Kamer­vragen aan de ministers van LNV en VROM over Q-koorts­beleid op o.a. kinder­boer­de­rijen


Vragen van het lid Thieme (PvdD) aan de ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over Q-koortsbeleid op o.a. kinderboerderijen

1. Kent u het bericht ‘LNV neemt risico' 1?

2. Kunt u aangeven waarin voor u het verschil in besmettingsgevaar tussen besmette dieren op kinderboerderijen en onbesmette dieren in de veehouderij zit, gerelateerd aan het feit dat de besmette dieren op de kinderboerderijen in leven mogen blijven en gezonde dieren in de veehouderij geruimd worden?

3. Mag uit uw gedoogbeleid voor kinderboerderijdieren met Q-koorts worden afgeleid dat de ruiming van gezonde dieren op veehouderijen louter door economische belangen wordt ingegeven? Zo neen, waarom niet?

4. Kunt u aangeven op grond van welke overwegingen u de conclusie trekt dat Q-koorts besmette dieren op kinderboerderijen geen gevaar voor mensen in de omgeving van kinderboerderijen zouden vormen?

5. Kunt u aangeven of de omwonende van besmette kinderboerderijen per brief geïnformeerd zijn over het besmettingsgevaar en het door u gevoerde beleid terzake?

6. Kunt u aangeven waarom er nog steeds geen hygiëneprotocol opgesteld is voor kleinschalige houderijen?

7. Kunt u aangeven hoe u de effectiviteit inschat van het gescheiden van het publiek laten aflammeren van schapen en geiten? Had deze maatregel net zo effectief kunnen zijn bij houderijen met meer dan 50 schapen of geiten? Zo neen, waarom niet? Zo ja, waarom is deze maatregel daar dan niet ingesteld?

8. Kunt u aangeven of er naast de testmethode van vaginaalswabs ook de mogelijkheid van bloedonderzoek bestaat om besmettingen bij individuele dieren vast te stellen?

9. Heeft u intussen nieuwe informatie over manieren om besmetting met Q-koorts bij individuele dieren vast te stellen?

10. Hoe beoordeelt u de zin in het advies van het RIVM2 die luidt: “Er was tot voor kort geen vervoersverbod voor dieren vanaf positieve bedrijven, waardoor nieuwe bedrijven besmet zijn geraakt”? Is deze constatering waar, waarom heeft u dan niet eerder een vervoersverbod afgekondigd en welke conclusies verbindt u nu aan deze constatering?

11. Is het waar dat in 2008 een cluster Q-koortspatiënten is geïdentificeerd gerelateerd aan een psychiatrische inrichting in Nijmegen waarbij de daar gehouden kleine herkauwers de waarschijnlijke bron waren 3? Zo ja, waarom is de Kamer daarvan niet op de hoogte gesteld en waarom is naar aanleiding van dit cluster van ziektegevallen geen beleid ontwikkeld voor houderijen met minder dan 50 geiten of schapen?

12. Kunt u aangeven op welke manier bezoekers van kinderboerderijen die besmet zijn met Q-koorts gecompenseerd zullen worden voor de geleden materiële en immateriële schade?

1www.agd.nl/1092478/Opinie/Weblogs/Blog/LNV-neemt-risico.htm
2 RIVM, 5 januari 2010, Aanvullend advies kinderboerderijen e.a. Kenmerk: 03/2010/ LCI/ JvS/TO
3 RIVM, 23 december 2009, Advies kinderboerderijen e.a. Kenmerk: 853/2009/LCI/JvS/LI

Antwoorddatum: 14 jan. 2010

Geachte Voorzitter,

Mede namens de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zend ik u hierbij de antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Thieme (PvdD) over Q-koorts.



Vraag 1
Kent u het bericht “LNV neemt risico”1?

Antwoord
Ja

Vraag 2
Kunt u uiteenzetten waarin voor u het verschil in besmettingsgevaar tussen besmette dieren op kinderboerderijen en onbesmette dieren in de veehouderij zit, gerelateerd aan het feit dat de besmette dieren op de kinderboerderijen in leven mogen blijven en gezonde dieren in de veehouderij geruimd worden?

Vraag 4
Kunt u uiteenzetten op grond van welke overwegingen u de conclusie trekt dat Q-koorts besmette dieren op kinderboerderijen geen gevaar voor mensen in de omgeving van kinderboerderijen zouden vormen?

