijven van dieren voordat ze geslacht worden. De leden verwijzen hierbij naar het rapport van Vanthemsche et al., waaruit blijkt dat, naast het gebruik van lawaai, het slaan, het gebruiken van stokken, ook de elektrische prikkelaar veelvuldig wordt toegepast. De leden keuren een dergelijke agressieve benadering stellig af. De leden constateren dat het toepassen van elektrische schokken tijdens het slachtproces tot onnodige pijn, stress en angst leidt. Kan de staatssecretaris aangeven op hoeveel slachterijen in Nederland de elektrische prikstok gebruikt wordt? Is de staatssecretaris bereid om een verbod in te stellen op het gebruik van de elektrische prikstok? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?

Doden van dieren

Dieren in de vee-industrie zijn gedegradeerd tot productie-eenheden die primair beoordeeld worden op hun economische waarde. Ondanks dat in de wet ‘de intrinsieke waarde’ van dieren is opgenomen, wordt in de praktijk nauwelijks van deze intrinsieke waarde uitgegaan. Eendagshaantjes worden massaal gedood, geitenbokjes massaal geëxporteerd omdat zij niet gebruikt kunnen worden in de zuivelproductie en wekelijks worden er 200 kalveren geëuthanaseerd omdat het kabinet niet ingreep toen de melkvee-industrie inzette op uitbreiding van dieren en productie. Wageningen UR (hierna: WUR) heeft aangegeven dat bij grote wrakke dieren de dierenarts de euthanasie moet uitvoeren. In de praktijk blijkt echter dat veehouders wrakke dieren soms dagen of zelfs weken laten liggen tot het volgende consult van de dierenarts, om zo tussentijdse voorrijkosten en behandelkosten te besparen. Is de staatssecretaris bereid om hier nadere regels voor te stellen om deze praktijken te voorkomen en daarmee onnodig leed bij dieren te voorkomen? Het doden van kleine dieren door de veehouder zelf keuren de leden van de PvdD ten zeerste af. Hoe gaat de NVWA toezicht houden op ongeoorloofde dodingsmethoden bij het doden van kleine dieren? De leden constateren dat een ziek dier recht heeft op medische verzorging. De leden wijzen de staatssecretaris op het risico dat een veehouder de voorkeur geeft aan het doden van een dier in plaats van het toedienen van medische zorg omdat dit economisch minder gunstig is. Hoe beoordeelt de staatssecretaris dit risico?

Transport konijnen

De leden van de PvdD-fractie zijn fel tegen het vervroegen van de transportleeftijd van jonge konijnen. Jonge konijnen worden veelal getransporteerd naar België en Frankrijk, waardoor transporttijden langer zijn dan bij dieren die in Nederland worden geslacht. Lange transporttijden zijn ook een gevolg van het verzamelen van konijnen uit verschillende bedrijven door de veewagen. Konijnen worden tijdens het transport in kratten gepropt, waar zij geen toegang hebben tot water en voedsel. Met het vangen en laden van konijnen in kratten gaan veel welzijnsproblemen gepaard. Wageningen UR heeft al in 2009 geconcludeerd dat het transport van konijnen een bron is van stress en mogelijke verwondingen. Dezelfde universiteit geeft nu echter aan dat het vervroegen van de leeftijd mogelijk is, mits het transport onder goede omstandigheden plaatsvindt.. Kan de staatssecretaris aangeven wat hij verstaat onder goede transportomstandigheden? Is de staatssecretaris bereid om het rapport van de WUR naar de Kamer te sturen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet? Kan de staatssecretaris aangeven hoeveel konijnentransporten er per jaar plaatsvinden? Kan de staatssecretaris aangeven hoe vaak de NVWA in de laatste vijf jaar konijnentransporten heeft geïnspecteerd en welke overtredingen daar zijn geconstateerd? Kan de staatssecretaris aangeven welke maatregelen de konijnenindustrie sinds 2009 genomen heeft om het vangen, het laden en transporteren van konijnen te verbeteren?

