Kamer­vragen aan de minister van VWS n.a.v. dier­proefstop Nijmeegs Centraal Dieren­la­bo­ra­torium


Vragen van het lid Esther Ouwehand van de Partij voor de Dieren aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over dierenproefstop Nijmeegs Centraal Dierenlaboratorium

  1. Heeft u kennis genomen van het artikel 'Stop op dierproeven Radboud' (1)?
  2. Hoe beoordeelt u de situatie dat na twee waarschuwingen van de inspectie het Nijmeegse Centraal Dierenlaboratorium dierproeven kon blijven voorzetten? Bent u van mening dat de VWA sterker had moeten ingrijpen?
  3. Heeft de VWA voldoende instrumenten en sanctiemogelijkheden? In welke mate zet de VWA deze instrumenten in? Wanneer dient naar oordeel van de minister door de VWA de dierproeven te worden stilgezet?
  4. Hoeveel inspecties voert de VWA jaarlijks uit? Zijn deze vooraf aangekondigd of niet? Vindt u dat deze inspecties uitgebreid moeten worden, gezien het aantal dierproeven dat jaarlijks wordt verricht?
  5. Bent u van mening dat met de huidige gang van zaken het welzijn van proefdieren lijkt te worden overgelaten aan de willekeur van een instelling?
  6. Hoe beoordeelt u de situatie dat een Dierenexperimentencommissie wordt gepasseerd bij het wijzigen van de onderzoeksopzet? Wat zijn hiervoor de sanctiemogelijkheden en zijn deze voldoende effectief?
  7. Al eerder dit jaar kwam het Nijmeegse Centraal Dierenlaboratorium in het nieuws door het vergassen van 810 ratten. De reden hiervoor was het opheffen van de onderzoekslijn psychoneurofarmacologie. Acht u de tijd rijp, mede op basis van de recente berichtgeving, het bewuste laboratorium eens goed te laten doorlichten?
  8. Kunt u aangeven op welke wijze u erop zult toezien dat na de door de instelling zelf afgekondigde proefdierstop van drie weken, de omstandigheden bij het NCD inderdaad zijn verbeterd?
  9. Op welke wijze gaat u voorkomen dat een dergelijke situatie zich opnieuw voordoet bij andere laboratoria?

(1) Nederlands Dagblad, 11 december 2006

Antwoorddatum: 29 jan. 2007

Antwoorden op Kamervragen van het Kamerlid Ouwehand (Partij voor de Dieren) over dierproeven.

1. Ja.

2. De VWA heeft geheel volgens haar handhavingsbeleid gehandeld, waarbij proportionaliteit één van de items is. Aard en omvang van de afwijking bepalen op welke wijze zal worden opgetreden. In de loop van 2006 vonden er bij de Radboud Universiteit enkele personele wijzigingen plaats op - voor proefdier gerelateerde zaken - relevante posities. In dezelfde periode constateerde de VWA samen met het nieuwe team, verantwoordelijk voor dierproeven bij de Radboud Universiteit, enkele omissies in de procedures inzake het verrichten van dierproeven bij de universiteit. Dit leidde tot een mondelinge waarschuwing en tot een verbetertraject samen met de VWA. Een onderdeel van het verbetertraject was een verhoging van de bezoekfrequentie van de VWA, waarbij assistentie door de handhaving bij de nalevering, de insteek was. Deze aanpak leidde tot verbeteringen. Echter in het najaar van 2006 constateerde de VWA nieuwe omissies. Hierop heeft de VWA een waarschuwingsbrief gestuurd met het verzoek deze op te heffen. De Raad van bestuur van de Radboud Universiteit kondigde vervolgens een tijdelijke stop af (tot 1 januari 2007) op nieuw aan te vangen dierexperimenten en besloot tot doorlichting van alle lopende experimenten. Naar mijn mening gaf de vergunninghouder hier blijk van het juiste verantwoordelijkheidsbesef. Al met al deel ik uw mening dus niet. Ik vind dat alle betrokkenen op de juiste wijze hebben gereageerd. En ik heb er vertrouwen in dat het einddoel, een verantwoord dierproefbeleid met toepassing van de 3Vs (deze staan voor Vervanging, Vermindering en Verfijning van dierproeven) in eerste instantie bereikt kan worden door open discussies tussen alle betrokkenen.

3. De VWA heeft in het kader van de Wet op de dierproeven (Wod) zowel toezichthoudende en handhavende taken als opsporingsbevoegdheid. Ik heb geen aanwijzingen dat het huidige instrumentarium in de praktijk leidt tot handhavingproblemen. De VWA zet haar instrumentarium proportioneel in naar de ernst van de geconstateerde afwijking.
In de evaluatie van de Wod is geadviseerd voor een uitbreiding van het huidige handhavingsinstrumentarium. In mijn brief aan de Tweede Kamer van 20 december 2005 (Kamerstukken 30 168, nr.2) heb ik u mijn reactie op het evaluatierapport gegeven. U weet daarom dat ik dit meeneem in het ‘bottom-up proces’, een dialoog tussen de verschillende partijen om de belangrijkste discussiepunten uit het Wod-evaluatierapport te bespreken. Dit proces is thans in volle gang. U wordt geïnformeerd over de resultaten.

