Vragen Wassenberg over ziens­wijze 'Dier­proeven ten behoeve van de Veehou­derij' van Raad voor Dier­aan­ge­le­gen­heden


Schriftelijke vragen van het lid Wassenberg (PvdD) aan de minister van LNV over de zienswijze “Dierproeven ten behoeve van de Veehouderij” van de Raad voor Dieraangelegenheden.

  1. Heeft u kennisgenomen van de zienswijze 'Dierproeven ten behoeve van de Veehouderij' van de Raad voor Dieraangelegenheden? [1]
  2. Erkent u dat de zienswijze geen antwoord geeft op de eerste twee opdrachtvragen (hoe wordt voorkomen dat proefdierendierenonderzoek niet leidt tot het verder belasten van het dier in de (intensieve) veehouderij en hoe kan worden ingebed dat bij de opzet van het onderzoek ook fundamentele aanpassingen van het (intensieve) houderijsysteem worden overwogen)? Kunt u alsnog een antwoord geven op deze vragen?
  3. Erkent u dat het in de zienswijze ontbreekt aan een fundamentele afweging of de (intensieve) veehouderij als doel gerechtvaardigd is voor het doen van dierproeven? Vindt u dit een tekortkoming van de zienswijze? Zo nee, waarom niet?
  4. Kunt u aangeven, in absolute aantallen en in percentages, hoe vaak de Centrale Commissie Dierproeven de afgelopen vijf jaar een aanvraag voor dierproeven ten behoeve van de (intensieve) veehouderij heeft afgewezen?
  5. Kunt u aangeven hoeveel aanvragen de Centrale Commissie Dierproeven de afgelopen vijf jaar heeft beoordeeld waarin het productievermogen van het dier zijn natuurlijke grenzen had bereikt of dreigde te overschrijden? Hoe zijn deze dierproeven beoordeeld? Deelt u de mening dat dierproeven die direct of indirect bijdragen aan het verder belasten van dieren niet zouden moeten worden toegestaan? Zo nee, waarom niet?
  6. Kunt u aangeven hoeveel aanvragen de Centrale Commissie Dierproeven de afgelopen vijf jaar heeft beoordeeld die gericht waren op het bestrijden van symptomen van gezondheids- en welzijnsproblemen van dieren in de intensieve veehouderij, maar waarbij geen of weinig aandacht was voor onderliggende oorzaken of voor alternatieve oplossingen? Hoe zijn deze aanvragen beoordeeld? Deelt u de mening dat dit soort dierproeven niet zouden moeten worden toegestaan? Zo nee, waarom niet?
  7. Kunt u aangeven hoeveel aanvragen de Centrale Commissie Dierproeven de afgelopen vijf jaar heeft beoordeeld ten behoeve van de veehouderij, waarbij sprake was van ernstig ongerief? Kunt u aangeven wat het doel van deze experimenten was, waaruit de experimenten bestonden en welk ongerief de dieren ondergingen? Hoe zijn deze aanvragen beoordeeld? Deelt u de mening dat dierproeven voor de (intensieve) veehouderij in ieder geval niet zouden mogen worden uitgevoerd als er ernstig ongerief optreedt? Zo nee, waarom niet?
  8. Wat vindt u ervan dat de zienswijze dierproeven toestaat wanneer er voordelen zijn voor andere duurzaamheidsdoelen binnen de veehouderij dan dierenwelzijn en de gezondheid van dieren zelf?
  9. Deelt u de mening dat door de brede definitie van duurzaamheid die wordt gehanteerd in de zienswijze (namelijk een betere gezondheid van mens en dier, een rendabele bedrijfsvoering, minder uitstoot en beter dierenwelzijn) er onvoldoende kritisch naar de noodzaak van dierproeven wordt gekeken? Deelt u de mening dat er binnen deze definitie tegenstrijdige belangen bestaan? Zo nee, waarom niet?
  10. Deelt u de mening dat het teleurstellend is dat er in de zienswijze geen concreet streefbeeld is opgenomen ten opzichte van proefdiervrije innovatie en het afbouwen van het aantal proefdieren ten behoeve van de veehouderij? Zo nee, waarom niet?
  11. Bent u bereid in uw reactie op de zienswijze te komen tot een concreet afbouwplan ten opzichte van het aantal dierproeven ten behoeve van de veehouderij en het aantal dieren dat daarvoor gebruikt worden?
  12. Bent u bereid om uw reactie naar de Kamer te sturen vooraf aan de begroting van het ministerie van Landbouw, Natuur & Voedselkwaliteit in week 44?

[1] https://www.rda.nl/publicaties/publicaties/2018/10/01/dierproeven

Antwoorddatum: 10 jan. 2019

1

Heeft u kennisgenomen van de zienswijze 'Dierproeven ten behoeve van de Veehouderij' van de Raad voor Dieraangelegenheden?

