Schrif­te­lijke vragen Wassenberg over bericht dat methaan­uit­stoot door gasin­du­strie groter is dan gedacht.


Schriftelijke vragen van het lid Wassenberg (PvdD) aan de minister van Economische Zaken en Klimaat naar aanleiding van het bericht dat methaanuitstoot door gasindustrie groter is dan gedacht.

  1. Kent u het bericht “Meer methaanuitstoot door gasindustrie in Groningen dan gedacht”, waaruit blijkt dat aannames rond methaanuitstoot door de gasindustrie niet correct zijn en dat deze uitstoot te laag wordt ingeschat? [1]
  2. Deelt u de mening dat het zeer belangrijk is om methaanemissie goed in kaart te brengen om de juiste maatregelen te kunnen nemen om de emissie te beperken? Zo, nee waarom niet?
  3. Deelt u de mening dat methaanuitstoot het beste kan worden vastgesteld middels objectieve en controleerbare metingen, in plaats van door middel van berekeningen en schattingen door de sector? Zo nee waarom niet?
  4. Is het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) tot dezelfde conclusie gekomen, toen zij in 2017 onderzochten of de huidige systematiek van berekeningen en schattingen valide genoeg is of aangepast moet worden? Zo ja, tot welke aanpassingen in de meetsystematiek heeft dit geleid? Zo nee, waarom niet
  5. Kunnen we er vanuit gaan dat de SODM hierbij gebruik heeft gemaakt van objectieve metingen, naar het voorbeeld van de Norwegean Environment Agency?
  6. Bent u bereid tot het instellen van een landelijk meetprogramma naar de Nederlandse methaanemissies en –lekkages? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer en op welke wijze?
  7. Hoe vordert het beleid om de methaanemissie van de olie- en gasindustrie in Nederland te verlagen, reeds toegezegd in 2017?[3] Welke maatregelen zijn ondertussen genomen en in hoeverre is er al een daling gereduceerd? Worden er daarbij ook gerichte maatregelen genomen voor het tegengaan van methaanlekkages (jaarlijks 3000 tot 17000 ton methaan)uit boorgaten in de Noordzee?

[1] https://energeia.nl/energeia-artikel/40071210/meer-methaanuitstoot-door-gas-in-groningen-dan-geschat?utm_source=nieuwsbrief&utm_campaign=energeia-dagelijks&utm_medium=email&utm_content=20180801
[2] onderzoek is aangekondigd in beantwoording schriftelijke vragen Ouwehand en Van Tongeren; Vergaderjaar 2016–2017 aanhangselnummer 161701182, documentnummer 2017D04673
[3] toegezegd tijdens 30-ledendebat Gasvondst boven Schiermonnikoog; documentnummer 2018D17263, Handeling nummer h-tk-20172018-21-20

Antwoorddatum: 12 okt. 2018

Vragen van het lid Wassenberg (PvdD) aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat over het bericht dat methaanuitstoot door gasindustrie groter is dan gedacht (ingezonden 7 augustus 2018).

Antwoord van Minister Wiebes (Economische Zaken en Klimaat) (ontvangen 12 oktober 2018).

Vraag 1

Kent u het bericht «Meer methaanuitstoot door gasindustrie in Groningen dan gedacht», waaruit blijkt dat aannames rond methaanuitstoot door de gasindustrie niet correct zijn en dat deze uitstoot te laag wordt ingeschat?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Deelt u de mening dat het zeer belangrijk is om methaanemissie goed in kaart te brengen om de juiste maatregelen te kunnen nemen om de emissie te beperken? Zo, nee waarom niet?

Antwoord 2

Ja, ik deel die mening.

Vraag 3

Deelt u de mening dat methaanuitstoot het beste kan worden vastgesteld middels objectieve en controleerbare metingen in plaats van door middel van berekeningen en schattingen door de sector? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 3

Ik ben van mening dat methaanuitstoot het beste kan worden vastgesteld door objectieve en controleerbare metingen in combinatie met berekeningen en schattingen, omdat dit complementaire methoden zijn. In afsluiters of pompafdichtingen kunnen soms kleine lekkages ontstaan, die vanwege de geringe omvang onopgemerkt kunnen blijven. Om dit soort emissies op te sporen worden gasinstallaties periodiek met nauwkeurige gasmeters gecontroleerd. Wordt op deze manier een lek gevonden, dan wordt dit lek zo spoedig mogelijk gerepareerd. Het is dan in de regel niet mogelijk om vast te stellen hoeveel methaan is vrijgekomen sinds de voorlaatste meting. Daarom wordt een schatting gemaakt van de jaarlijkse hoeveelheid emissies op basis van een vastgesteld protocol onder toezicht van SodM.

