Vervolg­vragen over infil­tratie binnen de mili­eu­be­weging


Vervolgvragen van het lid Thieme (Partij voor de Dieren) aan de ministers van Binnenlandse Zaken en van Veiligheid & Justitie over infiltratie binnen de milieubeweging

1. In antwoord op mijn schriftelijke vragen dd 22 februari 2011[1], meldt u dat de BVD t.a.v. Roel van Duijn gehandeld heeft op basis van zijn wettelijke taken; kunt u uitleggen om welke taak het dan gegaan is, nu vaststaat dat het de wettelijke taak van de BVD/AIVD is om de democratische rechtsorde te beschermen en Dhr. van Duijn een van degenen is geweest die in deze jaren heeft bijgedragen aan de verruiming van de democratie en van een begin van ecologisch besef in de publieke opinie door zijn werk binnen en buiten de gemeenteraad van Amsterdam , waarvoor hij in 2003 een Koninklijke onderscheiding heeft ontvangen, vanwege zijn inzet voor de democratie?

2.Kunt u er begrip voor tonen dat het feit dat de BVD gedurende meerdere decennia belangstelling getoond heeft voor Dhr. Van Duijn de verdenking wekt dat hij op de een of andere manier staatsgevaarlijk was en afbreuk aan de democratie wilde doen? Kunt u bevestigen dat nu gebleken is dat dit geenszins het geval was, dat hij steeds geweldloos en ludiek gewerkt heeft, en er daarom alle reden is voor een publiekelijke rehabilitatie door de regering?

3. Bent u ermee bekend dat Dhr. Van Duijn op 16 juni 2009 een doos met 353 kopieën van BVD-berichten over hem heeft ontvangen, wat duidt op een aanzienlijke aandacht van de BVD voor hem? En dat hij op 30 december 2009 2010, na bezwaar, nogmaals 221 kopieën van BVD-berichten in verband met hem heeft ontvangen, wat die indruk nog versterkt heeft? Hoe beoordeelt u dat?

4. Bent u ermee bekend dat een vertegenwoordiger van de AIVD op 11 november 2010 voor de rechtbank Den Haag gesteld heeft dat bepaalde stukken betreffende Dhr. Van Duijn (notulen Provoconcilie in Borgharen 1966) niet aan hem ter hand gesteld mogen worden, terwijl enkele weken later is gebleken dat deze stukken al vijf maanden eerder wel aan een derde, in een Provodossier aan een onderzoeksbureau, waren opgestuurd?

5. Kunt u een verklaring geven over hoe het kan gebeuren dat u op 14 februari 2011 het gehele Provodossier in een brief aan Dhr. Van Duijn gestuurd heeft, terwijl kort daarvoor de AIVD nog verkondigd had dat verstrekking van deze stukken in strijd met de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2002 en dus de staatsveiligheid zou zijn? Waarop baseerde de AIVD zich in deze?

6. Waarom heeft u Dhr. van Duijn niet in de gelegenheid gesteld een beroep te doen op behandeling van zijn klacht en zijn voorstel aan de Commissie voor toezicht van de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten (CTIVD) om te inventariseren welke stukken de AIVD in zijn archief heeft met betrekking tot Dhr. Van Duijn? Waarom heeft u in dezelfde brief van 14 februari aan Dhr. Van Duijn meegedeeld dat zijn verzoek aan de CTIVD niet in behandeling kan worden genomen, terwijl toch de CTIVD voor een dergelijke toezichthoudende en adviserend taak in het leven is geroepen? Deelt u de mening dat het niet juist is om dergelijke verzoeken te blokkeren met een verwijzing naar de mogelijkheid van een juridische procedure, omdat de CTIVD op deze manier een overbodig orgaan wordt en de toch al zwaar belaste rechtbanken een overbodig zware werklast krijgen? Zo neen, waarom niet?