Scheidingsleeftijd van apen

Artikel 1.20 geeft de leeftijden waarop een jong dier van het ouderdier mag worden gescheiden. De leden van de PvdD-fractie vragen zich af waarom de opgenomen leeftijden waarop primaten gescheiden mogen worden afwijken van de adviezen van Stichting AAP, reeds gedaan in 2010. Graag een reactie. Leidend voor de beslissing dat deze dieren van elkaar gescheiden mogen worden, is dat de jonge dieren niet meer afhankelijk zijn van de ouderdieren voor voeding of het aanleren van sociale gedragingen. Stichting AAP stelt daarom de volgende leeftijdsaanpassingen voor: chimpansees; 9 jaar, rhesus-apen; 4 jaar, beermakaken; 4 jaar, java-apen; 4 jaar, marmosets; 1 jaar, doodshoofdapen; 1 jaar. Is de staatssecretaris bereid tot het verhogen van de scheidingsleeftijden, zoals voorgesteld door Stichting AAP? Zo nee, waarom niet? Deelt de secretaris de mening dat de scheidingsleeftijd onafhankelijk zou moeten zijn van de faciliteit waarin de dieren gehouden worden of de sociale structuur waarin de dieren worden geplaatst na het scheiden van het moederdier? Zo nee, waarom niet?

Bedwelmen van Aal

In artikel 5.11 is de verplichte bedwelming van paling opgenomen. De leden van de PvdD-fractie zijn hier verheugd over, maar merken daarbij op dat zij hier zes jaar op hebben moeten wachten; het verzoek hiertoe via de aangenomen motie Ouwehand (Kamerstukken II 2010/2011, 32658, nr 14) is reeds gedaan in 2010. Is de staatssecretaris bereid de verplichte bedwelming ook te laten gelden voor kleinschaliger bedrijfsmatige slacht, zoals –met name- voor bedrijfjes die zichzelf in het kader van ‘ambachtelijke palingrokerij’ aanbieden voor particuliere feestjes?

Deze leden vragen zich af waarom de staatssecretaris geen verbod heeft opgenomen op het doden van paling middels een zoutbad. In dit zoutwater wordt de gevoelige slijmlaag van de nog levende paling weggebrand. Bij onjuiste bedwelming, bijvoorbeeld door technische mankementen, sterft de paling alsnog een zeer pijnlijke en langzame dood. Is de staatssecretaris bereid alsnog de motie Ouwehand in zijn geheel uit te voeren en een verbod op het doden van paling via het zoutbad op te nemen? Zo nee, waarom niet?

Bescherming van vissen bij doden

De leden van de PvdD-fractie hebben meermaals verzocht om een betere bescherming van vissen bij het slachten. Zij hebben daarbij onder andere gewezen op de beschikbaarheid van commerciële bedwelmingsmethoden voor meerval en paling. Desalniettemin wordt 60% van de meervallen niet bedwelmd. Voor deze leden onderstreept dit de noodzaak van wettelijke voorschriften. Is de staatssecretaris die zegt dat dierenwelzijn bij vis zijn aandacht heeft daar alsnog toe bereid? Zo nee, waarom niet?

Voor de leden van deze fractie is het ontoelaatbaar dat de Europese Commissie al in 2014 zou komen met mogelijkheden voor voorschriften over bescherming van vissen bij het doden, maar nog steeds op zich laat wachten. Deelt de staatssecretaris deze mening? Zo ja, op welke wijze heeft hij sinds 2014 bij de Europese Commissie aangedrongen op spoedige bekendmaking van deze mogelijkheden? Zo nee, waarom niet? Deelt de staatssecretaris de mening van deze leden dat zolang Europese voorschriften uitblijven, nationale voorschriften noodzakelijk zijn? Zo nee, waarom niet?

Leewieken

De leden van de PvdD-fractie verzoeken de staatssecretaris het aanstaande verbod op leewieken in te laten gaan per 1 januari 2017 en dit op te nemen in het Besluit Diergeneeskundigen.