Antwoord

Ja. Ik heb deze zienswijze met mijn beleidsreactie op 9 november 2018 aangeboden aan de Tweede Kamer (Kamerstuk 35 000-XIV, nr. 61).

2

Erkent u dat de zienswijze geen antwoord geeft op de eerste twee opdrachtvragen? Kunt u alsnog een antwoord geven op deze vragen?

Antwoord

De RDA heeft mijns inziens in de zienswijze alle gestelde vragen beantwoord.

3

Erkent u dat het in de zienswijze ontbreekt aan een fundamentele afweging of de (intensieve) veehouderij als doel gerechtvaardigd is voor het doen van dierproeven? Vindt u dit een tekortkoming van de zienswijze? Zo nee, waarom niet?

4

Kunt u aangeven, in absolute aantallen en in percentages, hoe vaak de Centrale Commissie Dierproeven de afgelopen vijf jaar een aanvraag voor dierproeven ten behoeve van de (intensieve) veehouderij heeft afgewezen?

5

Kunt u aangeven hoeveel aanvragen de Centrale Commissie Dierproeven de afgelopen vijf jaar heeft beoordeeld waarin het productievermogen van het dier zijn natuurlijke grenzen had bereikt of dreigde te overschrijden? Hoe zijn deze dierproeven beoordeeld?

6

Deelt u de mening dat dierproeven die direct of indirect bijdragen aan het verder belasten van dieren niet zouden moeten worden toegestaan? Zo nee, waarom niet?

7

Kunt u aangeven hoeveel aanvragen de Centrale Commissie Dierproeven de afgelopen vijf jaar heeft beoordeeld die gericht waren op het bestrijden van symptomen van gezondheids- en welzijnsproblemen van dieren in de intensieve veehouderij, maar waarbij geen of weinig aandacht was voor onderliggende oorzaken of voor alternatieve oplossingen? Hoe zijn deze aanvragen beoordeeld?

8

Deelt u de mening dat dit soort dierproeven niet zouden moeten worden toegestaan? Zo nee, waarom niet?

Antwoord op vragen 3 t/m 8

Het Zelfstandige Bestuursorgaan Centrale Commissie Dierproeven (CCD) heeft mij geïnformeerd dat er in de periode van 2015 t/m april 2018 144 projectaanvragen ten behoeve van de veehouderij zijn behandeld. Van deze projectaanvragen zijn 5 projectaanvragen afgewezen (3,4%).

Van de 144 projectaanvragen hebben 51 betrekking op het bestrijden van gezondheids- en welzijnsproblemen van dieren in de veehouderij, 37 projectaanvragen hebben betrekking op ontwikkeling en testen van vaccins of geneesmiddelen tegen dierziekten en 21 aanvragen hebben betrekking op voeding van dieren in de veehouderij ter verbetering van de diergezondheid of voor efficiënter voerverbruik. De overige aanvragen vallen onder: vergroten natuurlijke weerstand door fokstrategieën, weefsel- en melkresidu studies, effecten op diergezondheid, methodeontwikkeling, en overige onderwerpen gerelateerd aan de veehouderij in de breedste zin.

In veel onderzoeksvoorstellen voor de veehouderij wordt gezocht naar optimalisatie en efficiëntieverbetering in de huidige productiesystemen. Daarnaast is het onderzoek erop gericht om de effecten van huidige veehouderijsystemen op gezondheid en welzijn van mens en dier te ondervangen. De CCD heeft alle deze projectaanvragen zorgvuldig afgewogen binnen de kaders van de Wet op de dierproeven.

Ik ben van mening dat de zienswijze van de RDA goede ondersteuning biedt aan de CCD en de hele onderzoeksketen om dierproeven ten behoeve van de veehouderij in de toekomst beter te kunnen plaatsen in de context van de transitie naar een duurzame veehouderij.

Tegelijkertijd erkent de RDA dat er nog steeds dierproeven nodig zullen zijn ter verbetering van het dierenwelzijn en diergezondheid in de huidige houderrijsystemen en om een bijdrage te leveren aan de verduurzaming van de veehouderij. Ik ben van mening dat het belangrijk is om een goede balans te vinden in het streven naar minder dierproeven en de ontwikkeling van meer duurzame veehouderijsystemen.

9

Kunt u aangeven hoeveel aanvragen de Centrale Commissie Dierproeven de afgelopen vijf jaar heeft beoordeeld ten behoeve van de veehouderij, waarbij sprake was van ernstig ongerief?

10

Kunt u aangeven wat het doel van deze experimenten was, waaruit de experimenten bestonden en welk ongerief de dieren ondergingen? Hoe zijn deze aanvragen beoordeeld?