Overigens wil ik u erop wijzen dat de VWA weliswaar de vergunninghouder kan verzoeken een proef stop te zetten, maar dat er geen wettelijke mogelijkheid is om dit af te dwingen.
Het stopzetten van dierproeven moet overigens niet onbezonnen worden gedaan. Immers het stopzetten van een proef kan betekenen dat de volledige proef overgedaan moet worden en dat de dieren voor niets zijn gebruikt. Onnodig gebruik van proefdieren is geen verantwoord gebruik van proefdieren.

4. De VWA rapporteert jaarlijks uitgebreid doch in algemene zin over haar inspecties en de daarbij aangetroffen bevindingen. De rapportage over 2005, “Zo doende 2005 “ is te vinden op de website van de VWA (www.vwa.nl).
De VWA verricht zowel aangekondigde als onaangekondigde inspecties (in 2005 betrof het 554 inspecties waarvan ongeveer 40% onaangekondigd).
Ik heb geen redenen om het aantal inspecties in 2007 uit te breiden.

5. Neen, die mening deel ik niet. Het welzijn van de proefdieren wordt geborgd via de Wod, diverse Codes of Practice en internationale richtsnoeren. Al deze regels en voorschriften zijn onderwerp van zowel intern toezicht (artikel 14 Wod) als extern toezicht (VWA art. 20 Wod). Daarnaast bestaan er eisen aan de opleiding van het personeel, om op de werkvloer over de juiste kennis en bekwaamheid te beschikken.

6. Het is verboden een dierproef te verrichten anders dan volgens het onderzoeksplan bedoeld in art 10a tweede lid van de Wod. Bij lopende experimenten kan soms op basis van de eerste resultaten de behoefte ontstaan om het oorspronkelijke onderzoeksplan (OZP) enigszins te wijzigen. Immers sommige wijzigingen van het OZP hebben een neutraal of juist een positief effect op het welzijn van proefdieren. Om zorg te dragen dat zulke neutrale of welzijnsbevorderende wijzigingen wél kunnen worden doorgevoerd is in de praktijk veelal de procedure dat contact wordt opgenomen met de art 14 functionaris (die belast is met de interne toezicht op het dierenwelzijn én adviseur is van de Dierexperimentencommissie (DEC) over de reden, aard en omvang van de potentiële wijziging van het OZP. De art 14 functionaris kan dan vanuit zijn deskundigheid beoordelen of de potentiële wijziging al dan niet opnieuw inschakeling van de DEC noodzaakt of dat een melding aan de DEC volstaat.
Als blijkt dat afwijkingen van het OZP niet vooraf met de art 14 functionaris of de DEC worden overlegd, worden daar door de VWA passende maatregelen tegen genomen. In art 25 van de Wod vindt u de geldende strafbepalingen voor alle overtredingen.

7. De Wod verplicht de vergunninghouder niet om vooraf verantwoording af te leggen over het doden van dieren die niet (meer) ingezet zullen worden in proeven. Wel vereist de Wod dat doding van dieren gebeurt door middel van een voor de diersoort geschikt geachte en geaccepteerde methode. Bij deze ratten was dit het geval. De handelwijze door de Radboud Universiteit is correct, niet in conflict met de wetgeving en gebruikelijk bij instelling die dierproeven verrichten.
Ik zie derhalve geen aanleiding om het NCD extra door te lichten. Er loopt immers een verbetertraject waarvan ik al heb aangegeven dat er voor mij genoeg tekenen zijn dat één en ander serieus wordt opgepakt. Het bereiken van een dergelijke attitude waarbij incidenten en problemen serieus worden genomen, zou één van de doelen zijn van extra controle en dat doel is dus al voor een groot deel bereikt. Ik heb er vertrouwen in dat de VWA erop zal toezien dat het niet blijft bij goede bedoelingen maar dat de gewenste stappen ook daadwerkelijk worden gemaakt.

8. De VWA zal het verbetertraject nauwgezet volgen en waar nodig signaleren en ingrijpen. Begin 2007 zal worden bezien of de tekortkomingen die bij eerdere bezoeken zijn geconstateerd naar tevredenheid zijn opgelost. Daarnaast betreft het een vrijwillige, door de leiding van het NCD en de Raad van Bestuur van het UMC St Radboud opgelegde opschorting van nieuwe onderzoeksaanvragen tot na 1 januari 2007, opdat alle lopende onderzoeken konden worden doorgelicht en waar nodig aangepast. Dit alles om te verzekeren dat alle lopende experimenten binnen het NCD volledig in overeenstemming zijn met de wettelijke vereisten.

9. Ik ben van mening dat de handhaving van de Wod goed is geregeld en dat deze op de juiste manier door de VWA wordt uitgevoerd. Incidenten zijn echter niet uit te sluiten. De aanpak van deze incidenten moet zijn een ‘case by case’ aanpak, proportionaliteit van de maatregelen, openheid over de handelingen en een eigen verantwoordelijkheid van de vergunninghouder.