Antwoorden Staatssecretaris

Ingrepen bij dieren

Er zijn circa 300 melkgeitenbedrijven in Nederland. Het merendeel van de geiten wordt gehuisvest op stro in ruime hokken, waar diverse gedragingen zoals springen goed mogelijk zijn. Het aantal biologische bedrijven is in de geitenhouderij relatief groot, ongeveer 20%. De geiten op biologische bedrijven hebben meer stalruimte per dier, plus weidegang en eventueel uitloop. De geitensector is bezig met een Uitvoeringsagenda Duurzame Geitenzuivelketen. Hierin wordt ook aandacht besteed aan aanpassingen in en introductie van nieuwe houderijsystemen, ten behoeve van onder andere dierenwelzijn. De doelstelling voor dierenwelzijn hierin is dat de geit in staat wordt gesteld zich in een zo goed mogelijke leefomgeving te bevinden waarin het natuurlijke gedrag wordt bevorderd.

Er zijn veel melkvee- en kalverbedrijven in Nederland waar op basis van persoonlijke keuzes van veehouders rekening wordt gehouden met de individuele behoeften van kalveren. In de melkveehouderij zijn circa 40 bedrijven waar de kalveren bij de koe worden gehouden. Van de melkkoeien heeft circa 70% volledige weidegang en ook het daarbij behorende jongvee heeft vanaf het eerste of tweede levensjaar weidegang. Daarnaast is er een aantal bedrijven met deelweidegang, waarbij een deel van de melkkoeien en/of het jongvee weidegang heeft. Jonge kalveren worden vanaf de biestperiode veelal overgeplaatst van individuele hokken naar groepshokken in stro. In de sector zoogkoeienhouderij zogen de kalveren tot een speenleeftijd van 8 maanden, veelal in combinatie met weidegang.

De melkveesector werkt aan alternatieven voor onthoornen, zoals hoornloos fokken (er wordt steeds meer gebruik gemaakt van stieren die hoornloze kalveren vererven) en het ontwikkelen van andere houderijsystemen of vernieuwing van delen van bestaande stalsystemen waardoor onthoornen minder noodzakelijk wordt. Hoornloos fokken lijkt voor geiten geen perspectiefvolle weg, maar er worden gesprekken gevoerd met o.a. WUR over onderzoek. Er wordt gekeken hoe dit onderzoek naar hoornloos fokken is in te passen in het kader van de Duurzame Geiten Zuivelketen. Afstemming met de biologische melkgeitensector moet nog plaatsvinden.

Dierentuinen gaan vanuit hun verantwoordelijkheid en hun belangen in de regel zeer restrictief om met de bevoegdheid om te onthoornen. Dat is ook in overeenstemming met de eisen in de regelgeving voor dierentuinen omtrent het rekening houden met soorteigen gedragingen van dieren en de educatieve doeleinden van een dierentuin. Een aantal dierentuinen heeft voor de kleine bezoekers een kinderboerderij. Omwille van de veiligheid voor de kinderen hebben ook dierentuinen de mogelijkheid om kinderboerderijdieren te onthoornen. Ik verwijs u ook naar mijn antwoord op vragen van de SP-fractie.

Gebruik van elektrische schokken

De deskundigheid zal worden geborgd doordat de band alleen zal mogen worden toegepast door of onder begeleiding van een persoon die met goed gevolg een speciaal daarop toegespitste cursus heeft doorlopen. De ontwikkeling van deze cursus is momenteel in volle gang. Een groep deskundigen werkt aan de vaststelling van eindtermen welke breed zullen worden voorgelegd. Hierbij kan gedacht worden aan trainers, dierenbeschermers, een belangenvereniging van producenten, wetenschappers en ook de politie. De cursus zal ten eerste beogen te borgen dat de band alleen wordt ingezet indien geen minder ingrijpende methoden voorhanden zijn voor de noodzakelijke (bij)sturing van het gedrag van een hond. Een tweede element is het borgen van een dusdanig gebruik, dat geen schade aan de hond wordt berokkend (timing, keuze van de juiste band, dosering, inzicht in leerprincipes hond etc.). Ook bij veel gebruikers leeft de overtuiging dat het huidige gebruik moet worden beperkt tot uitzonderlijke situaties, en alleen deskundigheid kan voorkomen dat het welzijn van honden wordt geschaad. Door zowel gebruikers als tegenstanders te betrekken kan een zo breed mogelijk gedragen cursus worden ontwikkeld.