Vraag 4

Is het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) tot dezelfde conclusie gekomen, toen zij in 2017 onderzocht of de huidige systematiek van berekeningen en schattingen valide genoeg is of aangepast moet worden?2 Zo ja, tot welke aanpassingen in de meetsystematiek heeft dit geleid? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 4

De huidige systematiek van het bepalen van de methaanemissies is geba-seerd op internationaal erkende en gevalideerde methoden en meettechnie-ken. SodM is na evaluatie tot de conclusie gekomen dat er geen andere, grootschalig gevalideerde methoden voorhanden zijn en dat de gebruikte systematiek voldoet. Er is naar aanleiding van de evaluatie één aanpassing doorgevoerd. Bij de evaluatie bleek dat NOGEPA-leden soms verschillende kentallen in hun berekeningen gebruikten. NOGEPA heeft in mei 2018 een aangepaste procedure gepubliceerd, waarin de kentallen waar mogelijk zijn geharmoni-seerd. De e-MJV rapportage van de mijnbouwondernemingen over 2017 is met deze nieuwe procedure opgesteld. Daarbij heeft SodM gecontroleerd of de toepassing van het nieuwe protocol zou leiden tot trendbreuken voor wat betreft de totale uitstoot van methaan. Dit blijkt niet het geval te zijn.

Vraag 5

Kunnen we er vanuit gaan dat het SodM hierbij gebruik heeft gemaakt van objectieve metingen, naar het voorbeeld van de Norwegian Environment Agency?

Antwoord 5

Ja, zie mijn antwoord op vragen 3 en 4.

Vraag 6

Bent u bereid tot het instellen van een landelijk meetprogramma naar de Nederlandse methaanemissies en -lekkages? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer en op welke wijze?

Antwoord 6

Ik zal met SodM en NOGEPA bezien of een aanvullend meetprogramma nodig is en zo ja hoe dit vorm moet krijgen. Zie ook mijn antwoord op vraag 9.

Vraag 7

Hoe vordert het beleid om de methaanemissie van de olie- en gasindustrie in Nederland te verlagen, reeds toegezegd in 2017?3

Antwoord 7

In de afgelopen jaren zijn methaanemissies gereduceerd door maatregelen af te spreken met mijnbouwondernemingen en deze vervolgens vast te leggen in de mijnbouwmilieuvergunningen en omgevingsvergunningen. De methaanemissies van de mijnbouwondernemingen zijn hierdoor sinds 1995 substantieel gereduceerd (van ongeveer 60 kton in 1995 naar ongeveer 12 kton in 2017 op grond van het Elektronisch milieujaarverslag (e-MJV). Als invulling van mijn toezegging wordt nu voor het verder terugdringen van methaanemissies die zijn gerelateerd aan de olie- en gaswinning op het Nederlandse deel van de Noordzee, gekeken naar de huidige praktijk van het offshoreafblazen in plaats van affakkelen van aardgas.

Vraag 8

Welke maatregelen zijn ondertussen genomen en in hoeverre is er al een daling gereduceerd?

Antwoord 8

Zie het antwoord op vraag 7.

Vraag 9

Worden er hierbij ook gerichte maatregelen genomen voor het tegengaan van methaanlekkages ter grootte van jaarlijks 3000 tot 17.000 ton methaan uit boorgaten in de Noordzee?

Antwoord 9

In de publicatie2 wordt gesproken over mogelijke lekkage die bij drie buiten gebruik gestelde putten is vastgesteld. De putten zijn gelegen in het centrale gedeelte van de Noordzee, maar buiten Nederlands grondgebied. Deze lekkages worden veroorzaakt door een lekkage langs de put, die is ontstaan toen de put door ondiepe lagen heen werd geboord op weg naar het dieper gelegen olie of gasreservoir. De ondiepe lagen zijn vanwege hun ondiepe ligging veelal nog onvoldoende geologische «versteend» en kunnen zogeheten «ondiep gas» ofwel biogeen gas (moerasgas) bevatten. Vanwege de losse structuur van deze lagen kan bij een doorboring een lekpad voor het «ondiep gas» vanuit een ondiepe laag omhoog naar de zeebodem ontstaan. De publicatie beschrijft vervolgens dat wanneer dit fenomeen zich bij alle buiten gebruik gestelde putten zou voordoen op de Noordzee (geëxtrapoleerd van de lekkagehoeveelheid van biogeen gas uit de 3 onderzochte putten) er naar schatting jaarlijks theoretisch 3.000 tot 17.000 ton methaan langs de putten zou kunnen vrijkomen. Naar aanleiding van de bovengenoemde publicatie2 heeft SodM besloten om TNO te vragen een onderzoek uit te voeren, om vast te stellen of de genoemde geologische condities van deze ondiepe lagen en aanwezigheid van «ondiep gas» zich ook op het Nederlandse Continentaal Plat kunnen voordoen. In dit onderzoek wordt ook gekeken welke putten er zich dan in deze «ondiep gas» gebieden bevinden. Het onderzoek zal in het eerste kwartaal van 2019 worden afgerond. Indien de resultaten aanleiding geven tot maatregelen, zal SodM er op toezien dat de olie- en gasoperators de noodzakelijke maatregelen nemen.

1 https://energeia.nl/energeia-a...

2 Onderzoek is aangekondigd in beantwoording schriftelijke vragen Ouwehand en Van Tongeren; Vergaderjaar 2016–2017 aanhangselnummer 161701182, documentnummer 2017D04673

3 Toegezegd tijdens het debat over de Gasvondst boven Schiermonnikoog; documentnummer 2018D17263, Handeling nummer h-tk-20172018-21-20