Vragen Ouwehand/Futselaar over de bijdrage van 8 miljoen euro aan de nert­sen­hou­derij


Vragen van het lid Ouwehand (Partij voor de Dieren) en het lid Futselaar (SP) aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over de bijdrage van 8 miljoen euro aan de nertsenhouderij

  1. Wat is de reden voor uw besluit om 8 miljoen euro van het budget dat zou zijn bestemd voor de warme sanering van de varkenshouderij, te reserveren voor de flankerende maatregelen in het kader van de Wet verbod pelsdierhouderij[1]? Op welke wijze draagt dit bij aan het doel van de ‘transitie naar een vitale, robuuste, toekomstbestendige en duurzame varkenshouderijketen’?
  2. Hoe verhoudt dit besluit zich tot uw eerdere uitspraak “Op dit moment zie ik geen aanleiding om naast de in het kader van de Wet verbod pelsdierhouderij vastgestelde flankerende maatregelen aanvullende voorzieningen te treffen”?[2]
  3. Wat gaat dit bedrag van 8 miljoen euro voor ingezet worden? En hoe staat dit in verhouding tot de eerder gereserveerde middelen van 28 miljoen euro[3]?
  4. Kunt u bevestigen dat er nog 146 nertsenfokkerijen zijn in Nederland[4]? Zo niet, wat is dan het correcte aantal?
  5. Kunt u bevestigen dat uit de Regeling en het Besluit subsidiering sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij voortvloeit dat het maximum bedrag voor de sloop- en ombouwkosten per locatie 95.000 euro bedraagt, of 120.000 euro wanneer asbestsanering nodig is?[5] Zo ja, waar gaat het resterende bedrag van 22,13 miljoen euro voor ingezet worden? Wordt de Kamer in de mogelijkheid gesteld hierover mee te beslissen?
  6. Hoe kan de Kamer controleren of dit geld niet gaat naar frauderende bedrijven, zoals bedrijven die illegaal hebben uitgebreid de afgelopen jaren? Deelt u de mening dat dit zeer onwenselijk zou zijn? Zo nee, waarom niet?
  7. Wat zou het kosten als de overgangstermijn van het verbod op de pelsdierhouderij met een jaar zou worden ingekort? Deelt u de mening dat dit het risico op staatssteun zou verminderen?
  8. Hoe kijkt u naar de aanpak van Vlaanderen, waarin de hoogte van de compensatievergoeding voor nertsenhouders wordt gekoppeld aan het tijdstip dat zij stoppen met de nertsenfokkerij: hoe eerder zij stoppen, hoe hoger de compensatie[6]? Welke mogelijkheden ziet u voor een dergelijke aanpak in Nederland, gelet op de extra investering van 8 miljoen voor de pelsdierhouderij?
  9. Kunt u bevestigen dat het aantal nertsenfokkerijen sinds 2012 is afgenomen, terwijl het aantal nertsen, in ieder geval tussen 2012 en 2015, nagenoeg gelijk is gebleven? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het uitbreidingsverbod dat deel uitmaakt van het verbod op de pelsdierhouderij? Zo niet, wat zijn dan de correcte aantallen?
  10. Hoe beoordeelt u het feit dat de NVWA zeer regelmatig niet tijdig beslist op verzoeken van NGO’s? Bent u bereid hierover met de NVWA in gesprek te gaan? Hoeveel geld heeft de NVWA de afgelopen tien jaar moeten betalen aan dwangsommen wegens niet tijdig beslissen? Hoeveel extra menskracht zou dit hebben opgeleverd, in fte omgerekend?
  11. Hoe gaat de NVWA om met het toezicht op de nertsenfokkerij tot 2024? Hoeveel capaciteit is hiervoor beschikbaar? Op basis van welke gegevens wordt het risicogericht toezicht in deze sector ingericht?
  12. Waarom heeft de Centrale Commissie Dierproeven op 1 januari 2018 een vergunning voor 5 jaarverleend voor dierproeven op 300 nertsen en 36100 muizen ten behoeve van vaccins in de nertsenhouderij? Bent u ervan op de hoogte dat deze dierproeven matig tot ernstig ongerief bij de proefdieren veroorzaken waaronder algehele verlammingsverschijnselen?[7]
  13. Vindt u het ethisch verantwoord om dierproeven in te zetten voor een commerciële dierhouderij die op 1 januari 2024 vanwege ethische redenen niet meer toegestaan zal zijn in Nederland?
  14. Wie voert de proeven uit en wie draagt de kosten voor deze dierproeven?