Het is zeer onwenselijk dat een houder bij probleemgedrag van zijn hond zelf, zonder afdoende kennis, aan de slag gaat met een elektronische halsband. Dit zijn juist de situaties die deze bepaling beoogt te voorkomen omdat het welzijn van honden ernstig wordt geschaad bij onjuist gebruik. Indien een hond probleemgedrag vertoont kan een gedragsdeskundige advies geven. De deskundige, zal indien hij de cursus met goed gevolg heeft doorlopen, de band kunnen inzetten. Indien de deskundige instaat voor een tijdelijk en juist gebruik door de eigenaar zal een eigenaar de band onder begeleiding mogen inzetten. Indien een houder zonder tussenkomst van de gedragsdeskundige zelf de band wil kunnen inzetten dan zal hij eerst zelf de cursus met goed gevolg moeten doorlopen. Er wordt verwacht dat dit nauwelijks zal voorkomen. De elektronische halsband is geen “normaal” sturingsmiddel voor een gemiddelde huisdiereigenaar met een hond. Het is een speciaal instrument dat alleen in gerechtvaardigde situaties (ter voorkoming van gevaar voor mens of dier of ten behoeve van het welzijn van het dier) door deskundige gebruikers ingezet moet kunnen worden.

Het gebruik van een elektronische halsband waarbij niet voldaan wordt aan de voorwaarden zoals hiervoor uitgelegd wordt beschouwd als dierenmishandeling. Het verbod op dierenmishandeling wordt gehandhaafd op basis van meldingen welke opgepakt worden door de Landelijke Inspectiedienst (LID), politie en de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA). Inrichtingen met bedrijfsmatig gehouden dieren die worden bezocht op grond van welzijns-, veterinaire of cites- bepalingen kunnen ook op naleving van deze bepalingen gecontroleerd worden.

Koetrainer

De Europese Transportverordening (Verordening (EG) nr.1/2005) – die rechtstreeks van toepassing is in alle EU-lidstaten - voorziet al in artikelen die zien op het beperken van het gebruik van dwangmiddelen tijdens het transport. Zo staat in Bijlage I van die verordening in hoofdstuk III, artikel 1.8 dat het gebruik van prikstokken en scherpe voorwerpen bij het laden en lossen verboden is en in artikel 1.9 dat het gebruik van apparaten om elektrische schokken toe te dienen beperkt moet worden tot nauwkeurig omschreven situaties en uitsluitend gedurende maximaal 1 seconde op de spieren van de achterpoten.

Het is mij niet bekend op hoeveel slachterijen in Nederland de elektrische prikstok wordt gebruikt.

Doden van dieren

Ik zie geen aanleiding om aanvullende regels aan dierenartsen te stellen.

Het doden van het dier op het primaire bedrijf moet gebeuren op een verantwoorde welzijnsvriendelijke wijze. Dat is de verantwoordelijkheid van de veehouder, hij draagt zorg voor het welzijn van zijn dieren ook als ze wrak zijn.

Het toezicht op doden van dieren op de veehouderij is niet eenvoudig omdat deze handelingen normaal gesproken niet worden uitgevoerd als de NVWA op het bedrijf aanwezig is. Incidenteel ontvangt de NVWA meldingen van misstanden ter zake, en kan zij eventueel optreden op basis van de Wet Dieren indien er inderdaad sprake is van mishandeling van dieren bij het doden.

Transport konijnen

Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt voor een kleine categorie bedrijven (circa drie) een derde categorie scheidingsleeftijd gecreëerd, waarbij de dieren een leeftijd van 30 tot 35 dagen van het geboortebedrijf naar een afmestbedrijf worden vervoerd. De sector geeft aan dat deze jonge konijnen in kratten worden vervoerd op dezelfde wijze als vleeskonijnen van 10-12 weken. Bij 1 bedrijf gaat het om een afstand van 1 kilometer.