Antwoord vraag 2 en 4
Zoals in onze brief van 6 januari 2010 (TK 28286, nr. 353) staat aangegeven, zijn er geen epidemiologische aanwijzingen waaruit blijkt dat kinderboerderijen en andere kleine bedrijven een relevant risico vormen voor de gezondheid van omwonenden. Daarnaast kan met een test geen onderscheid gemaakt worden tussen wel en niet besmette bedrijven als de dieren geen melk geven. Onderzoek met vaginaalswabs geeft onbetrouwbare informatie over de volksgezondheidsrisico’s van bedrijven. De test wordt bijvoorbeeld al positief bij één bacterie op een swab, terwijl een dergelijk bedrijf geen risico voor de volksgezondheid hoeft te zijn. De Q-koortsbacterie is endemisch in Nederland en kan ook in de omgeving (bijvoorbeeld stofmonsters) en bij andere diersoorten worden aangetoond.

Het doen van vaginaalswabs en de uitkomst daarvan is dan ook geen aanleiding om kinderboerderijen besmet te verklaren en andere of extra maatregelen te nemen. Voor kinderboerderijen en andere kleinschalige houderijen wordt een hygiëneprotocol opgesteld, om een eventueel risico op humane besmettingen te
minimaliseren. De maatregelen in het protocol zijn geschreven als ware de kinderboerderij besmet. Het hygiëneprotocol wordt deze week afgewerkt en kenbaar gemaakt bij kinderboerderijen. De aflammerperiode op besmette grote melkleverende geiten- en schapenbedrijven is gerelateerd aan de grote uitbraken zoals we die sinds 2007 bij mensen hebben gezien. Bij het aflammeren op deze besmette bedrijven komt in een keer een grote hoeveelheid bacteriën vrij. Er kan bij de dieren op besmet verklaarde (melkleverende) bedrijven geen onderscheid gemaakt worden tussen besmette en niet-besmette dieren.

Vraag 3
Mag uit uw gedoogbeleid voor kinderboerderijdieren met Q-koorts worden afgeleid dat de ruiming van gezonde dieren op veehouderijen louter door economische belangen wordt ingegeven? Zo nee, waarom niet?

Antwoord
Nee, het ruimen van mogelijk gezonde dieren dient geen enkel economisch belang. Zoals ik uitgebreid heb uitgelegd tijdens het AO van 17 december is er geen mogelijkheid om met voldoende zekerheid besmette dieren te onderscheiden van niet-besmette dieren. Dit heeft te maken met het intermitterend uitscheidingspatroon
van het dier. Om te voorkomen dat de drachtige dieren op besmette bedrijven grote hoeveelheden bacteriën verspreiden tijdens het lammeren, worden deze dieren geruimd.

Vraag 5
Kunt u uiteenzetten of de omwonenden van besmette kinderboerderijen per brief geïnformeerd zijn over het besmettingsgevaar en het door u gevoerde beleid terzake?

Antwoord
Alleen omwonenden van door de VWA besmet verklaarde (melkleverende) geitenen schapenbedrijven zijn per brief geïnformeerd. Volgens deskundigen zijn er geen aanwijzingen dat omwonenden van kinderboerderijen een verhoogd risico lopen om Q-koorts te krijgen. Via de website www.qkoortsinnederland.nl is veel informatie te vinden over Q-koorts op kinderboerderijen. In het hygiëneprotocol dat deze week wordt opgesteld voor onder andere kinderboerderijen wordt geadviseerd om bezoekers te informeren over Q-koorts.

Vraag 6
Kunt u uiteenzetten waarom er nog steeds geen hygiëneprotocol opgesteld is voor kleinschalige houderijen?

Antwoord
Voor kinderboerderijen is er al verscheidene jaren een hygiënecode, met daarin uitgebreide protocollen voor hygiënemaatregelen. Zoals wij in onze brief van 6 januari hebben aangegeven wordt er specifiek voor Q-koorts een hygiëneprotocol opgesteld voor kinderboerderijen. Dit protocol wordt deze week verspreid onder kinderboerderijen en andere kleinschalige houderijen.

Vraag 7
Kunt u uiteenzetten hoe u de effectiviteit inschat van het gescheiden van het publiek laten aflammeren van schapen en geiten? Had deze maatregel net zo effectief kunnen zijn bij houderijen met meer dan 50 schapen of geiten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is deze maatregel daar niet ingesteld?

Antwoord
Bij melkgeiten- en melkschapenbedrijven lammeren er in een korte periode zeer veel dieren tegelijk af. Hierdoor kan er in een keer een grote hoeveelheid bacteriën in het milieu komen. Verwaaiing van de bacterie Coxiella burnetti uit de stal wordt gezien als een belangrijke risicofactor. Op kleinschalige bedrijven zoals Kinderboerderijen, waar veel minder dieren tegelijk aflammeren, wordt geadviseerd om dieren gescheiden van het publiek te laten aflammeren om de kans op mogelijke incidentele besmettingen te verkleinen en om beter toe te kunnen zien op een normaal verlopende geboorte en het
zorgvuldig opruimen van het geboortemateriaal.

Vraag 8
Kunt u uiteenzetten of er naast de testmethode van vaginaalswabs ook de mogelijkheid van bloedonderzoek bestaat om besmettingen bij individuele dieren vast te stellen?