[1] Kamerstuk 28 973, nr. 200

[2] Kamerstuk 30 826, nr. 51

[3] Kamerstuk 30 826, nr. 30

[4] https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2016/44/aantal-nertsen-met-10-procent-gedaald

[5] http://www.nfe.nl/files/4915/3071/0615/Pag_170-171_van_651974_juni_2018.pdf

[6] https://www.knack.be/nieuws/belgie/vlaanderen-verbiedt-pelsdierkweek-en-dwangvoederen-enorme-stap-vooruit/article-normal-1175995.html

[7] https://www.centralecommissiedierproeven.nl/documenten/vergunningen/18/3/1/nts-20173345-vaccin-controle

Hierbij stuur ik u de antwoorden op de vragen van het lid Ouwehand (Partij voor de Dieren) en het lid Futselaar (SP) over de bijdrage van 8 miljoen euro aan de nertsenhouderij (2018Z14349).

  1. Wat is de reden voor uw besluit om 8 miljoen euro te reserveren voor de flankerende maatregelen in het kader van de Wet verbod pelsdierhouderij? Op welke wijze draagt dit bij aan het doel van de ‘transitie naar een vitale, robuuste, toekomstbestendige en duurzame varkenshouderijketen’?

2. Hoe verhoudt dit besluit zich tot uw eerdere uitspraak: “op dit moment zie ik geen aanleiding om naast de in het kader van de Wet verbod pelsdierhouderij vastgestelde flankerende maatregelen aanvullende voorzieningen te treffen”?

3. Waar gaat dit bedrag van 8 miljoen euro voor ingezet worden? Hoe staat dit in verhouding tot de eerder gereserveerde middelen van 28 miljoen euro?

5. Kunt u bevestigen dat uit de Regeling en het Besluit subsidiering sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij voortvloeit dat het maximum bedrag voor de sloop- en ombouwkosten per locatie 95.000 euro bedraagt of 120.000 euro wanneer asbestsanering nodig is? Zo ja, waar gaat het resterende bedrag van 22,13 miljoen euro voor ingezet worden? Wordt de Kamer in de mogelijkheid gesteld hierover mee te beslissen?

Antwoord 1, 2, 3 en 5
In mijn brief van 7 juli 2018 heb ik aangekondigd dat 8 miljoen euro gereserveerd zal worden voor de verschillende flankerende maatregelen in het kader van de Wet verbod pelsdierhouderij, bovenop de al eerder gereserveerde middelen. Ten behoeve van deze reservering wordt het beschikbare bedrag voor de transitie naar een duurzame varkenshouderijketen met 8 miljoen euro verlaagd.
Op grond van het Besluit en de Regeling is het maximumbedrag voor sloop- en ombouwkosten, per locatie, inderdaad 95.000 euro of, indien bij het slopen of ombouwen asbest wordt verwijderd, 120.000 euro. In de komende periode zal ik onderzoeken hoe dit extra bedrag, in overeenstemming met de toepasselijke staatssteunrechtelijke randvoorwaarden, kan worden aangewend. Als dit leidt tot een wijziging van het Besluit subsidiëring sloop- en ombouwkosten pelsdierhouderij, zal ik uw Kamer daarover informeren.

4. Kunt u bevestigen dat er nog 146 nertsenfokkerijen zijn in Nederland? Zo nee, wat is dan het correcte aantal?

9. Kunt u bevestigen dat het aantal nertsenfokkerijen sinds 2012 is afgenomen, terwijl het aantal nertsen, in ieder geval tussen 2012 en 2015, nagenoeg gelijk is gebleven? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het uitbreidingsverbod dat deel uitmaakt van het verbod op de pelsdierhouderij? Zo nee, wat zijn dan de correcte aantallen?

