Vragen over de vergroe­ningseis van het Gemeen­schap­pelijk Land­bouw­beleid om permanent grasland te behouden


Vragen van het lid Ouwehand aan de staatssecretaris van Economische Zaken over de vergroeningseis van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid om permanent grasland te behouden.

  1. Kunt u bevestigen dat er bij de laatste herziening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid de generieke vergroeningseis is gesteld dat blijvend grasland behouden moet worden?
  2. Kunt u bevestigen dat er in de nationale implementatie van deze vergroeningseis (KS 28625 nr 168) voor is gekozen om een verbod in te stellen voor het omploegen of omzetten van kwetsbare blijvende graslanden binnen Natura 2000-gebieden, ter bescherming van de biodiversiteit?
  3. Kunt u uitleggen waarom voor deze implementatie is gekozen, en daarbij ingaan op de grotere biodiversiteitswaarde en de betekenis voor opslag van CO2 in de bodem van blijvend grasland ten opzichte van grasland dat opnieuw is ingezaaid?
  4. Kunt u bevestigen dat blijvend grasland land is dat vijf jaar of langer grasland is (KS 28625 nr 168), een eis die door RVO als volgt is gedefinieerd: “Een perceel grasland wordt als blijvend grasland gezien als deze tenminste 5 jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen”[1]? Waarom zei u in het debat over de meststoffenwet dan: “Het meeste grasland dat wordt omgeploegd in Nederland, wordt vervolgens opnieuw met gras ingezaaid. Dat doet dus geen afbreuk aan de areaaleis. Op dit moment is de maximale afname van 5% dus niet in gevaar[2]”?Kunt u bevestigen dat uw uitleg in het debat een onjuiste interpretatie van blijvend grasland is?
  5. Kunt u bevestigen dat er in de nationale implementatie van het GLB is gesteld dat voor het grasland buiten de Natura 2000-gebieden werd gestreefd naar een nationale monitoring van het areaal blijvend grasland?
  6. Is de aangekondigde nationale monitoring inderdaad opgestart? Zo nee, waarom niet en op welke wijze kunt u dan bewijzen of Nederland wel of niet voldoet aan de voorwaarden van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid?
  7. Kunt u ook bevestigen dat, mocht het areaal blijvend grasland in Nederland met meer dan 5% dalen ten opzichte van het referentiejaar 2012, u heeft aangekondigd om dan, conform het Europese kader, maatregelen te treffen op bedrijfsniveau?
  8. Kunt u de Kamer informeren over de precieze daling van het areaal blijvend grasland in de jaren tussen 2013 en nu? Hoeveel procent van het in 2012 bestaande areaal blijvend grasland is in de afgelopen jaren verloren gegaan? Is het reeds noodzakelijk om over te gaan tot de aangekondigde maatregelen op bedrijfsniveau? Zo ja, op welke wijze en termijn wilt u die maatregelen gaan nemen? Zo nee, wat wilt u gaan doen om te voorkomen dat extra maatregelen voor het behoud van blijvend grasland nodig zijn, gezien de dramatische daling van weidegang de afgelopen jaren?

[1] http://www.rvo.nl/subsidies-regelingen/betalingsrechten-uitbetalen/uitbetaling-2016/voorwaarden-uitbetaling-2016/vergroeningseisen-2016/blijvend-grasland

[2] Handelingen van 1 december 2016 van het plenaire debat over - het wetsvoorstel Additionele regels ten behoeve van een verantwoorde groei van de melkveehouderij (Wet grondgebonden groei melkveehouderij) (34295); - het wetsvoorstel Wijziging van de Meststoffenwet in verband met de invoering van een stelsel van fosfaatrechten (34532), nog geen Kamerstuknummer beschikbaar, https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/plenaire_verslagen/detail?vj=2016-2017&nr=30&version=2

Antwoorddatum: 23 dec. 2016

Geachte Voorzitter,

Hierbij ontvangt u mijn antwoorden op de vragen van het lid Ouwehand (PvdD) over de vergroeningseis van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) om permanent grasland te behouden (ingezonden 14 december 2016, kenmerk 2016Z23937).

1. Kunt u bevestigen dat er bij de laatste herziening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) de generieke vergroeningseis is gesteld dat blijvend grasland behouden moet worden?

Antwoord

Ja, maar dit is wel een ruime formulering van de vergroeningseis. De verplichting is dat het areaal blijvend grasland niet te veel daalt. Het hoeft niet allemaal behouden te blijven.

2. Kunt u bevestigen dat er in de nationale implementatie van deze vergroeningseis voor is gekozen om een verbod in te stellen voor het omploegen of omzetten van kwetsbare blijvende graslanden binnen Natura 2000-gebieden, ter bescherming van de biodiversiteit?

Antwoord

Ja.