7. Deelt u de mening dat het niet de bedoeling kan zijn om ten onrechte gevolgde milieuactivisten zoals Dhr. Van Duijn zo weinig transparantie te bieden als nu het geval is, waardoor hij zich in een wirwar van juridische procedures moet storten om alle BVD-stukken ter inzage te krijgen waarop hij recht heeft? Deelt u de mening dat dit gebrek aan transparantie een jarenlang juridisch touwtrekken tot gevolg heeft, en dat dit de openheid, die nodig is voor het schrijven van memoires en andere vormen van geschiedschrijving in de weg staat?

8. Bent u, nu duidelijk is geworden dat nog maar het topje van een ijsberg van BVD-stukken aan Dhr. Van Duijn verstrekt is, alsnog bereid om alles te doen wat in uw vermogen ligt om te inventariseren welke en hoeveel BVD-stukken betreffende hem zich in het AIVD-archief bevinden? Bent u bereid om alles te doen wat mogelijk is om deze ijsberg van stukken boven water te brengen en zo spoedig mogelijk aan van Duijn te overhandigen? Zo neen, waarom niet?

9. Kunt u een verklaring geven voor het feit dat de stukken over Dhr. Van Duijn van na 1982 niet aan hem ter inzage gegeven worden onder het argument dat deze stukken nog ‘actueel’ zouden zijn? Op welke wijze wordt de actualiteit van deze stukken bepaald?

10. Deelt u , dit alles nu overziende, de mening dat het nodig is dat de CTIVD inventariseert welke en hoeveel stukken betreffende dhr. Van Duijn alsmede de aan hem gerelateerde bewegingen zich bij de AIVD bevinden en dat de CTIVD advies brengt over welke van die stukken zonder probleem ter inzage kunnen worden gegeven? Bent u bereid daartoe opdracht aan de CTIVD te geven? Zo nee, waarom niet?

11. Bent u bereid om, ter lering voor toekomstige gevallen, ervoor te zorgen dat de AIVD via een beknopte analyse een conclusie trekt uit het vele werk van de BVD in de richting van Dhr. van Duijn, in die zin dat de AIVD aangeeft of uit al het omvangrijke materiaal betreffende zijn persoon, gebleken is dat hij: - hetzij staatsgevaarlijk was en dus terecht gevolgd is, -hetzij niet staatsgevaarlijk was en dus onterecht in zijn privacy is aangetast, gedurende een lange reeks van jaren? Zo neen, waarom niet?

[1] Kenmerk 2011Z03659

Antwoorddatum: 29 mrt. 2011

Antwoorden kamervragen van het lid Thieme (PvdD) aan de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Veiligheid en Justitie over infiltratie binnen de milieubeweging, ingezonden 31 maart 2011 (2011Z06705)

1. Daar u in uw antwoord op eerdere vragen meldt u dat de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) ten aanzien van de heer Van Duijn gehandeld heeft op basis van zijn wettelijke taken, kunt u uitleggen om welke taak het dan gegaan is, nu vaststaat dat het de wettelijke taak van de BVD/ Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) is om de democratische rechtsorde te beschermen en de heer Van Duijn één van degenen is geweest die in deze jaren heeft bijgedragen aan de verruiming van de democratie en van een begin van ecologisch besef in de publieke opinie door zijn werk binnen en buiten de gemeenteraad van Amsterdam, waarvoor hij in 2003 een Koninklijke onderscheiding heeft ontvangen, vanwege zijn inzet voor de democratie?

2. Kunt u er begrip voor tonen dat het feit dat de BVD gedurende meerdere decennia belangstelling getoond heeft voor de heer Van Duijn de verdenking wekt dat hij op de een of andere manier staatsgevaarlijk was en afbreuk aan de democratie wilde doen? Kunt u bevestigen dat, nu gebleken is dat dit geenszins het geval was en hij steeds geweldloos en ludiek gewerkt heeft, er daarom alle reden is voor een publiekelijke rehabilitatie door de regering?