Antwoord 4 en 9
Er zijn momenteel in Nederland 145 bedrijven waar edelpelsdieren worden gehouden. Uit gegevens van het CBS (2018) blijkt dat in alle jaren na 2013 sprake was van een lager aantal gehouden edelpelsdieren dan in 2013. In de link treft u de aantallen gehouden dieren per jaar aan[1].

6. Hoe kan de Kamer controleren of dit geld niet gaat naar frauderende bedrijven, zoals bedrijven die illegaal hebben uitgebreid de afgelopen jaren? Deelt u de mening dat dit zeer onwenselijk zou zijn? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 6
Bij brief van 20 januari 2017 (Kamerstuk 30826, nr. 51) heb ik op een vergelijkbare vraag van de PvdD-fractie geantwoord dat, op grond van het Besluit, de Regeling, en het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies, subsidie kan worden geweigerd indien deze is aangevraagd voor sloop of ombouw van stallen die zijn gebouwd en gebruikt in strijd met de Wet verbod pelsdierhouderij. Als minister voer ik deze regelgeving uit en houd ik toezicht op de naleving ervan. De Tweede Kamer kan mij hierop controleren.

7. Wat zou het kosten als de overgangstermijn van het verbod op de pelsdierhouderij met een jaar zou worden ingekort? Deelt u de mening dat dit het risico op staatssteun zou verminderen?

8. Hoe kijkt u naar de aanpak van Vlaanderen, waar de hoogte van de compensatievergoeding voor nertsenhouders wordt gekoppeld aan het tijdstip dat zij stoppen met de nertsenfokkerij: hoe eerder zij stoppen, hoe hoger de compensatie? Welke mogelijkheden ziet u voor een dergelijke aanpak in Nederland, gelet op de extra investering van 8 miljoen voor de pelsdierhouderij?

Antwoord 7 en 8
De overgangstermijn is vastgelegd in de Wet verbod pelsdierhouderij. Een schatting van de kosten die verkorting van de overgangstermijn met zich mee zou brengen, is niet te maken. Bij de totstandkoming van de Nederlandse subsidieregeling voor sloop- en ombouwkosten van pelsdierhouderijen is aangesloten bij hetgeen daarover tijdens de parlementaire behandeling van de Wet verbod pelsdierhouderij is gewisseld en hetgeen door initiatiefnemers is beoogd. Het Besluit subsidiëring sloop- en ombouwkosten is een staatssteunmaatregel, die is aangemeld bij en goedgekeurd door de Europese Commissie. De duur van de overgangstermijn heeft als zodanig geen invloed op de kwalificatie van de subsidieregeling als staatssteun. Ik acht het onwenselijk en zie geen mogelijkheden om in de Nederlandse subsidieregeling een afnemende vergoeding toe te passen, omdat ondernemers anticiperen en besluiten hebben genomen op basis van de in deze vanaf 1 maart jongstleden opengestelde regeling.

10. Hoe beoordeelt u het feit dat de NVWA zeer regelmatig niet tijdig beslist op verzoeken van niet-gouvernementele organisaties? Bent u bereid hierover met de NVWA in gesprek te gaan? Hoeveel geld heeft de NVWA de afgelopen tien jaar moeten betalen aan dwangsommen wegens niet tijdig beslissen? Hoeveel extra menskracht zou dit hebben opgeleverd, in fte omgerekend?

Antwoord 10
De NVWA moet binnen de haar beschikbare middelen werken, en net als bij andere werkzaamheden heb ik het vertrouwen dat bij handhavingsverzoeken de zorgvuldigheid voorop staat. Op de meeste handhavingsverzoeken wordt tijdig beslist. Vanaf 2016 is een toename van het aantal ingediende handhavingsverzoeken te zien. In 2012 werden twee verzoeken ingediend, in 2013 één verzoek, in 2014 twee verzoeken waarvan één niet tijdig afgehandeld (1.260 euro dwangsom), in 2015 drie verzoeken waarvan één niet tijdig afgehandeld (1.260 euro dwangsom), in 2016 zes verzoeken waarvan twee niet tijdig afgehandeld (1.260 euro dwangsom), in 2017 dertien verzoeken waarvan twee niet tijdig afgehandeld (1.340 euro dwangsom) en in 2018 tot nu toe negentien verzoeken waarvan vier niet tijdig afgehandeld (4.020 euro dwangsom). Voor zover kon worden nagegaan zijn in de jaren 2009 tot en met 2011 geen handhavingsverzoeken ingediend en zijn in 2012 en 2013 geen dwangsommen betaald wegens niet-tijdig beslissen. Uitgaande van kosten op jaarbasis van 100.000 euro voor 1 fte zouden de betaalde dwangsommen in de afgelopen jaren tussen de 0,01 en 0,04 extra menskracht in fte kunnen hebben opgeleverd.