In uw vraag gaat u ook in op het transport van konijnen van het geboorte- of opfokbedrijf bedrijf naar de slachterij. Het rapport van Wageningen Universiteit waaraan u refereert (http://edepot.wur.nl/4983) gaat in op het transport van deze groep slachtkonijnen. De WUR geeft aan dat over het ongerief van het transport voor konijnen weinig bekend is, maar dat aangenomen mag worden dat het laden en lossen in kratten mogelijk meer ongerief geeft dan het transporteren zelf, wanneer dit onder geconditioneerde omstandigheden plaats vindt. Ook geeft de WUR aan dat lange transporttijden voor een deel van de konijnen voorkomen omdat een wagen konijnen van verschillende bedrijven verzamelt. Uit gegevens van de sector blijkt dat circa 95% van de vleeskonijnen gaat naar twee Belgische slachterijen tussen Antwerpen en Gent. De overige 5% blijft in Nederland of gaat naar Duitsland. In de meeste gevallen wordt er op één plaats ingeladen. De slachtkonijnen worden getransporteerd als zij de leeftijd van 10 à 12 weken hebben bereikt. De konijnen worden opgepakt in hun hok en geplaatst in de krat. Het gehele transport tot in het slachthuis kan een zekere mate van stress geven, maar leidt niet tot verwondingen. Tijdens het transport wordt onder meer gezorgd voor geperforeerde kratten, beluchting van de vrachtauto, afscherming tegen wind en aan het seizoen aangepaste bezettingsgraad in de krat.

De NVWA bezoekt steekproefsgewijs konijnenhouderijen om toe te zien op het houderijsysteem. Daarbij zijn tot op heden geen grote tekortkomingen geconstateerd. Over de wijze van transport zijn tot op heden geen gegevens beschikbaar. Ik ga met de NVWA bekijken of er specifiek toezicht nodig is op transporten van konijnen.

Scheidingsleeftijd van apen

Naar aanleiding van de adviezen van Stichting AAP is de WUR gevraagd om opnieuw naar de leeftijden van apen in de AMvB te kijken, de adviezen van Stichting AAP daarbij betrekkend. Op basis van dit nieuwe advies van de WUR en dat van AAP is de scheidingsleeftijd voor solitaire huisvesting van apen uit de wetgeving verwijderd. De nieuwe leeftijden zijn minimale leeftijden, gebaseerd op adviezen van de WUR[1]. De adviezen zijn gebaseerd op inschattingen van deskundigen, die bij scheiding na de genoemde leeftijden geen langdurig aanhoudende welzijns- of gezondheidsproblemen hebben kunnen constateren in de praktijk dan wel het optreden van deze problemen onaannemelijk achten op basis van hun expertise. Daarbij moet worden opgemerkt dat geen sprake is van ideale leeftijden. Dit is in de nota van toelichting bij het oorspronkelijke Besluit houders van dieren ook expliciet toegelicht. De leeftijden betreffen een wettelijke ondergrens. In sommige situaties, bijvoorbeeld bij de introductie van een dier in een nieuwe groep kunnen de hogere leeftijden die Stichting AAP adviseert tot problemen leiden. Bijvoorbeeld omdat een mannelijk dier van die leeftijd als bedreigend kan worden ervaren in een nieuwe groep. Om dierentuinen de ruimte te bieden een zorgvuldige afweging te kunnen maken is niet gekozen voor de door Stichting AAP geadviseerde leeftijden maar voor de door de WUR onderzochte minimumleeftijden.

Bedwelmen van aal

Bij de opzet van de ministeriële regeling is aansluiting gezocht bij de Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden. De ministeriële regeling is van toepassing op het doden van aal, met het oog op de productie van dierlijke producten. Ambachtelijke palingrokerijen die zelf paling slachten voor de verkoop vallen derhalve ook onder de regeling.

Ten aanzien van de toegestane dodingsmethoden door particulieren blijft uiteraard gelden dat bij het doden van vis elke onvermijdbare vorm van pijn en lijden wordt voorkomen. Sportvissers die zijn aangesloten bij Sportvisserij Nederland mogen gevangen paling niet meenemen en moeten deze direct weer terugzetten in het water. Sportvisserij Nederland geeft in hun gedragscode voorlichting over het doden van vis.

In de brieven van 16 juni 2011 en van 23 december 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 32 658, nr. 27 en Kamerstukken II, 2011/12, 28 286, nr. 540) is aangegeven dat afgezien wordt van een verbod op het gebruik van zoutbaden, aangezien dat verbod bij het gebruik van de elektrische bedwelmingsmethode overbodig is. De aal is dan voorafgaand aan het doden immers reeds effectief bedwelmd en merkt niets van het zoutbad.