11. Bent u bereid om, ter lering voor toekomstige gevallen, ervoor te zorgen dat de AIVD via een beknopte analyse een conclusie trekt uit het vele werk van de BVD in de richting van de heer Van Duijn, in die zin dat de AIVD aangeeft of uit al het omvangrijke materiaal betreffende zijn persoon, gebleken is dat hij hetzij staatsgevaarlijk was en dus terecht gevolgd is, hetzij niet staatsgevaarlijk was en dus onterecht in zijn privacy is aangetast, gedurende een lange reeks van jaren? Zo nee, waarom niet?

Antwoord op vragen 1, 2 en 11:

De werkzaamheden van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) hebben sinds de oprichting ervan hun juridische grondslag gehad in opeenvolgende regelingen, laatstelijk de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 1987. De onderzoeken van de BVD vloeiden voort uit de aan de dienst opgedragen taak welke materieel overeenkomt met de thans in artikel 6, tweede lid, onder a, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (WIV 2002) beschreven taak. Deze taak betreft het verrichten van onderzoek, met betrekking tot organisaties en personen die door de doelen die zij nastreven, dan wel door hun activiteiten aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat. In de antwoorden op uw vragen van 22 februari 2011 (Aanhangsel van de Handelingen 1889) heb ik aangegeven dat de heer Van Duijn met name in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw de aandacht had van de BVD. In dat verband is erop gewezen dat deze aandacht paste in een beleid waarbij organisaties met een buitenparlementaire opstelling - zoals Provo - de interesse van de BVD hadden. Deze aandacht strekte ter uitvoering van de aan de BVD opgedragen taak en vond daarin zijn legitimatie. Ik verwijs u verder naar de antwoorden die ik in reactie op uw vragen aangaande de heer Van Duijn reeds heb gegeven.

3. Bent u ermee bekend dat de heer Van Duijn op 16 juni 2009 een doos met 353 kopieën van BVD-berichten over hem heeft ontvangen, wat duidt op een aanzienlijke aandacht van de BVD voor hem? En dat hij op 30 december 2009, na bezwaar, nogmaals 221 kopieën van BVD-berichten in verband met hem heeft ontvangen, wat die indruk nog versterkt heeft? Hoe beoordeelt u dat?

Naar aanleiding van een verzoek om inzage in zijn persoonsdossier heeft de AIVD de heer Van Duijn in dat kader op 16 juni 2009 353 kopieën verstrekt. In het bezwaarschrift dat de heer Van Duijn in reactie op deze verstrekking heeft ingediend, heeft de heer Van Duijn zijn verzoek verbreed. De AIVD heeft dat verzoek aangemerkt als een nieuw verzoek. Dit heeft geresulteerd in het verstrekken van 221 kopieën aan de heer Van Duijn, op 30 december 2009.

4. Bent u ermee bekend dat een vertegenwoordiger van de AIVD op 11 november 2010 voor de rechtbank Den Haag gesteld heeft dat bepaalde stukken betreffende de heer Van Duijn (notulen Provoconcilie in Borgharen 1966) niet aan hem ter hand gesteld mogen worden, terwijl enkele weken later is gebleken dat deze stukken al vijf maanden eerder wel aan een derde, in een Provodossier aan een onderzoeksbureau, waren opgestuurd?

5. Kunt u een verklaring geven over hoe het kan gebeuren dat u op 14 februari 2011 het gehele Provodossier in een brief aan de heer Van Duijn gestuurd heeft, terwijl kort daarvoor de AIVD nog verkondigd had dat verstrekking van deze stukken in strijd met de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2002 en dus de staatsveiligheid zou zijn? Waarop baseerde de AIVD zich in deze?