3. Kunt u uitleggen waarom voor deze implementatie is gekozen, en daarbij ingaan op de grotere biodiversiteitswaarde en de betekenis voor opslag van CO2 in de bodem van blijvend grasland ten opzichte van grasland dat opnieuw is ingezaaid?

Antwoord

Lidstaten zijn verplicht om kwetsbaar ecologisch blijvend grasland aan te wijzen in Natura 2000-gebieden dat strikt moet worden beschermd om de doelstellingen van Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn) of Richtlijn 2009/147/EG (Vogelrichtlijn) te verwezenlijken. Lidstaten kunnen, met het oog op de bescherming van vanuit milieuoogpunt waardevol blijvend grasland, besluiten nog andere gebieden buiten Natura 2000-gebieden aan te wijzen. Nederland heeft ervoor gekozen om alle blijvende graslanden binnen Natura 2000-gebieden aan te wijzen als ecologisch kwetsbaar grasland ter bescherming van de biodiversiteit (Kamerstuk 20 625,
nr. 168).

4. Kunt u bevestigen dat blijvend grasland land is dat vijf jaar of langer grasland is, een eis die door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland als volgt is gedefinieerd: “Een perceel grasland wordt als blijvend grasland gezien als deze tenminste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen”? Waarom zei u in het debat over de invoering van een stelsel voor fosfaatrechten dan: “Het meeste grasland dat wordt omgeploegd in Nederland, wordt vervolgens opnieuw met gras ingezaaid. Dat doet dus geen afbreuk aan de areaaleis. Op dit moment is de maximale afname van 5% dus niet in gevaar"? Kunt u bevestigen dat uw uitleg in het debat een onjuiste interpretatie van blijvend grasland is?

Antwoord

De door u aangehaalde definitie van blijvend grasland is juist. Het is een definitie die door de Europese Commissie is opgesteld, en die door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt uitgevoerd. Het omploegen van een perceel en daarna opnieuw inzaaien met gras heeft geen gevolgen voor de status van blijvend grasland, het betreft immers geen vruchtwisseling. Dat is overeenkomstig de uitleg die ik in het door u aangehaalde debat heb gegeven, en ook die uitleg is in overeenstemming met de uitleg die de Europese Commissie hierover heeft gegeven aan de lidstaten.

5. Kunt u bevestigen dat er in de nationale implementatie van het GLB is gesteld dat voor het grasland buiten de Natura 2000-gebieden werd gestreefd naar een nationale monitoring van het areaal blijvend grasland?

Antwoord

Ja.

6. Is de aangekondigde nationale monitoring inderdaad opgestart? Zo nee, waarom niet en op welke wijze kunt u dan bewijzen dat Nederland wel of niet voldoet aan de voorwaarden van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid?

Antwoord

Ja. Het is een Europese verplichting dat alle lidstaten jaarlijks verantwoording moeten afleggen aan de Europese Commissie. Ook Nederland rapporteert jaarlijks aan de Europese Commissie over het aandeel blijvend grasland ten opzichte van het referentieaandeel.

7. Kunt u ook bevestigen dat, mocht het areaal blijvend grasland in Nederland met meer dan 5% dalen ten opzichte van het referentiejaar 2012, u heeft aangekondigd om dan conform het Europese kader maatregelen te treffen op bedrijfsniveau?

Antwoord

Ja, dit is ook aan uw Kamer gemeld in de brief van 6 december 2013 (Kamerstuk 28 625, nr. 168). Ook dat is een Europese verplichting.

8. Kunt u de Kamer informeren over de precieze daling van het areaal blijvend grasland in de jaren tussen 2013 en nu? Hoeveel procent van het in 2012 bestaande areaal blijvend grasland is in de afgelopen jaren verloren gegaan? Is het reeds noodzakelijk om over te gaan tot de aangekondigde maatregelen op bedrijfsniveau? Zo ja, op welke wijze en termijn wilt u die maatregelen gaan nemen? Zo nee, wat wilt u gaan doen om te voorkomen dat extra maatregelen voor het behoud van blijvend grasland nodig zijn, gezien de dramatische daling van weidegang de afgelopen jaren?

Antwoord

Het areaal blijvend grasland in 2015 en 2012 in Nederland is berekend volgens de door de Europese Commissie voorgeschreven rekenmethode. Het resultaat van deze berekening was dat er geen afname van het areaal blijvend grasland heeft plaatsgevonden. Daarom is het niet noodzakelijk om over te gaan tot de aangekondigde maatregelen op bedrijfsniveau. Ook uit de voorlopige berekeningen voor het aandeel blijvend grasland in 2016 blijkt dat er geen maatregelen op bedrijfsniveau noodzakelijk zijn.

(w.g.)

Martijn van Dam

Staatssecretaris van Economische Zaken

[1] Kamerstuk 28 625, nr. 168.