Het is niet mogelijk om aal met stroom te doden. Dit betekent dat de dieren na verdoven met stroom in bewusteloze staat gedood worden. Het verwijderen van de slijmlaag in het zoutbad is onvermijdelijk, omdat dit nodig is voor de kwaliteit van het gerookte product.

Bescherming van vissen bij doden

De Europese Commissie heeft het verslag over de mogelijkheid om voorschriften in te voeren die zien op de bescherming van vissen bij het doden tot op heden niet uitgebracht. Recent heeft zij aangegeven een studie te willen doen naar het doden van kweekvis. De verwachting is dat deze studie binnen 2 jaar afgerond zal zijn. Het is op voorhand niet aan te geven welke gevolgen de studie zal hebben voor het komen tot nieuwe Europese voorschriften. De inschatting is dat de studie niet zal leiden tot aanpassing van het nu voorliggende wijzigingsbesluit. Zodra de studie beschikbaar is zal ik u hierover informeren.

U vraagt of ik de mening deel dat als Europese voorschriften uitblijven nationale maatregelen noodzakelijk zijn. Ik heb eerder aangegeven dat ik streef naar een Europees level playing field. Ik zal dan ook bij de Europese Commissie blijven pleiten voor Europese regels voor het slachten van kweekvis.

Leewieken

Dit onderwerp is tijdens de behandeling van het conceptbesluit diergeneeskundigen, dat op 1 juli 2014 in werking is getreden, uitvoerig besproken. Er is na een zorgvuldige afweging voor de datum van 1 januari 2018 gekozen. Deze datum is gekozen om de sector, de mensen die deze dieren houden, de tijd te geven om bijvoorbeeld aanpassingen te verrichten aan de huisvesting. Ik vind het niet wenselijk om de termijn nu naar voren te halen.

Inbreng Nader SO Partij voor de Dieren

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de beantwoording van de Staatssecretaris op vragen die eerder werden gesteld door deze leden. Zij willen graag nog enkele vervolgvragen stellen.

Scheidingsleeftijden primaten

De leden van de PvdD-fractie hebben de Staatssecretaris verzocht om de leeftijden te verhogen waarop jonge apen van hun ouders gescheiden mogen worden. De Staatssecretaris zegt hiertoe niet bereid te zijn en stelt dat de scheidingsleeftijden gebaseerd zijn op adviezen van de Wageningen Universiteit (WUR). De leden van de PvdD-fractie benadrukken nogmaals dat zij de voorgestelde leeftijden te laag vinden. Zij wijzen er op dat de voorgestelde leeftijden in het voorstel voor wijziging Besluit houders van dieren niet conform de WUR-adviezen zijn. In het WUR-rapport (ASG rapport 728, Separation ages for primates in new Dutch legislation, april 2013, p. 26) wordt voor beermakaken, Java-apen en resusapen een minimumscheidingsleeftijd van vier jaar voorgesteld en voor chimpansees een minimumscheidingsleeftijd van zes jaar. In het voorstel voor wijzing van het Besluit Houders van Dieren zijn echter scheidingsleeftijden van respectievelijk één jaar en vijf jaar opgenomen. Aangezien de Staatssecretaris zegt de adviezen van WUR te willen volgen, vragen deze leden de Staatssecretaris de leeftijden aan te passen en in lijn te brengen met het hierboven genoemde WUR-advies. Graag een reactie hierop van de Staatssecretaris.