Antwoord op vragen 9 en 10

Er zijn 18 aanvragen beoordeeld waarbij een deel van de dieren potentieel ernstig ongerief kan ondervinden. Hiervan zijn 17 aanvragen vergund.

Het betrof hier met name ontwikkeling en testen van vaccins tegen verschillende ziekteverwekkers bij kippen, varkens en runderen.

In de vergunde aanvragen liep het percentage dieren dat mogelijk ernstig ongerief zou kunnen ondervinden uiteen van 0,1% tot 50% van alle dieren in het project. In 8 van de 17 projecten is de ongeriefsinschatting ‘ernstig’ voor minder dan 10% van de dieren van toepassing.

11

Deelt u de mening dat dierproeven voor de (intensieve) veehouderij in ieder geval niet zouden mogen worden uitgevoerd als er ernstig ongerief optreedt? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Mijn lijn met betrekking tot alle dierproeven is “nee, tenzij”. Dat betekent dat dierproeven alleen worden uitgevoerd als het niet anders kan. Indien een onderzoek niet op een andere manier kan worden uitgevoerd dan met gebruik van proefdieren, is het aan de CCD om een ethische afweging te maken over het ongerief van de proefdieren in relatie tot de voordelen die het onderzoek oplevert voor mens, dier en milieu.

12

Wat vindt u ervan dat de zienswijze dierproeven toestaat wanneer er voordelen zijn voor andere duurzaamheidsdoelen binnen de veehouderij dan dierenwelzijn en de gezondheid van dieren zelf?

13

Deelt u de mening dat door de brede definitie van duurzaamheid die wordt gehanteerd in de zienswijze (namelijk een betere gezondheid van mens en dier, een rendabele bedrijfsvoering, minder uitstoot en beter dierenwelzijn) er onvoldoende kritisch naar de noodzaak van dierproeven wordt gekeken?

14

Deelt u de mening dat er binnen deze definitie tegenstrijdige belangen bestaan? Zo nee, waarom niet?

Antwoord op vragen 12, 13 en 14

Ik deel de zienswijze van de RDA, waarin het uitgangspunt wordt gehanteerd dat een dierproef ten behoeve van de veehouderij allereerst een directe bijdrage dient te leveren aan het belang van het doeldier zelf, op het gebied van dierenwelzijn of diergezondheid. Maar ook andere duurzaamheidsdoelen binnen de veehouderij tellen mee in de afweging, zoals milieu, volksgezondheid, voedselzekerheid en economie. Soms kunnen deze belangen inderdaad tegenstrijdig zijn. Dit betekent dat soms het belang van het dier afgewogen moet worden tegen de belangen van andere duurzaamheidsdoelen. Symptoombestrijding of enkel economisch belang zijn daarbij niet voldoende reden om een dierproef te verrichten. Niet alleen de CCD maar alle partijen in de onderzoekketen gericht op de veehouderij hebben een eigen verantwoordelijkheid in dit afwegingsproces.

15

Deelt u de mening dat het teleurstellend is dat er in de zienswijze geen concreet streefbeeld is opgenomen ten opzichte van proefdiervrije innovatie en het afbouwen van het aantal proefdieren ten behoeve van de veehouderij? Zo nee, waarom niet?

16

Bent u bereid in uw reactie op de zienswijze te komen tot een concreet afbouwplan ten opzichte van het aantal dierproeven ten behoeve van de veehouderij en het aantal dieren dat daarvoor gebruikt wordt?

Antwoord op vragen 15 en 16

De RDA ziet kansen om proefdiervrije innovatie te stimuleren voornamelijk in het voortraject van het onderzoek. Hiervoor wil ik me inzetten binnen mijn traject Transitie Proefdiervrije Innovatie (TPI) (Kamerstuk 33236, nr. 71). Mijn streven is om het verminderen van dierproeven hand in hand te laten gaan met de ontwikkeling naar meer duurzame veehouderijsystemen. Desondanks zal onderzoek op het doeldier zelf ook in de toekomst noodzakelijk blijven om bij te dragen aan de verduurzaming van de veehouderij en het belang van de dieren.

17

Bent u bereid om uw reactie naar de Kamer te sturen voorafgaand aan de begrotingsbehandeling van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, die gepland is in week 44?

Antwoord

De vragen konden helaas niet voor de begrotingsbehandeling worden beantwoord vanwege de benodigde afstemming met externe partijen (Aanhangsel Handelingen II 2018/19, nr. 394). De RDA zienswijze met mijn beleidsreactie is op 9 november 2018 aangeboden aan de Tweede Kamer (Kamerstuk 35000-XIV, nr. 61).