11. Hoe gaat de NVWA om met het toezicht op de nertsenfokkerij tot 2024? Hoeveel capaciteit is hiervoor beschikbaar? Op basis van welke gegevens wordt het risicogericht toezicht in deze sector ingericht?

Antwoord 11
De afgelopen jaren heeft de NVWA geïnspecteerd op de Wet verbod pelsdierhouderij. De NVWA zet in de komende jaren de capaciteit die beschikbaar is voor toezicht, waaronder op de nertsenfokkerij, zo efficiënt mogelijk in en bepaalt jaarlijks risicogericht de prioriteiten bij het toezicht op de naleving. Bij de prioritering speelt het toezichtbeeld dat de NVWA van een sector heeft over de afgelopen jaren een belangrijke rol. In 2017 heeft de NVWA bij 40 nertsenfokkerijen een inspectie uitgevoerd. In 39 gevallen werden er geen overtredingen geconstateerd. In een geval werd geconstateerd dat er meer dieren werden gehouden dan toegestaan volgens de vergunning. Daarvoor is een proces-verbaal opgemaakt.

12. Waarom heeft de Centrale Commissie Dierproeven op 1 januari 2018 een vergunning voor vijf jaar verleend voor dierproeven op 300 nertsen en 36.100 muizen ten behoeve van vaccins in de nertsenhouderij? Bent u ervan op de hoogte dat deze dierproeven matig tot ernstig ongerief bij de proefdieren veroorzaken waaronder algehele verlammingsverschijnselen?

13. Vindt u het ethisch verantwoord om dierproeven in te zetten voor een commerciële dierhouderij die op 1 januari 2024 vanwege ethische redenen niet meer toegestaan zal zijn in Nederland?

Antwoord 12 en 13
De vergunning is verleend, rekening houdend met het gestelde in artikel 10, 10a en 10a2 van de Wet op de dierproeven. De CCD heeft een ethische afweging gemaakt of het matige tot ernstige ongerief van de proefdieren opweegt tegen de opbrengsten van het onderzoek, te weten veilige en werkzame vaccins voor pelsdieren. Op 1 april 2017 werden bijna 919.000 moederdieren gehouden bij nertsenfokkers (bron: CBS). Het totale aantal nertsen is tussen de werptijd in het voorjaar en de slacht in december 5-6x zo hoog (bron: CBS). De vaccins die getest worden onder de genoemde vergunning zijn dan ook vaccins tegen ernstige ziektes waar veel pelsdieren aan overlijden. Dat er nu nog veel pelsdieren worden gehouden, die zonder deze vaccins ernstig ziek kunnen worden, en dat het in Nederland houden van pelsdieren vanaf 1 januari 2024 niet meer is toegestaan, heeft de CCD meegewogen in haar besluit.

14. Wie voert de proeven uit en wie draagt de kosten voor deze dierproeven?

Antwoord 14
Er wordt geen informatie verschaft over de partij die deze proeven uitvoert en wie de kosten voor deze dierproeven draagt. Wel worden over dierproeven niet-technische samenvattingen gepubliceerd om ervoor te zorgen dat het publiek wordt geïnformeerd[2].
Er mag echter geen intellectuele eigendomsrecht worden geschonden noch vertrouwelijke informatie worden prijsgegeven. Dit staat vermeld in de Memorie van Toelichting bij de Wet op de dierproeven en volgt uit Artikel 43, eerste lid van de Europese richtlijn 2010/63/EU en Artikel 4, tweede lid van de Dierproevenregeling 2014.