Antwoord
Met vaginaalswabs en de tankmelktest worden delen van de bacterie aangetoond. De bacterie is niet in bloed aantoonbaar. Door middel van bloedonderzoek kunnen wel antistoffen aangetoond worden. Deze antistoffen zitten in het bloed als het dier ooit geïnfecteerd is geweest met Q-koorts, maar ook als het dier gevaccineerd is. Met een bloedtest is geen onderscheid te maken tussen ooit geïnfecteerde, besmettelijke en gevaccineerde dieren.

Vraag 9
Heeft u intussen nieuwe informatie over manieren om besmetting met Q-koorts bij individuele dieren vast te stellen?

Antwoord
Nee. Dat er geen onderscheid gemaakt kan worden tussen besmette en nietbesmette dieren heeft niets te maken met de kwaliteit van de testen, maar met het intermitterende uitscheidingspatroon van de dieren. Het is niet mogelijk een monster te nemen van de dieren waarin de bacterie bij besmetting altijd aanwezig is. De bacterie moet eerst uitgescheiden worden, voordat je deze in een monster kunt aantonen met een test. Het probleem moet dus niet gezocht worden in de kwaliteit van de testen, maar bij de fysiologie van de bacterie en de dieren. Er blijft een grote kans op vals negatieve uitslagen.

Vraag 10
Hoe beoordeelt u de zin in het advies van het RIVM2 die luidt: “Er was tot voor kort geen vervoersverbod voor dieren vanaf positieve bedrijven, waardoor nieuwe bedrijven besmet zijn geraakt”? Is deze constatering waar, en zo ja, waarom heeft u dan niet eerder een vervoersverbod afgekondigd en welke conclusies verbindt u nu aan deze constatering?

Antwoord
Het complete citaat luidt: “Het criterium voor het besmet zijn van een bedrijf was gebaseerd op melding van >5% abortus en positieve identificatie van C. burnetii. Hierdoor zijn besmette bedrijven gemist. Er was tot voor kort geen vervoersverbod voor dieren vanaf positieve bedrijven, waardoor nieuwe bedrijven besmet zijn geraakt.”

Pas in de zomer van 2009 werd duidelijk dat met een PCR-test op tankmelk goed onderscheid gemaakt kan worden tussen besmette en vrije bedrijven en dat ongeveer 70% van de melkgeitenbedrijven nog vrij is van de ziekte. Een vervoersverbod om verspreiding tegen te gaan was voorafgaand aan het beschikbaar komen van de PCR-test op tankmelk geen zinvolle maatregel.

Vraag 11
Is het waar dat in 2008 een cluster Q-koortspatiënten is geïdentificeerd gerelateerd aan een psychiatrische inrichting in Nijmegen waarbij de daar gehouden kleine herkauwers de waarschijnlijke bron waren?3 Zo ja, waarom is de Kamer daarvan niet op de hoogte gesteld en waarom is naar aanleiding van dit cluster van ziektegevallen geen beleid ontwikkeld voor houderijen met minder dan 50 geiten of schapen?

Antwoord
Ja, het klopt dat in 2008 een aantal Q-koortspatiënten zijn geweest, gerelateerd aan een kleine groep kleine herkauwers in Nijmegen. De Tweede Kamer is hierover wel degelijk geïnformeerd. Onder meer in antwoorden op uw schriftelijke vragen (Aanhangsel 2007-2008, nr. 2573). Het betrof hier een lokaal cluster waarbij aangetoond kon worden dat een groot deel van de patiënten direct contact had gehad met de dieren. Dergelijke situaties kwamen ook voor in de periode voorafgaande aan de huidige epidemie (vanaf 2007). Om de kans op deze incidentele besmettingen gerelateerd aan kleine groepen dieren te verkleinen is al vanaf 2009 een vaccinatieplicht ingesteld voor bedrijven met een publieksfunctie.

Vraag 12
Kunt u uiteenzetten op welke manier bezoekers van kinderboerderijen die besmet zijn met Q-koorts gecompenseerd zullen worden voor de geleden materiële en immateriële schade?

Antwoord
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de antwoorden van minister Klink op de vragen 8, 9 en 10 van het lid Thieme van 10 september 2008 (Aanhangsel 2007-2008, nr. 3538).


DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN
VOEDSELKWALITEIT,



G. Verburg

1 www.agd.nl/1092478/Opinie/Weblogs/Blog/LNV-neemt-risico.htm
2 RIVM, 5 januari 2010, Aanvullend advies kinderboerderijen e.a. Kenmerk: 03/2010/ LCI/ JvS/TO
3 RIVM, 23 december 2009, Advies kinderboerderijen e.a. Kenmerk: 853/2009/LCI/JvS/LI