Verdoving van vissen

Verdoving van vissen bij doden De leden van de PvdD-fractie zijn ontevreden over het antwoord van de Staatssecretaris over de verdoving van vissen bij het doden. De Europese Commissie laat nog voor onbepaalde tijd op zich wachten met haar reeds in 2014 beloofde verslag over de mogelijkheid om voorschriften in te voeren die zien op de verdoving van vissen bij het doden. De Staatssecre-taris, die zegt dat vissenwelzijn zijn aandacht heeft, neemt hier genoegen mee en onderneemt geen enkele actie om het welzijn van vissen bij het doden te verbeteren. De leden van de PvdD-fractie lezen dat de Europese Commissie voornemens is om een nieuwe studie te laten verrichten naar het doden van kweekvis. Het is opmerkelijk dat er voor een nieuwe studie gekozen wordt, in plaats van het uitbrengen van het verslag waar we op wachten sinds 2014. Deze leden vernemen daarom graag wat de reden is dat er, twee jaar na de toezegging door de Europese Commissie, verdere vertraging ontstaat door het initiëren van een nieuwe studie. De leden vernemen ook graag wat de reden is dat het in 2014 beloofde verslag nooit is gepubliceerd, wat het doel is van deze nieuwe studie, door wie deze nieuwe studie uitgevoerd gaat worden en wat de beoogde termijn is waarop deze nieuwe studie afgerond en gepubliceerd zal worden.

Koetrainer

Koetrainer De leden van de PvdD-fractie willen van de Staatssecretaris weten waarom hij, in tegenstelling tot eerdere uitspraken, niet overgaat tot een verbod maar een deskundigenadvies nodig acht voor het gebruik van elektrische schokken om koeien te dwingen om niet te mesten en te urineren op de plek waar zij geacht worden te liggen, ook wel koetrainer genoemd. Welke nieuwe inzichten zijn er om terug te komen op het voornemen tot een verbod en welke belangen spelen hierbij een rol? De leden van de fractie van de PvdD vragen de Staatssecretaris met nadruk zich te houden aan het eerdere voornemen om de koetrainer met dit besluit te verbieden.

Beantwoording staatssecretaris

Scheidingsleeftijden primaten

De voorgestelde leeftijd van 3–4 jaar voor makaken is volgens het rapport van de Wageningen Universiteit een ideale leeftijd voor mannelijke makaken die in dierentuinen worden gehouden. De voorgestelde 6 jaar voor chimpansees in het rapport betreft de leeftijd die minimaal aange-houden zou moeten worden indien een jong na de scheiding niet in een groep leeftijdgenoten wordt geplaatst. Zoals ook uiteen gezet in de Nota van toelichting bij het Besluit houders betreffen de leeftijden opgenomen in het besluit geen optimale of wenselijke leeftijden. Het besluit bevat de minimale regels teneinde een langdurig verstoord welzijn bij jong en ouderdier te voorkomen. Deze leeftijden zijn overgenomen uit het bovengenoemde rapport. De voor deze apen ideale of minst belastende leeftijd zal veelal hoger zijn en is mede afhankelijk van het individuele dier zelf en van de omstandigheden waarin het dier voor en na scheiding wordt gehouden. Met de leeftijden in het besluit wordt beoogd excessen te voorkomen en de ondergrens te duiden die bij het niet respecteren daarvan kan leiden tot strafrechtelijke vervolging.

Verdoven van vissen

De Europese Commissie maakt haar eigen afwegingen en stelt haar eigen prioriteiten. De aanhoudende vraag om aandacht voor dit onderwerp mijnerzijds lijkt de Europese Commissie juist te hebben overtuigd van het belang hiervan. Navraag bij de Europese Commissie over de voortgang van de studie die in de brief van 29 juni jl. (Kamerstuk 28 286, nr. 882) wordt aangehaald, leert dat de opdracht voor deze studie inmiddels is gegund en uitgevoerd zal worden door een consortium geleid door het adviesbureau IBF consulting. Deze studie heeft als doel het verzamelen van data over de huidige wijze waarop kweekvis in Europa wordt geslacht en getranspor-teerd. Ook zal er een assessment gedaan worden naar hoe en de mate waarin welzijnsaspecten worden meegenomen en zullen economische data verzameld worden over specifieke voorschriften voor de slacht en het transport. De Europese Commissie verwacht dat de studie na de zomer van 2017 gereed zal zijn en streeft ernaar eind 2017 een rapport, gebaseerd op de studie, te kunnen presenteren aan de Raad van de Europese Unie en het Europees parlement.

Koetrainer

In mijn antwoorden van 29 juni jl. op de vragen van de vaste commissie voor Economische Zaken over het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit diergeneeskundigen en het Besluit houders van dieren is uiteen-gezet waarom ik een deskundigenadvies nodig acht (Kamerstuk 28 286, nr. 882). Ik verwijs u derhalve naar deze antwoorden.