Antwoord op vragen 4 en 5:

Ten aanzien van gegevens betreffende het Provoconcilie in Borgharen in 1966, te weten het besloten gedeelte van dat concilie, is gedurende de procedure - dus ook tijdens de zitting bij de rechtbank Den Haag op 11 november 2010 - naar voren gebracht dat de heer Van Duijn in zijn verzoeken expliciet had verzocht om documenten over hem of herleidbaar tot hem. Naar de mening van de AIVD vielen de gegevens omtrent het besloten gedeelte van het concilie niet onder zijn verzoek, aangezien deze stukken geen betrekking hadden op de heer Van Duijn en evenmin tot hem herleidbaar waren. Aangezien de inhoud van de verzoeken om kennisneming leidend is bij de behandeling ervan, zijn deze stukken aldus niet verstrekt. Daarbij is nimmer gesteld dat deze stukken niet verstrekt konden worden omdat een van de weigeringsgronden van de WIV 2002 zich daar tegen zou verzetten en aldus de staatsveiligheid in het geding zou zijn.

Een derde heeft verzocht om stukken die in zijn algemeenheid betrekking hadden op gegevens over de organisatie Provo. Indien de heer Van Duijn destijds in algemene zin had verzocht om informatie over Provo, en zijn verzoek niet had ingeperkt tot stukken die betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot hem, zou de heer Van Duijn direct dezelfde informatie hebben ontvangen als een derde. De heer Van Duijn heeft dezelfde stukken alsnog ontvangen omdat deze door verstrekking aan een derde openbaar zijn geworden.

6. Waarom heeft u de heer Van Duijn niet in de gelegenheid gesteld een beroep te doen op behandeling van zijn klacht en zijn voorstel aan de Commissie voor Toezicht van de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten (CTIVD), om te inventariseren welke stukken de AIVD in zijn archief heeft met betrekking tot de heer Van Duijn? Waarom heeft u in dezelfde brief van 14 februari 2011 aan de heer Van Duijn meegedeeld dat zijn verzoek aan de CTIVD niet in behandeling kan worden genomen, terwijl toch de CTIVD voor een dergelijke toezichthoudende en adviserend taak in het leven is geroepen? Deelt u de mening dat het niet juist is om dergelijke verzoeken te blokkeren met een verwijzing naar de mogelijkheid van een juridische procedure, omdat de CTIVD op deze manier een overbodig orgaan wordt en de toch al zwaar belaste rechtbanken een overbodig zware werklast krijgen? Zo nee, waarom niet?

8. Bent u, nu duidelijk is geworden dat nog maar het topje van een ijsberg van BVD-stukken aan de heer Van Duijn verstrekt is, alsnog bereid om alles te doen wat in uw vermogen ligt om te inventariseren welke en hoeveel BVD-stukken betreffende hem zich in het AIVD-archief bevinden? Bent u bereid om alles te doen wat mogelijk is om deze ijsberg van stukken boven water te krijgen en zo spoedig mogelijk aan de heer Van Duijn te overhandigen? Zo nee, waarom niet?

10. Deelt u , dit alles nu overziende, de mening dat het nodig is dat de CTIVD inventariseert welke en hoeveel stukken betreffende de heer Van Duijn alsmede de aan hem gerelateerde bewegingen zich bij de AIVD bevinden en dat de CTIVD advies brengt over welke van die stukken zonder probleem ter inzage kunnen worden gegeven? Bent u bereid daartoe opdracht aan de CTIVD te geven? Zo nee, waarom niet?

Antwoord op vragen 6, 8 en 10:
De Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat een aantal gronden waarop een bestuursorgaan kan besluiten om een klacht niet te behandelen. Eén van die gronden is dat de klacht betrekking heeft op een gedraging waartegen beroep kan of kon worden ingesteld bij de (bestuurs)rechter. De ratio van deze bevoegdheid is eerbiediging van de trias politica hetgeen impliceert dat waar beroep op de rechter mogelijk is, het bestuur dat niet moet doorkruisen door tot behandeling van een klacht over dezelfde gedraging over te gaan.

De brief van de heer Van Duijn van 10 januari 2011 betreft naar mijn oordeel een klacht over de wijze waarop zijn verzoek om kennisneming is afgehandeld. Omdat de beslissing op een dergelijk verzoek een besluit is in de zin van de Awb staan daartegen rechtsmiddelen open, waarvan betrokkene gebruik heeft gemaakt en nog steeds maakt. Zijn grieven in de klacht raken alle aan de rechtmatigheid van dit besluit, die door de bestuursrechter (kunnen) worden beoordeeld. De procedure bij de bestuursrechter is in gevallen als de onderhavige, waar sprake is van een besluit in de zin van de Awb, de meest aangewezen en adequate voorziening, mede in aanmerking genomen het feit dat de rechter ook inzage kan hebben in de geheime stukken. Gelet hierop heb ik gebruik gemaakt van mijn bevoegdheid om de klacht niet in behandeling te nemen, waardoor het inwinnen van een (inhoudelijk) advies over de klacht bij de CTIVD - in haar rol als extern klachtadviseur - niet aan de orde is. De heer Van Duijn heeft vervolgens de mogelijkheid zijn klacht in te dienen bij de Nationale ombudsman.

Mede gelet op het voorgaande, waarbij sprake is van een adequate rechterlijke voorziening, acht ik het niet opportuun dat de CTIVD inventariseert welke en hoeveel stukken de AIVD heeft betreffende de heer Van Duijn en de aan hem gerelateerde bewegingen. Zoals al eerder - ook in de rechterlijke procedure - is uiteengezet wordt naar aanleiding van ieder verzoek om kennisneming van stukken bij de AIVD zorgvuldig en uitgebreid archiefonderzoek gedaan. Dat is ook in dit geval gebeurd. Deze gegevens zijn vervolgens voor zover de bepalingen genoemd in de Wiv 2002 het toestaan, aan hem verstrekt. Of de AIVD deze gegevens juist heeft beoordeeld en bewerkt is ter beoordeling van de bestuursrechter.

7. Deelt u de mening dat het niet de bedoeling kan zijn om ten onrechte gevolgde milieuactivisten zoals de heer Van Duijn zo weinig transparantie te bieden als nu het geval is, waardoor hij zich in een wirwar van juridische procedures moet storten om alle BVD-stukken ter inzage te krijgen waar hij recht op heeft? Deelt u de mening dat dit gebrek aan transparantie een jarenlang juridisch touwtrekken tot gevolg heeft, en dat dit de openheid, die nodig is voor het schrijven van memoires en andere vormen van geschiedschrijving in de weg staat?

Er is geen sprake van een gebrek aan transparantie. De inhoud van de verzoeken om kennisneming is leidend voor de behandeling ervan en de WIV 2002 geeft het wettelijk kader voor het verstrekken van deze gegevens. Bij de beoordeling van alle verzoeken om kennisneming wordt zorgvuldig beoordeeld of de aangetroffen gegevens vrijgegeven kunnen worden of niet. Daarbij is het niet relevant wat de achtergrond van de aanvrager is of is geweest en met welke reden deze gegevens worden opgevraagd. Conform de bepalingen van de Awb staat de mogelijkheid open voor de betrokkene om de besluitvorming door de AIVD ter toetsing aan de bestuursrechter voor te leggen, zoals ook in de antwoorden hiervoor is aangegeven.

9. Kunt u een verklaring geven voor het feit dat de stukken over de heer Van Duijn van na 1982 niet aan hem ter inzage gegeven worden onder het argument dat deze stukken nog «actueel» zouden zijn? Op welke wijze wordt de actualiteit van deze stukken bepaald?

Nimmer is ten aanzien van deze stukken aangegeven dat ze niet konden worden verstrekt omdat ze nog actueel zouden zijn. Ten aanzien van de vraag of zich in een bepaald dossier actuele gegevens bevinden worden tenslotte geen uitlatingen gedaan, ook niet ten aanzien van de vraag of deze er wel of niet zijn. Hiervoor wil ik u ook verwijzen naar hetgeen onder rechtsoverweging 3.2 van de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 februari 2011 (AWB 09/9142 en AWB 10/3637) is opgenomen.